‘het jiddisj leeft’

Deze zomer verklaarde de Europese Unie het Jiddisj tot officiële minderheidstaal in Europa. Er is een groeiende belangstelling voor de duizend jaar oude taal, die nog maar kort geleden uitgestorven leek na de vernietiging van de Midden- en Oost-Europese joden. Is het Jiddisj een museumstuk of een levende taal?

ZIJN ER NOG mensen in de wereld die in het dagelijks leven Jiddisj spreken? Jawel, er zijn in Brooklyn, Jeruzalem en Antwerpen ultra-orthodoxe, chassidische joden, die lange zwarte jassen dragen en breedgerande hoeden en die Jiddisj spreken. Maar het is een raar, ouderwets Jiddisj, een soort museumtaal die zich niet ontwikkelt en waar geen literatuur in bestaat omdat het enige boek dat er voor hen toe doet de bijbel is. In Nederland krijgen joodse kinderen op de ultra-orthodoxe lagere school, het chaider, les in de Jiddisje taal.
En dan is er nog een piepklein groepje joden in New York, in de Bronx, op Bainbridge Avenue, die zich tot taak hebben gesteld de hele dag Jiddisj te spreken. Het zijn een paar joodse gezinnen die bang zijn dat het Jiddisj als levende taal gedoemd is te verdwijnen als zij het niet met elkaar blijven spreken.
Barry Davis moet daar een beetje om lachen. Toch staat hij zelf in Engeland bekend als mr. Jiddisj en hij doet alles om de kennis van het Jiddisj te verspreiden, door les te geven in de Jiddisje taal en de Jiddisje literatuur. Maar hij gelooft eigenlijk niet dat je een taal op kunstmatige wijze, alleen door het te willen, in leven kunt houden. Bij hem thuis in Londen vraag ik hem of het Jiddisj niet, net als Latijn of Oud-Grieks, een dode taal is of dat het misschien weer tot leven kan worden gebracht, zoals dat in Israel ooit met het Hebreeuws is gebeurd.
BARRY DAVIS: ‘Een dode taal is het Jiddisj niet. Er zijn nog steeds mensen die Jiddisj spreken als een levende taal. Oudere mensen die het Jiddisj nog kennen uit hun jeugd. Ook de chassidische joden in de ultra-orthodoxe wijken in Brooklyn, Jeruzalem, Tel Aviv of hier in Londen. Die willen echter van een Jiddisje literatuur niets weten, voor hen is literatuur een lege bezigheid. Ze ontwikkelen de taal niet, ze conserveren hem, zou je kunnen zeggen.
Dan zijn er jonge mensen die les nemen in het Jiddisj en die misschien de taal nog van hun ouders of grootouders hebben gehoord. Voor hen is het een tweede taal, niet de taal die ze dagelijks gebruiken. En dan is er dat clubje om Mordechai Shaechter en Josuah Fishman in de Bronx. Zij praten echt de hele dag Jiddisj met elkaar, in de hoop dat de taal op die manier levend zal blijven. Ze organiseren ook groepen jonge mensen onder de naam Jugentruf, en houden jeugdkampen waar Jiddisj wordt gesproken en waar ze, geloof ik, op z'n Jiddisj football en basketbal spelen. Shaechter is zelf geboren in Chernowicz, dat toen nog in Roemenië lag en een groot centrum was van Jiddisje cultuur in het Oostenrijks-Hongaarse Rijk. Fishman is in Amerika geboren, maar hij heeft het Jiddisj overgenomen van zijn eigen ouders. Er is daar dus wel sprake van zoiets als continuïteit. Ze geven woordenboeken uit, bladen in het Jiddisj en ze hebben een kresj, waar de kinderen Jiddisj leren.
Ze spreken Jiddisj onder elkaar, maar met andere mensen spreken ze natuurlijk Engels. Een groep mensen die alleen maar Jiddisj kent, die is er niet meer. Maar Jiddisj werd natuurlijk altijd naast een andere taal gesproken, naast Pools, Russisch of Oekraïens, die talen had je nodig om handel te drijven of met niet-joden te communiceren.
Joden functioneerden altijd in een omgeving waar meerdere talen werden gesproken. Dat gold zelfs in de tijd toen de joden nog in het land van Israel woonden. In de tijd van Jezus werd daar Aramees gesproken, de joden gebruikten ook toen al geen Hebreeuws meer als dagelijkse taal. Het Hebreeuws werd steeds meer de taal van de thora, de tenach, de rituelen en de gebeden.
Toen zo'n duizend jaar geleden in Duitsland het Jiddisj ontstond, was dat ook een vermenging van verschillende talen. Het Jiddisj is een vorm van Middenhoogduits, vermengd met Hebreeuwse en Aramese woorden, geschreven in het Hebreeuwse alfabet. Toen de joden vanwege de pogroms naar het Oosten moesten vluchten, namen ze die taal mee naar Polen, waar ze in die tijd wel welkom waren. Joden hebben altijd twee of meer talen gesproken.
Natuurlijk bestaat er hier een grote druk op immigranten om zich aan te passen aan de Engelse cultuur en de Engelse taal. De meeste groepen immigranten schipperen tussen de noodzaak van acculturatie en het instinctieve gevoel dat je je eigen identiteit moet bewaren.’
BARRY DAVIS IS geboren in 1945, in Londen, maar zijn ouders hadden een Oost-Europees-joodse achtergrond. Hij was de jongste uit het gezin, zijn vader was al vrij oud en diens verhalen over zijn jeugd in Polen als een kleine smokkelaar over de Duits-Poolse grens en later als banketbakker in Berlijn fascineerden hem, omdat hij daardoor hoorde over heel andere samenlevingen. Zijn vader heeft eigenlijk nooit goed Engels geleerd en sprak Jiddisj met zijn vrouw, die weliswaar in Engeland was geboren, maar Jiddisj had geleerd om haar vader te helpen in zijn kleermakerij. Het was een traditioneel joods gezin, niet buitengewoon religieus, maar er werd kosjer gegeten en de joodse feestdagen werden in ere gehouden.
Zijn broers en zuster wilden later van die joodse traditie niets weten, maar voor Barry Davis kreeg het verzet tegen het ouderlijk milieu een andere vorm. Hij ging studeren: geschiedenis, Europese geschiedenis en vooral Duitse geschiedenis en daarom ook Duits. Er waren in die tijd mensen die dat pathologisch noemden: je moest de Duitsers haten na wat er in de Tweede Wereldoorlog was gebeurd. Het was raar om te proberen te begrijpen waarom dat was gebeurd. In die tijd had hij geen zin om zich in de joodse geschiedenis te verdiepen. Hij hield zich bezig met de geschiedenis van het nationalisme, het fascisme en het communisme.
Barry Davis: 'Het is raar. Je rebelleert tegen je joodse achtergrond, maar tegelijkertijd voel je je ertoe aangetrokken. Als je jong bent is dat een verwarrende paradox, als je ouder wordt leer je met zulke contradicties te leven. Er veranderde voor mij iets toen mijn ouders kort na elkaar stierven. Misschien ben ik uiteindelijk wel Duits gaan studeren omdat dat de taal is die het meest op Jiddisj lijkt. Als ik Jiddisj spreek, dan is het net of ik tegen m'n ouders praat, alsof ze binnen in me zijn. De joodse godsdienst is niets voor mij, het zionisme en Israel zijn me te nationalistisch en te militaristisch. En er is nog iets. Ik ben homoseksueel, gay. Daardoor kan ik nooit bij de gewone joodse wereld horen, daarvoor is nodig dat je trouwt en kinderen krijgt. Dan ga je naar andere dingen zoeken om je leven mee op te bouwen, je wilt ergens bijhoren en iets doorgeven. Als je kinderen hebt, geef je vanzelf je joodse identiteit door. Door les te geven kan ik dat ook doen, het blijkt dat ik van nature een leraar ben.
Een jaar of twintig geleden begon ik me in de joodse geschiedenis en in het Jiddisj te verdiepen. Ik deed eerst een cursus Jiddisj in Londen en heb toen twee jaar zomercursussen gevolgd aan Columbia University in New York. Daarna ging ik zelf Jiddisj geven, hier in Londen aan het Spyro Intitute, een instelling voor joods volwassenenonderwijs. Dit jaar gaf ik een zomercursus in Oxford voor allerlei studenten, joden en niet-joden, want je hoeft heus geen jood te zijn om Jiddisj te leren, als je maar een mens bent. Een joodse student bekijkt het Jiddisj vanuit een joods perspectief, maar een West-Indiër brengt een West-Indisch perspectief met zich mee. Als het gaat om het moeilijke evenwicht tussen je aanpassen aan de maatschappij en je eigen identiteit behouden, dan begrijpen de zwarte studenten beter dan de anderen waar ik het over heb.’
'IK HEB EEN Vlaamse student uit België die de joodse dichter Celan vanuit het Duits in het Jiddisj wil vertalen. Celan komt uit Chernowicz, hij kende Jiddisj, maar hij schreef in het Duits. Op een gegeven moment realiseerde hij zich dat hij gevangen zat in die Duitse taal, hij was in de val gelopen van een taal die hem vreemd was. Die Vlaamse student denkt dat hij door Celan in het Jiddisj te vertalen zijn eigen gevoeligheid tot uitdrukking kan brengen. Zo kan het Jiddisj voor verschillende mensen verschillende dingen betekenen. Ik ken een vrouw in New York, niet joods, die zich in het Engels niet zo goed kan uitdrukken. Het Jiddisj gaf haar een stem.
Misschien komt het door het informele, het zachte van het Jiddisj, het kameleontische ook, waardoor het zich naar verschillende kanten kan buigen. Het is een taal die voor niemand bedreigend is, er bestaat immers geen Jiddisjland, het is een machteloze taal, die een grote vrijheid van interpreteren geeft. Ik wil helemaal niet de indruk wekken dat het Jiddisj anders is dan andere talen. Maar de ervaring van de Jiddisj-sprekende joden in Europa is anders geweest dan die van de meeste andere volkeren. Er zijn andere culturen uitgewist, maar nooit zo spookachtig dramatisch als de Jiddisje cultuur is uitgeroeid. Ook dat element van slachtofferschap trekt sommige mensen aan. De galgenhumor van het Jiddisj, een subversieve humor, waardoor iemand in een dodenkamp nog kan zeggen: “Ach, het had erger kunnen zijn.” Of: “Waarom kan God niet eens een keer een ander volk uitverkiezen?” Er is een verhaal dat joden in een vernietigingskamp discussiëren over de vraag of er wel een God is. Ten slotte concluderen ze dat er blijkbaar geen God is, als ze zo erg moeten lijden. En dan gaan ze maar dawwenen, bidden tot diezelfde God die er niet is. Want God verwerpen impliceert dat je erkent dat hij er is. Volgens de joodse logica gelooft ook de atheïst in God, want om atheïst te zijn moet er iemand zijn om niet in te geloven. Van die paradoxen houd ik, en die kun je heel goed tot uitdrukking brengen in het Jiddisj: misschien wel, misschien niet, wie weet?
Voor de vroege zionisten was er iets verkeerds aan het Jiddisj. Die taal stond voor het getto, de ballingschap, het lijden, de vervolgingen en een gebrek aan zelfrespect. Daarom moest in Israel geen Jiddisj worden gesproken maar Hebreeuws, hoewel bijna niemand die taal toen als dagelijkse omgangstaal sprak. Eigenlijk is dat een zeer negentiende-eeuwse, nationalistische manier van denken, alsof joden van nature Hebreeuws zouden spreken en in hun eigen land wonen. Ik geloof helemaal niet in die natuur, ik denk dat alles wat mensen doen een gevolg is van hun ervaring, hun cultuur en de omstandigheden. Als ik nu tegen iemand uit Israel zeg dat ik onderwijs geef in de Jiddisje taal, krijg ik vaak te horen: “Ach ja, Jiddisj… Mijn grootmoeder sprak nog Jiddisj…” Alsof ze je willen vernederen.
Een misvatting is ook dat de Jiddisje literatuur iets nostalgisch zou zijn. Het is helemaal geen romantisering van het sjtetl, de verhalen gaan juist vaak over de wreedheid, de armoede, de misdaad, de hardheid van het leven, de botsing tussen traditionele waarden en moderne ideeën. Er is een Jiddisj toneelstuk uit 1904 dat in een bordeel speelt, waarin een meisje door een van de prostituees tot een lesbische relatie wordt verleid. Er waren ook avantgardistische, symbolistische en modernistische schrijvers in het Jiddisj, vooral dichters. Kort na de Russische Revolutie was er in de Sovjet-Unie een grote vrijheid voor de Jiddisje cultuur, maar het Jiddisj werd gebruikt om Hebreeuwse schrijvers en de joodse godsdienst aan te vallen. Later moesten ook de Jiddisje schrijvers zien te overleven. Ze werden gedwongen elkaar aan te geven en toen Stalin helemaal paranoïde werd over de joodse invloed, zijn deze Jiddisje schrijvers tussen 1948 en 1952 verdwenen en vermoord. Maar het Jiddisje theater in Rusland werd wel gesubsidieerd en was van hoge kwaliteit.’
'ER IS WEL sprake van zoiets als een moderne Jiddisje literatuur, maar schrijvers als David Katz, die in Wales woont, schrijven niet over hun eigen ervaring, ze reconstrueren de traditionele verhalen. Die verhalen doen gedateerd aan, ze maken geen spontane indruk. Het heeft niet de kracht, de directheid en de frisheid van de literatuur van zeventig, tachtig, honderd jaar geleden.
In New York verschijnt het blad Vorwarts, met journalistiek proza en veel gedichten over het Jiddisj. Hoeveel ze van het Jiddisj houden, hoe jammer het is dat het verdwijnt. Ik weet niet of daar iets interessants uit kan komen.
De moeilijkheid is dat dit soort literatuur niet gevoed wordt door een levende maatschappij. En waar is het publiek om het te lezen? Het is een goed ding dat de Europese Unie het Jiddisj (en ook het Ladino) als minderheidstaal heeft erkend en daarmee de joodse aanwezigheid in de Europese cultuur een plaats heeft gegeven, maar de voorwaarden die er in het verleden voor het Jiddisj bestonden kun je nu eenmaal niet reconstrueren.
Het Jiddisj is geen dode taal. Het leeft nog wel, maar er is niet veel meer van over. Het is net als een zanger die eens populair is geweest, die nog niet dood is, maar wiens stem heel erg is achteruitgegaan. Hier in Londen hebben we amateurtheater in het Jiddisj en een Jiddisje leesgroep, er zijn ook festivals, maar ook daar staat de traditie centraal. Taal ontstaat omdat mensen met elkaar moeten communiceren, het heeft een functie. Ik besteed er een groot deel van mijn leven aan om het Jiddisj te bewaren en de kennis van het Jiddisj te verspreiden, maar dat wil nog niet zeggen dat ik de werkelijkheid kan veranderen.
Zelf ben ik een tijdje geleden in het Jiddisj gaan zingen, door het Jiddisj vond ik mijn stem. Het Jiddisj gaf me toegang tot iets wat afgesloten was. Iemand maakte eens de vergelijking met een donkere grot waar heel veel kostbaarheden liggen opgeslagen, je kunt ze alleen niet zien. Ik probeer een lichtje aan te steken om die kostbaarheden van het Jiddisj zichtbaar te maken.
Misschien ligt de toekomst van het Jiddisj wel in de film en niet in de literatuur. In veel films wordt Jiddisj gebruikt, zoals in Left luggage van jullie Jeroen Krabbé. Ik ben zelf adviseur bij verschillende films en moet daarvoor soms dialogen of liedjes in het Jiddisj schrijven. In elk geval hebben die filmmakers het Jiddisj nodig.
Maar het Jiddisj is niet helemaal afwezig, het is niet volkomen vergeten. Je kunt de geschiedenis niet veranderen, maar er wel een zeker respect voor hebben. Je kunt niet in het verleden leven, maar je kunt ook niet in het heden leven zonder het verleden te kennen. Als ik les geef in Jiddisj, dan leeft het, je brengt de geschiedenis en die mensen tot leven in jezelf.’