Het joegoslavie-tribunaal

Zij maakten zich schuldig aan genocide, misdaden tegen de menselijkheid en schendingen van het oorlogsrecht. Metterdaad en door nalatigheid. Dossier: de aanklacht van het Joegoslavie-tribunaal. Documenten verkrijgbaar bij het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY), Churchillplein 1, Postbus 13888, 2501 EW Den Haag, tel. 070-4165343. Voertalen: Engels en Frans. De openbare zittingen zijn voor publiek toegankelijk zonder voorafgaande aanmelding. Inlichtingen Public Information Office, tel. 070-4165232.
OP 25 JULI 1995 MAAKTE de aanklager van het Internationaal Gerechtshof voor Oorlogsmisdaden in voormalig Joegoslavie, Richard Goldstone, bekend dat de volgende personen in staat van beschuldiging zijn gesteld: 1. Milan Martic; 2. Radovan Karadzic en Ratko Mladic; 3. Dusko Sikirica en twaalf anderen; 4. Slobodan Miljkovic en vijf anderen; 5. Goran Jelisic en Ranko Cesic.

Tegen alle 24 verdachten is een arrestatiebevel uitgevaardigd. Het totale aantal verdachten van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en schendingen van het oorlogsrecht in voormalig Joegoslavie is daarmee op 46 gekomen (inclusief Dusan Tadic, die zich als enige in Den Haag in hechtenis bevindt). In een afzonderlijke persverklaring gaf Goldstone uitleg over zijn strategie.
Uit Goldstones persverklaring:
‘Onze strategie richt zich onder meer op het onderzoek naar lager geplaatste personen die direct betrokken waren bij het uitvoeren van misdaden, om zo een sluitende rechtszaak te kunnen opbouwen tegen de militaire en burgerlijke leiders die een aandeel hadden in de algehele voorbereiding en uitvoering van die misdaden. Een belangrijke taak van het Tribunaal bestaat uit het vaststellen van individuele verantwoordelijkheid voor de in voormalig Joegoslavie gepleegde misdaden, teneinde de toewijzing van een collectieve schuld te voorkomen. Met het oog hierop heeft de verwijzing in de aanklacht naar “Bosnisch-Servisch” betrekking op die Bosnische Serviers die in militaire of civiele dienst staan van de autoriteiten in Pale. Hiermee worden niet die Bosnische Serviers bedoeld die de tenlastegelegde misdaden ondersteunen noch onderschrijven.
Het onderzoek naar ernstige schendingen van de mensenrechten die naar verluidt zijn begaan door Bosnische Kroaten in de vallei van de Lasva-rivier, maakt goede vorderingen. Een of meer aanklachten die uit dit onderzoek voortvloeien zullen worden ingediend en bekendgemaakt voor het eind van dit jaar. Het onderzoek naar beschuldigingen van ernstige schendingen van de mensenrechten door Bosnische Moslims is in volle gang. Wij zijn echter nog niet in staat om een tijdstip te noemen waarop aanklachten zullen worden ingediend.’
UIT DE AANKLACHTEN: 'Milan Martic was hoofdinspecteur bij het Kroatische ministerie van Binnenlandse Zaken en werd in februari 1994 president van de zelfverklaarde Republiek van de Servische Krajina (RSK). Op 1 mei 1995 viel het Kroatische Leger in de Sector West (West-Slavonie - ab) de troepen van het RSK-leger (ARSK) aan en dreef de ARSK-troepen in zuidelijke richting over de Sava-rivier. De troepen van het ARSK kregen van Milan Martic het bevel om bij wijze van vergelding een aanval uit te voeren op drie Kroatische steden, waaronder Zagreb. Een Orkan-raket voorzien van een “cluster-bom”, zoals die welke tegen Zagreb werd ingezet, is een tegen mensen gericht wapen.
Op 2 mei 1995 gaf Milan Martic welbewust en opzettelijk het bevel tot een wederrechtelijke aanval op de burgerbevolking en individuele burgers van Zagreb, met tenminste vijf doden en talloze verwondingen tot gevolg. Op 3 mei 1995 gaf Milan Martic welbewust en opzettelijk het bevel tot een wederrechtelijke aanval op de burgerbevolking en individuele burgers van Zagreb, met tenminste twee doden en talloze verwondingen tot gevolg en overtrad daarmee het in oorlogstijd heersende recht en gewoonterecht, hetgeen als misdaad is aangemerkt in Artikelen 3 en 7(1) van het Statuut van het Tribunaal, substitutief liet na om de noodzakelijke en voor de hand liggende maatregelen te nemen om de aanval te voorkomen en de daders te straffen.’
'RADOVAN KARADZIC was vanaf omstreeks 13 mei 1992 tot heden president van de Bosnisch-Servische regering in Pale. Sedert hij dit ambt op zich nam, strekte zijn wettelijk gezag zich uit tot het bevel over het leger van de Bosnisch-Servische regering, alsmede de bevoegdheid om legerofficieren te benoemen, bevorderen en ontslaan, om opdracht te geven tot het inzetten van de politie in oorlogstijd en om in noodsituaties de reservepolitie op te roepen. In internationaal verband heeft Radovan Karadzic gehandeld en is hij ook bejegend als president van de Bosnisch-Servische regering in Pale. In die hoedanigheid heeft hij onder meer deelgenomen aan internationale onderhandelingen en zelfstandig overeenkomsten gesloten die ook zijn geeffectueerd. Ratko Mladic was vanaf omstreeks 14 mei 1992 tot heden bevelhebber van het leger van de Bosnisch-Servische regering. Ratko Mladic heeft zijn gezag in militaire aangelegenheden bewezen door het afsluiten van onder meer overeenkomsten inzake wapenstilstanden en de uitwisseling van gevangenen, die alle zijn geeffectueerd.
Radovan Karadzic en Ratko Mladic hebben zich vanaf april 1992 in de Republiek van Bosnie en Herzegovina metterdaad en door nalatigheid schuldig gemaakt aan genocide. Zodra de strijdkrachten uit Bosnie en andere delen van voormalig Joegoslavie de aanval openden op steden en dorpen in de Republiek Bosnie werden duizenden Bosnisch-Moslimse en Bosnisch-Kroatische burgers systematisch geselecteerd en geinterneerd in detentiekampen, verspreid over het hele grondgebied van de Bosnische Serviers. Het personeel dat de detentiekampen bestuurde had als oogmerk het vernietigen van Bosnische Moslims en Bosnische Kroaten door hen te vermoorden, ernstig letsel toe te brengen of opzettelijk te onderwerpen aan omstandigheden die hun fysieke ondergang tot gevolg moesten hebben. Vele van deze detentiekampen werden bemand en bestuurd door personeel dat onder gezag stond van Radovan Karadzic en Ratko Mladic. Tevens hadden Bosnisch-Servische politieagenten en militaire ondervragers onbelemmerd toegang tot alle detentiekampen en gingen zij te werk in samenspraak met het personeel. Deze kampen en hun personeel omvatten, maar waren niet beperkt tot: Omarska (commandant Zeljko Meakic, politie); Keraterm (commandant Dusko Sikirica, politie); Trnopolje (commandant Slobodon Kuruzovic, militair); Luka (commandant Goran Jelisic, politie); Manjaca (commandant Bozidar Popovic, militair); Susica (commandant Dragan Nikolic, militair) en KP Dom Foca (commandant Milorad Krnojelac).’
'DUIZENDEN Bosnisch-Moslimse en Bosnisch-Kroatische burgers, vrouwen, kinderen en ouderen inbegrepen, werden in deze kampen voor langere tijd vastgehouden. Zij kregen geen wettig proces. De gevangenen werden bij herhaling onderworpen aan en/of waren getuige van onmenselijke daden, waaronder moord, verkrachting, seksuele mishandeling, marteling, afranseling, beroving en andere vormen van mentale en fysieke mishandeling. In veel gevallen werden gevangengehouden vrouwen en meisjes in de kampen verkracht of uit de detentiecentra gehaald en op andere plaatsen verkracht of anderszins seksueel misbruikt. De aan de gevangenen verstrekte dagelijkse rantsoenen waren onvoldoende en kwamen vaak neer op hongerrantsoenen. De medische verzorging van de gevangenen was onvoldoende of ontbrak, de hygienische omstandigheden schoten doorgaans schromelijk tekort.
Radovan Karadzic en Ratko Mladic hebben zich tussen april 1992 en juli 1995 schuldig gemaakt aan misdaden tegen de menselijkheid. Zij zijn strafrechtelijk aansprakelijk voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, moord, verkrachting, seksuele mishandeling, marteling, afranseling, beroving en onmenselijke behandeling van burgers; vervolging van politieke leiders, intellectuelen en beroepsgroepen; wederrechtelijke deportatie en transport van burgers; wederrechtelijke beschieting van burgers; wederrechtelijke toeeigening en plundering van onroerende en persoonlijke bezittingen; de vernieling van huizen en bedrijven en de vernieling van bedevaartplaatsen. Burgerlijke politieke leiders en leden van de hoofdzakelijk Bosnisch-Moslimse partij, de partij voor Democratische Actie (SDA), en de hoofdzakelijk Bosnisch-Kroatische partij, de Kroatische Democratische Unie (HDZ) werden in het bijzonder aan vervolging blootgesteld, alsook Bosnisch-Moslimse en Bosnisch-Kroatische intellectuelen en vrije- beroepsbeoefenaren.
In veel gevallen werden burgers uit interneringskampen naar hun huizen en bedrijven gebracht en gedwongen om aan hun bewakers geld en andere waardevolle bezittingen af te geven. In andere gevallen werden ze ingezet als arbeiders om eigendommen van Bosnisch-Moslimse en Bosnisch- Kroatische huizen en bedrijven op vrachtwagens met onbekende bestemming te laden. Veel Bosnisch-Moslimse en Bosnisch- Kroatische burgers die niet in kampen waren ondergebracht, werden gedwongen in hun woonplaatsen te blijven, waar zij werden onderworpen aan fysieke en psychologische mishandeling door Bosnisch-Servische militairen, politieagenten en hun handlangers, paramilitaire eenheden en wetteloze elementen uit de Bosnisch-Servische gemeenschap. Voor velen werden de omstandigheden ondraaglijk en zij vertrokken. Alvorens te vertrekken werden veel burgers gedwongen tot ondertekening van officiele Bosnisch-Servische documenten, waarin zij “vrijwillig” afstand deden aan de Bosnisch- Servische regering van hun rechten op onroerende en persoonlijke bezittingen.
Van juli 1992 tot en met juli 1995 hebben Bosnisch-Servische strijdkrachten in opdracht en onder gezag van Radovan Karadzic en Ratko Mladic wederrechtelijk bijeenkomsten van burgers beschoten, waaronder: een picknick in Sarajevo, het vliegveld van Sarajevo, een speeltuin in Srebrenica, een voetbalwedstrijd in Dobrinja, spelende kinderen in Alipasino Polje en het stadsplein van Tuzla. Islamitische en katholieke gebedsoorden werden systematisch beschadigd en/of vernield. In veel gevallen waarin geen militaire confrontatie plaatsvond of waarin deze was beeindigd, werden eveneens heilige plaatsen beschadigd en/of vernield. In gebieden zoals Banja Luka heeft dit geresulteerd in een bijna volledige verwoesting van genoemde godsdienstige oorden.
Sinds 5 april 1992 wordt de stad Sarajevo door troepen van de Bosnisch-Servische strijdkrachten belegerd. Gedurende dit hele beleg is er sprake geweest van een systematische campagne waarbij burgers opzettelijk onder schot werden genomen door de Bosnisch-Servische soldaten en hun handlangers. De sluipschutterscampagne zaaide terreur onder de burgerbevolking van Sarajevo en heeft geresulteerd in een aanzienlijk aantal dodelijke slachtoffers en gewonden, waaronder vrouwen, kinderen en bejaarden. Radovan Karadzic en Ratko Mladic hebben ieder afzonderlijk en in samenwerking met anderen deze beschieting van burgers beraamd, bevolen, aangemoedigd of daarin anderszins toegestemd, dan wel wisten dat hun ondergeschikten burgers beschoten en lieten na om noodzakelijke en voor de hand liggende maatregelen te nemen om zulke daden te voorkomen of de schuldigen te straffen.’
'TUSSEN 26 MEI 1995 en 2 juni 1995 namen Bosnisch-Servische soldaten in opdracht en onder gezag van Radovan Karadzic en Ratko Mladic 284 VN-vredessoldaten in Pale, Sarajevo, Gorazde en andere plaatsen gevangen en wezen onmiddelijk bepaalde VN-gijzelaars aan voor gebruik als “menselijke schilden”. Hooggeplaatste Bosnisch-Servische politieke delegaties inspecteerden en fotografeerden de VN-gijzelaars die met handboeien waren vastgeketend aan de munitiebunkers in Jahorinski Potok. Inzake de gevangengenomen en gegijzelde VN-vredessoldaten begingen Radovan Karadzic en Ratko Mladic metterdaad en door nalatigheid een ernstig vergrijp als genoemd in Artikel 2(h) van het Tribunaal (het gijzelen van burgers) en een overtreding van het oorlogsrecht of gewoonterecht in oorlogstijd (gijzelneming).’
'DUSKO SIKIRICA alias “Sikira”, Damir Dosen alias “Kajin”, Dragan Fustar alias “Fustar”, Dragan Kulundzija alias “Kole”, Nenad Banovic alias “Bani”, Predrag Banovic alias “Cupo”, Nikica Janjic, Dusan Knezevic alias “Duca”, Dragan Kondic, Goran Lajic, Dragomir Saponja, Nedeljko Timarac en Zoran Zigic alias “Ziga” waren commandanten, bewakers, ondervragers of anderszins verantwoordelijk voor de omstandigheden en mishandeling van gevangenen in het kamp Keraterm. Dusko Sikirica, momenteel woonachtig in Cirkin Polje, voerde het bevel over kamp Keraterm. Vanaf omstreeks 24 mei tot 30 augustus 1992 arresteerden en detineerden Servische troepen wederrechtelijk meer dan drieduizend Bosnische Moslims en Bosnische Kroaten uit het district Prijedor.
De gevangenen in kamp Keraterm werden vermoord, seksueel mishandeld, gemarteld, afgeranseld en anderszins onderworpen aan wrede en onmenselijke behandeling. De overbevolktheid van de ruimten was extreem, zodanig dat de gevangenen vaak niet konden liggen. Voorzieningen ten behoeve van de persoonlijke hygiene waren er nauwelijks. De gevangenen ontvingen eenmaal per dag een hongerrantsoen en kregen amper de tijd om te eten. Honderden gevangenen werden door de bewakers en anderen vermoord. Zware mishandelingen waren aan de orde van de dag. De meest uiteenlopende wapens werden bij deze afranselingen gebruikt, waaronder houten knuppels en metalen staven, honkbal knuppels, dikke stukken industriekabel voorzien van metalen ballen aan de uiteinden, geweerkolven en messen. De lijken van gevangenen werden opgestapeld bij een vuilnisbelt.
Omstreeks 20 juli 1992 werden gevangenen uit een gedeelte van het district Prijedor bekend als “Brdo” overgebracht naar ruimte 3 van Keraterm . Omstreeks 24 juli namen de bewakers en soldaten, onder wie Zoran Zigic, de ruimte met machinegeweren en geweren van zwaar kaliber onder vuur. Dragan Kulundzija, de commandant van de bewakersploeg, Zoran Zigic en kampbewakers en anderen wier identiteit onbekend is, namen deel aan de moord op tenminste 140 mensen uit het gebied van “Brdo”.
Eind juni 1992 dwongen Knezevic, Zigic en anderen Emsud Bahonjic tot mensonterende, vernederende en/of pijnlijke handelingen, zoals liggen in gebroken glas, herhaaldelijk van een vrachtwagen springen en fellatio. Bahonjic overleed aan zijn verwondingen. Omstreeks eind juni 1992 mishandelden Predrag Banovic en anderen tien dagen of langer een man bijgenaamd “Car”. Gedurende die hele periode dwongen Knezevic, Zigic en anderen “Car” tot uiteenlopende vernederende en/of pijnlijke handelingen, zoals hardlopen met een zwaar machinegeweer en fellatio. “Car” overleed aan zijn verwondingen.’
'In 1991 leefden in de gemeente Bosanski Samac op een totale bevolking van drieendertigduizend inwoners, bijna zeventienduizend Bosnische Kroaten en Moslims. In mei 1995 waren er minder dan driehonderd Bosnisch-Kroatische en Moslimse inwoners over. Nadat zij er gewapenderhand hun gezag hadden gevestigd, voerden de Servische autoriteiten een terreurcampagne om de Bosnische Kroaten en Moslims uit het gebied te verdrijven. Slobodan Miljkovic alias “Lugar”, Blagoje Simic, Milan Simic, Miroslav Tadic alias Miro Brko, Stevan Todoric alias “Stiv”, “Stevo” of “Monstrum”, en Simo Zaric alias Solaja arresteerden het merendeel van de Bosnisch-Kroatische en Moslimse mannen, richtten detentiekampen in waar gevangenen werden vermoord, afgeranseld, gemarteld, seksueel en anderszins mishandeld, boden paramilitaire eenheden uit Servie toegang tot de kampen om gevangenen te vermoorden, beroofden Bosnisch-Kroatische en Moslimse inwoners van hun auto’s, geld en waardevolle bezittingen, plunderden hun huizen en schiepen een zodanig klimaat van angst en onderdrukking onder de niet-Servische inwoners dat de meesten het gebied ontvluchtten.
Sedert omstreeks 30 april 1992 vochten Servische troepen uit Bosnie en andere delen van voormalig Joegoslavie om het bezit van de stad Brcko. De Servische troepen verdreven Kroatische en Moslimse inwoners met geweld uit hun huizen en hielden honderden Moslimse en Kroatische mannen en enkele vrouwen onder onmenselijke omstandigheden en onder gewapend toezicht gevangen in het kamp Luka. Goran Jelisic, voorheen werkzaam als reparateur van landbouwmachines, trad op als commandant van kamp Luka en noemde zich de “Servische Adolf”. Ranko Cesic bekleedde een hoge positie in kamp Luka. Van omstreeks 7 mei 1992 tot 21 mei 1992 werden gevangenen in Luka systematisch vermoord. Bijna elke dag selecteerden de verdachten gevangen voor ondervraging, sloegen hen en schoten hen daarna vaak dood. Verdachten schoten de gevangenen doorgaans van kleine afstand in het hoofd of de rug. Vaak dwongen verdachten de gevangenen die geexecuteerd zouden worden om hun hoofd op een metalen rooster te leggen dat uitkwam in de Sava-rivier, zodat er na de executies zo min mogelijk hoefde te worden schoongemaakt.’