Het joodse blaadje

Tamarah Benima’s vertrek als hoofdredacteur van het Nieuw Israelietisch Weekblad zorgt voor heel wat commotie binnen de joodse gemeenschap. Velen hebben niets liever dan dat zij met haar ‘supermarktjodendom’ opstapt. Waarom wordt er dan toch niet opgelucht ademgehaald?
EIND MAART, laat op de avond. In de riante bungalow van Mark Ejlenberg in Amsterdam Buitenveldert brandt nog licht. De oprijlaan staat volgeparkeerd. Door de halfgeopende lamellen is een klein maar heftig discussiërend gezelschap te ontwaren. Ejlenberg is voorzitter van de Stichting Nieuw Israelietisch Weekblad. Vanavond heeft hij het voltallige bestuur bij hem thuis ontboden. Aanleiding is het plotseling aangekondigde vertrek van Tamarah Benima, de hoofdredactrice van het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW). Benima zelf is ook van de partij. Secretaris Jetty van Gelder-Pinto vindt dat Tamarah haar besluit nog eens moet heroverwegen. De toon is smekend. Ejlenberg oppert een sabbatical year. Kan ze eens even lekker op vakantie gaan, niet naar Israel maar naar Tenerife of zo. Bestuurslid Carel Davidson suggereert de aanstelling van een adjunct. Dat zou haar ontzettend veel werk uit handen nemen. Benima blijft resoluut het hoofd schudden. Aan haar voornemen valt niet te tornen. Bestuurslid Max van Weezel stelt nog voor haar dan op z'n minst in de WAO te doen. Opnieuw weigert Benima. ‘Geen misbruik van sociale voorzieningen’, zegt ze beslist.

Dat het bestuur zoveel moeite doet om Benima te overreden is niet omdat het bijzonder aan haar gehecht is. Eerder het tegendeel is het geval. De meeste bestuursleden hebben al jarenlang niets liever dan dat zij haar biezen pakt. Om erachter te komen waarom deze bestuursleden, nu Benima uit eigen beweging opstapt, niet opgelucht ademhalen moeten we terug naar 11 tewet 5758, 9 januari ‘98 om precies te zijn. Het NIW-hoofdcommentaar is die week anders dan gewoon. Langer en prominenter afgedrukt. Benima is boos en heeft zichzelf flink wat ruimte gegund. Het commentaar handelt over de verdeling van het zogenaamde goudgeld, dat eindelijk door de Zwitserse banken als genoegdoening is uitgekeerd aan joodse gemeenschappen over de hele wereld. 'Het goud dat de Duitse bezetter stal uit de Nederlandse Bank is vermengd met de inlays en kronen van joden die zijn vermoord in de vernietigingskampen en met gouden spullen waarvan zij en andere joden zijn beroofd. Daarom krijgen we het terug’, schrijft ze. De Nederlandse joden is negentien miljoen gulden toegezegd en al een hele tijd woedt de discussie hoe dat bedrag het best te verdelen valt. De gemeenschap mag daarover zelf beslissen. Vele adviescommissies later komen de joodse notabelen die in al die commissies zitting hebben, tot de slotsom dat het beter is het geld niet uit te betalen aan individuele nabestaanden maar aan organisaties die de gehele joodse gemeenschap ten bate komen. De Nederlandse joden, zo is de redenering van de commissie-Van Kemenade die advies uitbrengt aan de minister, zijn meer gebaat bij een extra suppoost voor het Joods Historisch Museum dan dat enkele achternichtjes een keertje op wintersport kunnen. IN DE COMMISSIE-Van Kemenade zit ook Joop Krant. Krant is op dat moment tevens bestuurslid van het NIW. Net als andere joodse organisaties mag dat zich na het doorslaggevende advies van Van Kemenade verheugen op een fikse toelage. Hoewel haar eigen blaadje er dus de vruchten van zou gaan plukken, vaart Benima in haar commentaar uit tegen de 'bobo’s’ die met dubbele petten op 'hebben beslist’. Het Centraal Joods Overleg (CJO), dat speciaal voor de geldverdeling is opgericht en waarbij enkele bestuursleden nauw zijn betrokken, wordt door Benima vergeleken met de Joodsche Raad in de Tweede Wereldoorlog. 'De CJO moet oppassen niet als de Quislings van de joodse gemeenschap in de jaren negentig de geschiedenis in te gaan’, schrijft ze. De bestuursleden, met name Krant, ontploffen van woede als ze het commentaar lezen. Liefst meteen zeggen ze het vertrouwen in Benima op. Bestuurslid Max van Weezel steekt daar een stokje voor. Net als de rest vindt Van Weezel het niet aardig wat Benima heeft geschreven, maar - zo maakt hij de anderen duidelijk - er is wel zoiets als persvrijheid en redactionele onafhankelijkheid. Als je als bestuur vanwege een commentaar de hoofdredacteur loost, sla je een modderfiguur. Bestuurslid Joop Krant is niet te vermurwen. Op de inderhaast belegde crisisvergadering haalt hij de NIW-statuten uit 1865, het oprichtingsjaar, te voorschijn. Daaruit blijkt dat het blad een spreekbuis van de joodse gemeenschap behoort te zijn en geen onafhankelijk journalistiek orgaan. Als blijkt dat de anderen zich bij de sussende Van Weezel aansluiten stapt Krant woedend uit het bestuur. De verhoudingen zijn grondig verstoord. De reden waarom het bestuur, ruim twee jaar later in de Buitenveldertse bungalow, toch alle moeite doet Benima binnenboord te houden is omdat minister Borst net met de verdeling van het goudgeld naar buiten is gekomen. Het NIW krijgt 800.000 gulden op de giro bijgeschreven. Als Benima nu opstapt, lijkt het of zij dat doet uit onvrede met die toelage, waar zij zich in haar commentaar zo grondig tegen heeft verzet. Hoewel daar geen sprake van is - Benima heeft zelf het aanvraagformulier ingevuld en naar het ministerie gebracht - is het bestuur bang opnieuw in opspraak te komen. Te meer daar de toenmalige voorzitter Carel Davidson in een adviescollege zitting heeft genomen, ditmaal die van Dolman, die bepaalt welke joodse instanties hoeveel krijgen. Hoewel Davidson, alvorens toe te treden de voorzittershamer aan Ejlenberg had overhandigd, is hij nog altijd bestuurslid en heeft hij de schijn tegen zich. Dat het opgestapte bestuurslid Krant in de hoofdcommentaar-affaire de vergeelde statuten er bij had gepakt om zijn argumentatie kracht bij te zetten was helemaal zo gek niet. De geschiedenis laat zien dat journalistieke onafhankelijkheid bij het NIW nooit echt een vanzelfsprekendheid is geweest. In de vooroorlogse periode (1865-1940) was het NIW in handen van het joodse establishment en had het niet meer dan een clubbladfunctie. Puur en alleen zaken die de orthodoxie welgevallig waren, waren de moeite van het afdrukken waard. Het NIW van voor de oorlog stond bekend als 'het krantje van Elte’. Philip Elte (1844-1918) heeft bijna een halve eeuw aan het hoofdredactionele roer gestaan. Elte was een orthodoxe jood die het zionisme en liberalisme zo hardvochtig mogelijk bestreed, onder meer door plaatsing van eigenhandig geschreven ingezonden brieven. In zijn 'programma’, afgedrukt in het boek dat Isaac Lipschits ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het NIW publiceerde, schreef Elte: 'Aan de ons eenmaal aangenomen beginselen evenwel zullen wij onveranderd getrouw blijven, daarvan hopen wij in geen geval af te wijken. Die beginselen zijn: de behartiging der waarachtige belangen van het traditionele Jodendom.’ MET ZO'N UITGANGSPUNT een journalistiek volwaardig product uitbrengen is een onmogelijkheid waar zeker in die tijd helemaal geen noodzaak toe was. Voor de oorlog leefden er meer dan 100.000 joden in Nederland. Het NIW was niet het enige blad met wortels in de joodse gemeenschap: elke stroming had een eigen spreekbuis. Toen na de verschrikkingen van '40-'45 de gemeenschap tot zo'n 30.000 gedecimeerd was, viel er echter niet meer dan één blad te verkopen. Het NIW werd monopolist. De verschillende stromingen bestonden in alle heftigheid voort. Orthodox - verreweg de grootste groep - en liberaal - tweede in aantal - vlogen elkaar bij voortduring in de haren. 'Liberaal en orthodox bestrijden elkaar feller dan ze als collectief ooit door de nazi’s bestreden zijn’, zegt Hans Knoop, die van '68 tot '72 leiding aan het NIW gaf. Knoop had gedacht dat een meer journalistieke aanpak het NIW en de gemeenschap uiteindelijk ten goede zou komen. Knoop: 'Dreigtelefoontjes van lezers, geestelijken en organisaties had ik ingecalculeerd. Meer verbaasde me de tegenwerking vanuit het bestuur. Iedere maandag was het raak. Bestuurslid M.(M. Poppers aan de lijn. Hij was in de orthodoxe sjoel geweest en had de mening over het NIW van die week gepeild. Het was nooit goed. Er was altijd wel iemand van wie ik de sjabbat verpest had. Poppers besloot zijn mededeling altijd met: ik geef u dit maar door, of u er iets mee doet is uw eigen zaak.’ In de synagoge werd het 'nieuwe, journalistieke’ NIW grondig geëvalueerd. Knoop: 'Ik had een keer een stuk geschreven op basis van een rapport waarin de militaire krachtsverhouding tussen Israel en de buurstaten werd weergegeven. Uit het rapport bleek dat Israel er militair gezien belabberd voorstond. “Verschillende geluiden bereikten ons waaruit blijkt dat u op de verkeerde weg bent”, werd mij toen door het bestuur toegevoegd.’ Op bestuursvergaderingen, zegt Knoop, werden dozen vol brieven op tafel gegooid. Knoop: 'De druk was onaanvaardbaar. Na een paar jaar ben ik er gillend vandaan gegaan.’ Tot genoegen van Knoop heeft Mau Kopuit, zijn 'dappere’ opvolger, het journalistieke element erin weten te houden. Maar hoe journalistiek kan dat element zijn? Op een gemeenschap van dertigduizend bestaat het gevaar dat nieuwswaardige gebeurtenissen zich op zeker moment niet wekelijks meer voordoen. Onder Kopuit was het dan ook vooral: 'Rabbijn verkracht bat mitswa-meisje.’ Of: 'Penningmeester Deventerse gemeente met kas ervandoor.’ Dat het peil van het door Knoop ingebrachte journalistieke element zakte en zakte, kwam misschien ook door de onderbetaalde half- of niet-joodse meisjes die Kopuit bij wijze van redactie om zich heen verzamelde. Toen Kopuit in '92 overleed aan de gevolgen van een hartstilstand stond in zijn testament dat een van die meisjes, Tamarah Benima, het over moest nemen. Benima: 'Ik had het er met Mau al veel over gehad, ik wist dat ik het moest doen. Het moment was wel ongelukkig. Ik was bezig in Engeland een opleiding te volgen waarmee ik rabbijn zou kunnen worden. Ik wilde toen dolgraag de eerste vrouwelijke rabbijn van Nederland worden.’ HAD DE JOODSE gemeenschap net de journalistieke aanpak leren begrijpen, Benima zette een heel nieuw experiment in gang. Omdat ze zowel lid van de liberale als van de orthodoxe sjoel was, beleed ze, zoals ze het in interviews zelf noemde, een soort 'supermarktjodendom’. Dat wilde ze ook door laten klinken in haar redactionele aanpak. Benima: 'Het NIW moest vooral toegankelijker worden. Ook meer cultuur, en jongeren erin. Mijn plan was, en dat heb ik ook uitgevoerd, het blad breder te maken. Meer mensen van buiten erin.’ Net als Knoop was Benima er heilig van overtuigd dat frisse vernieuwing uiteindelijk in het belang van de gemeenschap zelf zou zijn. NIW-columnist en rabbijn Lody B. van de Kamp: 'Ik ben onder het bewind van Tamarah louter gebleven omdat ik wilde dat de traditionele mensen nog een stem zouden hebben. Toen ik hoorde dat Tamarah wegging, nam ik dat voor kennisgeving aan. Ik hoop dat er nu een nieuwe periode aanbreekt. Ik ben niet zo gelukkig met de moderne trend die Benima heeft aangebracht. Waarom moet er over paddo’s, seks en Harley Davidsons in het NIW worden geschreven? Wat mij betreft was het NIW het krantje van de joodse gemeenschap gebleven. Het behoort spreekbuis te zijn van de joodse gemeenschap en die heeft geen behoefte aan dit soort thematiek.’ Benima: 'Ik wist dat ik mijn rug recht zou moeten houden. Het was lastig. Mijn moeder belde mij regelmatig op. Was ze in de sjoel weer aangesproken door verontwaardigde lezers.’ Gerry Mok: 'Ik schrijf al dertig jaar wekelijks een column voor het blaadje. Benima heeft het een levendig stempel willen geven. Ik weet niet of dat nodig was. Wat zeker niet nodig was zijn die rare interviews die ze heeft gegeven. Haar uitspraken in de NRC tegenover Frènk van der Linden zijn om te janken. Ze vertelde dat ze een soefi-leermeester heeft gehad, dat ze abortus heeft gepleegd en dat ze niet kosjer eet. Daarmee heeft ze de gemeenschap van zichzelf en het NIW vervreemd. Ze zei in dat interview ook dat ze de orthodoxie intellectueel ondermaats vindt en dat ze het liberalisme hol en materialistisch vindt. Dan heb je negentig procent van je lezers geschoffeerd, handig. Onverstandig was ook Tineke Bennema als columnist toe te laten. Bennema is getrouwd met een Palestijnse arts, dat is de doorsnee NIW-lezer een brug te ver.’ Benima: 'De gemeenschap is gewoon te klein. Wat je ook schrijft, je trapt altijd wel iemand op z'n tenen.’ SCHRIJFSTER Lisette Lewin: 'Als je het NIW van Benima leest, krijg je de indruk dat intelligente joden zijn uitgestorven. Zij heeft er de joodse Donald Duck van gemaakt. Toen Benima kwam heb ik een abonnement genomen. Ik had best bewondering voor wat ze probeerde. In het begin leek het leuk, veel minder Israel en zwaarwichtige joodse kwesties. Maar Benima sloeg door. Dieptepunt was wel een interview met een joodse gigolo. Tamarah heeft mij ooit een vuile streek geflikt. Ik nam haar in vertrouwen op een congres in Wenen. Wat ik haar daar in vertrouwen heb verteld, heeft ze misbruikt in de bespreking van mijn boek Vorig jaar in Jeruzalem. Tamarah schreef dat het een grote mislukking was. Ze somde volkomen onbelangrijke foutjes op, hebreeuwse verschrijvingen en zo. Ze kondigde het groot aan op de voorpagina en had een stapel bij Athenaeum neergelegd. Wat een rotstreek. Normaal heeft het NIW geen invloed maar met een boek van mij wil wel heel Nederland weten wat het NIW ervan vindt. Als de joden zelf het al niks vinden, denkt men, ga ik dat dikke boek niet lezen. Sinds die recensie heb ik geen woord met Benima gewisseld.’ Benima: 'Ik had het gehad met het NIW. Op een ochtend word je wakker en dan blijkt je geliefde niet meer te zijn wat hij ooit voor je betekende. Ik maak er dan ogenblikkelijk een einde aan.’ Cineast Willy Lindwer: 'Het bestuur had die vrouw niet zelf ontslag moeten laten nemen. Al veel eerder had ze op non-actief gesteld moeten worden. Journalistieke vrijheid? Me kont. Het NIW heeft ook een maatschappelijke functie. Mij heeft ze te pakken gehad toen mijn vereniging een paar siertorens van de synagoge in de Gerard Doustraat verkocht om met het geld het gebouw op te lappen. We zouden niet iedereen hierover geraadpleegd hebben. Voor het NIW is zoiets wereldnieuws, groot op de cover stond het. Ik zit vrijwillig als voorzitter in die vereniging. Dag en nacht heb ik mij ingezet. Ineens word je door die duivelse Benima gelyncht. Ik ben een gerespecteerd documentairemaker, heb een Emmy en een Gouden Kalf gewonnen. Dan ineens zoiets. Het komt allemaal omdat er in een kleine gemeenschap weinig echt nieuws is om over te schrijven. Voor Benima is dat een goed excuus geweest om zich volledig te richten op onbenulligheden. Het is vooral aan Benima’s NIW te danken dat er in de joodse gemeenschap zoveel onderlinge haat bestaat.’ Benima: 'Er wordt momenteel druk vergaderd over mijn definitieve opvolger. Het is zoeken naar een schaap met vijf poten.’