Het jongetje dat alles goed moet maken

Philip Snijder, Het geschenk. Atlas Contact, 251 blz., € 18,95

Gevangen tussen ergernis en schaamte bezoekt de hoofdpersoon in de nieuwe roman van Philip Snijder samen met zijn moeder de Valeriuskliniek in Amsterdam, waar zijn vader is opgenomen. Deze lijdt aan een hersentumor, en geregeld moet het vocht dat zich in zijn hoofd verzamelt worden afgetapt. Ziek, hulpeloos en ongearticuleerd als de ouders zijn, wordt het ál lastiger hun te blijven verwijten dat ze hem een rottige, angstige jeugd hebben bezorgd, getekend door echtelijke ruzies. Milder gestemd belooft hij zijn vader, die zelf meer dan dertig jaar gebrouilleerd was met diens eigen vader, naar Groningen af te reizen om zijn tot dan toe voor hem onbekende grootvader op te zoeken.

Het geschenk doet zich in eerste instantie voor als oer-Hollands, kalm realistisch drama op de vierkante millimeter. Snijder toonde zich eerder bedreven in dit genre met zijn beide vorige romans, Zondagsgeld en Retour Palermo. De drie romans overlappen elkaar zodanig dat het niet heel gewaagd is om te stellen dat de auteur zijn eigen familiegeschiedenis en zijn jeugd op het Amsterdamse Bickerseiland boekstaaft, of romantiseert. Hij hanteert daartoe een adequate schrijfstijl: precies en helder, weinig lyrisch, nergens schiet hij uit de bocht. Het gevolg daarvan is echter ook dat het allemaal wat alledaags blijft, zowel het vertelde verhaal als het stramien waarin hij zijn verhaal giet.

De toonzetting van de proloog is veelbelovend: uit alle macht denkt de verteller terug aan zijn recentelijke verovering van Ria Koch om geestelijk maar op afstand van zijn ouders te kunnen blijven, daarbij steeds meer gehinderd door een geluid dat zich uiteindelijk niet meer laat wegdrukken. De monologue interieur is grappig en pijnlijk tegelijkertijd, en zeer trefzeker geschreven. Het geschenk belooft een studie in schaamte te worden.

Met terugwerkende kracht blijkt dit echter het sterkste deel van de roman. Als het eenmaal zes jaar later is, en de verteller herinneringen gaat ophalen aan zijn vader en diens leven in kaart probeert te brengen met behulp van de anekdotes die hij keer op keer te horen heeft gekregen, gaat de boel kabbelen en trekken, en wordt het boek ernstig langdradig. Dat heeft te maken met het gegeven op zich, de gang van de kliniek naar het verleden en weer terug, en met de neiging van de schrijver iedere gedachte, kriebel, ergernis en overweging van zijn hoofdpersonage volledig uit te schrijven in bloedeloze passages als de volgende:

‘In de jaren na het eindexamen was mijn leven – ik zag het gelaten onder ogen terwijl ik een stuk frikandel wegkauwde – van lieverlede een systematisch ontwijken van ongemakkelijke situaties geworden. Eigenlijk was die fletse strategie inmiddels de enige echte drijvende kracht achter mijn bestaan. Niet de vraag: Hoe kom ik er? gaf richting aan mijn daden, maar: Hoe kom ik er weg? of: Hoe kom ik eromheen? Het ongetwijfeld loodzware bezoek aan die Groningse grootvader in het bejaardenhuis, het gevecht tegen mijn laaiende tegenzin dat ik daarvoor zou moeten aangaan: hoe kon iemand als ik, die ongeveer even krachtig in het leven stond als de lellen patat tussen mijn vingers, zichzelf daartoe brengen?’ Het knagende schuldgevoel van de verteller en zijn besef van mislukking worden zo vaak met zoveel woorden benoemd dat je er als lezer murw van wordt. Alsof de schrijver zelf ook begon te denken dat zijn verhaal misschien wel erg vlak dreigde te worden, tapt hij halverwege de roman opeens uit een minder realistisch ­vaatje. Een nieuwe vertelstem wordt ingelast, te herkennen aan een iets kleiner lettertype. Het is de stem van de grootvader. Lijkt het aanvankelijk bij een enkel droomvisioen te blijven, de stem wordt allengs pregnanter en dan begint het te dagen: in deze losstaande stukjes creëert de verteller een beeld van de grootvader, waaruit moet blijken hoeveel deze eigenlijk van zijn zoon hield met wie hij zo ernstig gebrouilleerd zou raken. Deze reconstructie, die de verteller/kleinzoon waarschijnlijk nergens anders op baseert dan eigen fantasie, moet het geschenk aan zijn vader worden, in plaats van een bij voorbaat onmachtig bezoekje in het verzorgingstehuis. Op zich een mooi idee, van het jongetje dat alles goed moet maken, desnoods met zijn schrijversfantasie.

De ingelaste geschiedenis geeft deze roman echter een literair Droste-effect dat om twee redenen goedkoop uitpakt en zelfs kitscherig. Allereerst de manier waarop: in kleine porties en in alternerende passages wordt naar een ontknoping toe geschreven. Het is in deze tot dan toe tamme roman een opzichtig trucje om spanning in het verhaal te brengen, zoals ook tweederangs thrillerschrijvers dat doen. Ten tweede het verhaaltje, dat teruggrijpt op een Gronings onderduikdrama tijdens de Tweede Wereldoorlog, met smerige nsb’ers en een zielig joods jongetje. In te veel middelmatige Nederlandse romans wordt de bezetting en aanverwant leed als paardenmiddel ingezet om instant drama en diepzinnigheid te bewerkstelligen. Het is lekker spannend geschreven, daar niet van, maar au fond toont de schrijver hiermee zijn onmacht om een roman te schrijven die genoeg heeft aan zichzelf.