Commentaar: Het jeugdsyndroom

Het jeugdsyndroom

In 1974 zong Bob Dylan zijn evergreen Forever Young. «May your hands always be busy/ May your feet always be swift/ May you have a strong foundation/ When the winds of changes shift/ May your heart always be joyful/ May your song always be sung/ May you stay forever young.» Een onschuldige tekst? Nee. Forever Young is niet louter voor de lol. Volgens Dylan moet de mens jong blijven ter wille van een verheven doel, zoals «moed», «kracht», kortom, van niets minder dan de «waarheid».

De geboortegolf heeft dit levenselixer in de jaren zestig van de loonexplosie ook in Nederland kunnen ontdekken, heeft het in de jaren zeventig in politieke opvattingen vorm gegeven, in de jaren tachtig gematerialiseerd in stevige maatschappelijke posities en in de jaren negentig geconsumeerd dankzij de vastgoedhausse. Hip zijn was niet alleen mode, het loonde ook.

Sinds de economische recessie begin deze eeuw toesloeg, is Forever Young aan een tweede leven begonnen. Pensioenen, gezondheidszorg, arbeidsongeschiktheid, beroepskwalificaties, innovatie: het moet allemaal dynamischer. Iedereen moet jong zijn, jong blijven of jong worden, althans volgens de oudere jongeren. Helaas is er één groep die zich hieraan niet a priori houdt: de jeugd zelf. Die leest niet meer, die vreet te veel, die et cetera. Orde en tucht zijn dus geboden om het tij te keren, althans volgens de oudere jongeren.

De «jeugd van tegenwoordig» heeft het altijd al gedaan. Maar nu klinkt deze eeuwige klacht toch hol. Voor het eerst sinds de geboortegolf van 1946 ziet de toekomst er namelijk slechter uit dan het verleden. De onstuitbare vooruitgang, altijd belichaamd door de jeugd die betere kansen en dus betere vooruitzichten zou hebben dan de ouders, is vastgelopen. Tegelijkertijd worden de jongeren steeds nadrukkelijker aangesproken op hun leeftijd. Ze moeten zich gedragen, ze moeten integreren, ze moeten studeren, ze moeten kerk en moskee verlaten, ze moeten consumeren, ze moeten betalen. De jeugd dient onbelast en hoopvol te zijn, daadkrachtig en bescheiden, innovatief en gehoorzaam, trendgevoelig en sociaal. Voldoet ze niet aan die verwachtingen dan wordt ze gebrandmerkt als lui of egocentrisch.

Acht jaar geleden onderzocht Martijn Lampert voor de vakgroep vrijetijdswetenschappen van de Katholieke Universiteit Brabant hoe Nederlanders zich in het fin de siècle gedroegen of wilden gedragen. Hij legde zijn bevindingen neer in de studie De dans van Dionysos, waarin Lampert teruggrijpt op de mythologische tegenstelling tussen de goden Dionysos en Apollo. Dionysos staat voor sensualiteit en snelheid, sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw beter bekend als sex, drugs and rock-’n-roll. Apollo staat voor kennis en kritiek. Lampert in 1997: «Het dionysische sluit beter aan bij een wereld in continue en accelererende verandering. (…) Mensen beschouwen hun leven steeds minder als een geïntegreerd geheel, geconcentreerd rondom één archimedisch punt.» Anders gezegd: er is geen peil meer op te trekken.

Tegenwoordig werkt Lampert bij Motivaction, een onderzoeksbureau dat de bevolking níet indeelt conform klassieke scheidslijnen als sociaal-economische positie en opleidingsniveau, maar in acht culturele life style-clusters, die op hun beurt ook kunnen worden uitgesplitst naar leeftijd. Anno 2005 ziet Nederland er zo uit: op de schaal van conservatief naar postmodern bewegen zich de «traditionele burgerij» die ooit de ruggengraat was van de maatschappij (nog 18 procent der totale bevolking maar slechts 3 procent van de jongeren tussen 15 en 21 jaar), de op drift geraakte «moderne burgerij» (22 tegen 5 procent) en de «postmoderne hedonisten»(10 tegen 20 procent). Van laag tot hoog op de maatschappelijke ladder staan de «gemaksgeoriënteerden» (9 tegen 26 procent), «opwaarts mobielen» (13 tegen 25 procent), «postmaterialisten» (10 tegen 5 procent), «nieuwe conservatieven» (8 tegen 3 procent) en «kosmopolieten»(10 tegen 12 procent). Politiek kan dit achtluik zo worden samengevat: Fortuyn was de man van moderne burgers én nieuwe conservatieven. De vakbondsdemonstratie op het Museumplein bracht moderne burgers mét postmaterialistische geboortegolvers op één plek samen.

Maar niet te vroeg gejuicht. Het idee dat individuele mensen per definitie sociale burgers zijn, vindt geen steun in deze cijfers. De spanning zal nog toenemen. Want de «moderne burgers» (grof gezegd Tros en rtl), «gemaksgeoriënteerden»(sbs) en «postmaterialisten» (nos of Vara) hebben relatief meer kinderen in huis dan de andere vijf groepen. Lampert onderzoekt daarom de leefwereld van deze jongeren tot 19 jaar. Wat blijkt? Ze zijn gefascineerd door of lopen warm voor geweld, ruw hedonisme, exhibitionisme, sociaal netwerken, technologische vooruitgang en voyeurisme. Een vredig gezin, rustig leven, gemeenschapszin, milieu en gelijkheid? Het laat ze koud. Logisch. Je bent jong en je… Ware het niet dat hun ouders er op hoofdlijnen vergelijkbare waarden op nahouden.

De toekomst is dus aan gemak, genot plus een vleugje mondiale openheid. Geen hoopvol perspectief voor premier Balkenende en oppositieleider Bos, wier partijen het toch vooral moeten hebben van naastenliefde of solidariteit en arbeidsethos. Noch voor minister Verdonk die met onwelgevallig (relativerend) kosmopolitisme wil afrekenen. Tussen alle politieke tegenstelling door hebben ze één ding gemeen. Zij hebben hun eigen jeugd tot norm verheven, willen nu profiteren van het Zwitserleven-gevoel en verwijten de jongeren dat ze daarvoor niet meer vanzelfsprekend een materiële basis willen leggen.

Het zijn vooral de ouderen die het beste van twee werelden willen. Terwijl zij omkijken naar hun jeugdjaren, toen forever young identiek was aan engagement, heeft de jeugd wel wat anders te doen dan een betere wereld scheppen voor de hele mensheid. Een eigen weg vinden is ingewikkeld genoeg in een maatschappij waarin succes een morele categorie is geworden en mislukken dus onvermijdelijk je eigen schuld is.

Sinds Plato is het, wegens dat onstuitbare luie hedonisme, al mis met de jeugd. Maar die permanente klacht heeft al die 25 eeuwen niet kunnen verklaren waarom desondanks de dubbele boekhouding, de drukpers, de klok, de stoommachine, de auto en de computer zijn uitgevonden. De klacht over de jeugd van tegenwoordig moet dus maar eens worden terug gekaatst. Kennelijk verandert er wel degelijk iets als er perspectief wordt geboden en verantwoordelijkheid genomen.