Het joodse blaadje (1)

De afscheidsreceptie voor Tamarah Benima als hoofdredacteur van het Nieuw Israelietisch Weekblad op zondagmiddag 4 juli werd bezocht door enkele honderden personen - overigens alleen genodigden - die aldus blijk wilden geven van hun waardering voor de noeste arbeid die zij gedurende zeveneneenhalf jaar voor het NIW heeft verricht.

Onder de aanwezigen bevonden zich de meeste leden van het Stichtingsbestuur, leden en oud-leden van de redactie, medewerkers en oud-medewerkers, bestuursleden van vele joodse organisaties en verenigingen enzovoort. Het meer officiële gedeelte van de bijeenkomst werd geleid door de journalist Max van Weezel, lid van het Stichtingsbestuur. De eerste spreker was Mark Ejlenberg, de huidige voorzitter van dit Stichtingsbestuur. Hij werd gevolgd door een redactielid dat gedurende al die zeveneneenhalf jaar op zeer prettige wijze met Tamarah had samengewerkt. De aanwezigen ontvingen tevens een speciaal nummer van het NIW van acht pagina’s waarin een groot aantal personen die tijdens die jaren met Tamarah in aanraking waren gekomen, herinneringen ophaalden aan deze samenwerking. Helaas is deze speciale krant niet aan alle abonnees gestuurd en was zij evenmin in de reguliere verkoop verkrijgbaar. Zeer groot was mijn verbazing derhalve toen ik in De Groene van 21 juli een uiterst negatief artikel (‘Het joodse blaadje’) over Tamarah las, van de hand van redacteur Joris van Casteren, die, voor zover mij bekend, nimmer tevoren enige bemoeienis met het NIW had. Hij citeert in zijn artikel onder meer enkele personen die een uiterst negatief oordeel over Tamarah geven. Hiertoe behoren Hans Knoop en Gerrie Mok, van wie de eerste regelmatig en de tweede elke week een commentaar in het NIW schrijft, dus met toestemming van Tamarah. En dit hoewel velen - overigens niet ik - bezwaar hebben tegen de opvattingen van Mok. Ook tegen de commentaren van Hans Knoop, in en buiten het NIW, kan men ernstige bezwaren hebben. Niettemin worden beiden steeds door Tamarah gehandhaafd. Lisette Lewin is boos over Tamarah’s recensie van haar boek over Israel. Wat dat aangaat: dit boek vertoont inderdaad vele gebreken. Dat ikzelf destijds geen recensie heb geschreven (dus noch een positieve noch een negatieve) is omdat ik niet onaangenaam wilde zijn tegenover Lisette. Maar voor de hoofdredactrice van het NIW gelden andere overwegingen. Wat de opvatting van Tamarah over de verdeling van het zgn. nazi-goud betreft: deze verdeling is een zeer ingewikkelde kwestie, waarover veel misverstand bestaat. Overigens is het Centraal Joods overleg (CJO) niet opgericht voor de verdeling van deze gelden, maar al een jaar eerder, toen er van de verdeling nog geen sprake was. Verder was weliswaar Philip Elte circa veertig jaar lang, tot 1918, hoofdredacteur, maar hij werd tot 1939 opgevolgd door L.D. Staal, die niet minder behoudend was. Verder maakte - volgens mij overigens ten onrechte - niet alleen Tamarah bezwaar tegen de beslissing de verdeling van het nazi-goud mede over te dragen aan personen die lid zijn van joodse organisaties waaraan dit geld nu ten goede komt, in plaats van aan joodse individuen. Ook Hans Knoop deed dit in een recent artikel in NRC Handelsblad, alsmede enkele anderen in nummers van het NIW die zijn verschenen na het aftreden van Tamarah. Ook is het onzin om te beweren dat het vooral aan haar NIW te danken (wijten) is dat er in de joodse gemeenschap (in Nederland) zoveel onderlinge haat bestaat. Men kan de 'klokkenluider’, om een moderne term te gebruiken, niet verwijten dat hij de klok luidt over onplezierige gebeurtenissen. Overigens was Tamarah juist nooit op het sensationele gericht, veel minder dan haar voorgangers. Ten slotte: uit de eerste alinea’s van het artikel in De Groene blijkt dat het bestuur van de Stichting NIW tevergeefs grote moeite heeft gedaan om Tamarah van haar besluit om af te treden af te brengen. Hoe Van Casteren meent te weten dat 'de meeste bestuursleden al jarenlang niets liever willen dan dat zij haar biezen pakt’ is mij dan ook een raadsel. In elk geval: velen zullen grote waardering hebben voor Tamarah’s inzet gedurende zeveneneenhalf jaar voor het NIW. Voor haar zijn dit ware tropenjaren geweest en na afloop daarvan gunt men haar nu een rustiger bestaan. Misschien dat zij, evenals Martin van Amerongen bij De Groene, toch nog eens op haar oude stek terugkeert.