De onserieuze taakopvatting van Fleur Jurgens

Het journalistendrama

De reacties die Het Marokkanendrama van journaliste Fleur Jurgens uitlokte, gaan bijna nooit over het boek zelf. Hoewel er veel op het spel staat: de werkwijze van Jurgens schaadt namelijk de geloofwaardigheid van ‘onderzoeksjournalistiek’.

In opdracht van het onafhankelijk onderzoeksprogramma van de Politieacademie stelde Fleur Jurgens zich de onderzoeksvraag ‘in hoeverre de thuismilieus’ van Marokkaanse probleemjongeren ‘bijdragen aan hun neiging te mislukken in de Nederlandse samenleving’. Bij de beantwoording van deze relevante vraag blijkt Jurgens niet te zijn doorgedrongen tot ook maar één zo’n thuismilieu. De rotzakjes zelf kreeg ze zelfs ‘überhaupt niet te spreken’. Ze maakt het goed door maar liefst 66 deskundigen te spreken. Sterker, ‘meer dan 66’. Hoewel de lezer zich direct afvraagt hoeveel dat er zijn (honderddertig of 66,5?) maakt het niet veel uit, want Jurgens heeft uit die deskundigen enkele lievelingskenners gekozen. Een wijkagent, een kinder- en jeugdpsychiater – die hoopt op een diepgravend onderzoek naar de genetische aanleg van Marokkaanse jongens om in de criminaliteit te belanden – en schrijver Hans Werdmöller, die een paar jaar terug al het boek Marokkaanse lieverdjes schreef en zich in de Volkskrant teleurgesteld uitliet over Jurgens’ boek.

Die gesprekken met experts hebben geleid tot enkele belangwekkende observaties. Zo blijkt het justitieapparaat zo traag te werken dat het verband tussen delict en straf helemaal zoek is. Daardoor denken Marokkaanse ouders dat de Nederlandse politie hun zonen naar willekeur oppakt en vrijlaat. Ook geeft Jurgens concrete cijfers en is ze altijd duidelijk over de herkomst daarvan. Om een interessant cijfer te noemen: van de tweede-generatie-immigranten haalden vorig jaar meer vrouwen (74 procent) dan mannen (53 procent) een partner uit Marokko.

Voor het overige schotelt Jurgens alle bekende verhalen voor: van hoofddoekjes en maagdenvlieshersteloperaties tot spookvaders met kapotte ruggen en machteloze analfabete vrouwen. Als lezer valt het daarbij vooral op dat je in deze tijden geen ‘professional’ of ‘deskundige’ hoeft te zijn om de ins en outs van het probleem met een groep doelloos rondhangende en stelende Marokkanen te kennen. Iedereen die de filmkomedie Shouf shouf habibi! heeft gezien – geen grap – zal in Het Marokkanendrama niets nieuws lezen. Ik moet toegeven dat de achterflap al waarschuwde dat het hier om non-fictie voor lezers gaat die graag voortdurend dezelfde onrusttijdingen lezen. ‘In de grote steden spreken beleidsmakers al van het “Marokkanenprobleem”.’

Al? Je moet je hoofd de afgelopen jaren wel in het zand hebben gestoken om niet te weten dat beleidsmakers sinds jaren een dergelijk probleem waarnemen. Het is niet nieuw, en het probleem neemt ook niet toe, zoals Joost Zwagerman vorige week nog in NRC Handelsblad beweerde. Weliswaar heeft Zwagerman volgens de politie ongelijk, zijn perceptie van een hand over hand toenemend probleem maakt het onmogelijk te ontkennen dat Nederland kampt met een Marokkanenprobleem.

Maar erger dan het gebrek aan nieuwe inzichten zijn de tegenstrijdigheden in Het Marokkanendrama. Opvallend genoeg is daar vooralsnog niets over gezegd. Alsof niemand die zich in de dagen na verschijning over het boekje opwond de moeite had genomen het ook daadwerkelijk te lezen. Nog maar eens Zwagerman in NRC Handelsblad. Hij schrijft: ‘Toch stond de linksistische Keuringsdienst van waren onmiddellijk op de achterste benen vanwege haar boek.’ Ook hekelt Zwagerman – het begint bijna ouderwets te klinken – de ‘dat-mag-je-niet-zeggen-brigade’ vanwege de kritiek op de titel en op Jurgens’ vermeende zucht tot generaliseren: ‘Je hoeft maar een klein deel van het boek te zien om direct te zien dat Jurgens nergens generaliseert.’

Jurgens generaliseert inderdaad niet. En ook over zo’n titel moet je niet zeuren. Tegelijk is duidelijk dat Zwagerman zelf ook niet meer dan een ‘klein deel van het boek’ heeft gezien. Anders had de schrijver wel tot tien geteld alvorens hij een standaardriedel over ‘oud links’ en politieke correctheid had afgestoken.

Neem die tegenstrijdigheden in het boek. Zo beweert Jurgens dat het de schuld van de islam is dat vrouwen in Marokkaanse gezinnen klein worden gehouden, vooral in Nederland. Maar nog geen bladzijde later weten Marokkaanse mannen in Nederland, zo schrijft Jurgens, helemaal niet wat de islam inhoudt en leven ze er geenszins naar. Nog een? Jurgens laat met cijfers zien dat de oorspronkelijke gastarbeiders (zij die voor 1973 naar Nederland kwamen) wel degelijk zijn teruggekeerd naar Marokko. Tegelijk beweert ze met enig aplomb dat het een illusie is te denken dat Marokkanen ooit terugkeren naar hun land. Nog weer enkele bladzijden later citeert ze een jonge vrouw – Marokkaanse vrouwen heeft ze wel gesproken voor haar boek over Marokkaanse mannen – die beweert dat het leven in Marokko zoveel prettiger is dan in Nederland.

En nog een. Jurgens schetst in een gruwelijke anekdote hoe moeilijk, zo niet onmogelijk het is voor een Marokkaanse vrouw om haar man het huis uit te krijgen. De hele buurt spant samen tegen zo’n vrouw. Een paar bladzijden later schrijft ze dat het aantal eenoudergezinnen juist onder Marokkanen enorm hoog is, wat natuurlijk niet bevorderlijk is, suggereert ze, voor het maatschappelijk welslagen van de knulletjes.

In één hoofdstuk is de islam schuldig aan het drama. Het woord is dan aan deskundige Ayaan Hirsi Ali. Daarna mogen culturele factoren niet worden aangewezen ter verklaring van criminineel gedrag. Criminaliteit is volgens Jurgens namelijk ‘in sommige gevallen een bewuste en lucratieve keuze’. Dat is waarschijnlijk juist – en overigens niet zo’n baanbrekende gedachte als ze zelf denkt. Maar waarom dit in mindere mate geldt voor autochtone jongens dan voor Marokkaanse – Jurgens’ oorspronkelijke onderzoeksvraag – blijft onduidelijk. De Marokkaanse boefjes ‘weten haarfijn de Nederlandse tolerantie in hun voordeel aan te wenden’.

Ergo: Nederland is te tolerant en lijdt aan te veel ‘ontfermzucht’, zoals Jurgens dat noemt. Tegelijk zijn de Marokkaanse gezinnen te autoritair en ouderwets. Sommige van die gezinnen krijgen, schrijft ze, te veel zachte heelmeesters over de vloer. Andere hebben, o schande, ‘nog nooit een hulpverlener aan de deur gehad’.

Het is niet goed of het deugt niet. In hetzelfde hoofdstuk komt ze zelfs tot de opmerking dat de nieuwe (sic) Marokkaanse onderklasse ‘in omvang vele malen groter is’ dan ‘de arbeidskinderen van weleer’. Hallo? Die minder dan tweehonderdduizend Marokkanen zijn in aantal groter dan de arbeiders uit de jaren twintig?

Eigenlijk is het bizar dat een dergelijke opmerking in druk verschijnt. Met dank aan uitgeverij Meulenhoff en de collectieve middelen van de Politieacademie. Toch is het niets in vergelijking met de fundamentele tegenstrijdigheid in het boek. Volgens de proloog is het prachtig dat professionals ‘in de praktijk al lang rekening houden met de culturele achtergrond van hun cliëntjes’, terwijl Marokkanen in de epiloog juist op hun eigen verantwoordelijkheid moeten worden aangesproken. Geen smoesjes meer. ‘Het is tijd de fluwelen handschoentjes uit te trekken.’ En eigenlijk is het ‘simpel’, schrijft ze in de allerlaatste regel van het boek, gewoon ‘op het juiste moment de juiste keuze maken’.

Het is de lezer in de epiloog al lang duidelijk dat de auteur alleen op zoek was naar brisante quotes die, hoe tegenstrijdig ook, in haar ogen de conclusie rechtvaardigen dat Nederland tot op de dag van vandaag te soft is geweest voor de Marokkaanse lastpakken, dat hulpverleners moeten ophouden zich blind te staren op de culturele achtergronden van hun cliënten en gewoon moeten streven naar een lik-op-stuk-beleid. De problemen liggen namelijk aan de Marokkanen zelf, niet aan hun maatschappelijke omstandigheden.

Dat is een opvatting waar vast veel waarheid in schuilt en die ze zelf al vaker propageerde in HP/De Tijd. Maar daarvoor zijn die tegenstrijdigheden niet nodig, noch de ex-leraar die, ‘terwijl hij in zijn koffie roert’, beweert dat er op zijn school, het Calvijn met Junior College in Amsterdam Slotervaart, wel Suikerfeest wordt gevierd maar geen Kerstmis. Valt dan niemand over zo’n opmerking? Alsof kinderen met kerst gewoon naar school gaan. Nergens geeft Jurgens er blijk van te beseffen dat de leraar uit zijn nek kletst, integendeel, de man is voor haar een van de belangrijkste van de ‘meer dan 66’ deskundigen.

Dit is geen boekbespreking. Want er staat meer op het spel nu journalisten onderzoekjes verrichten, zelfs met overheidsgeld, in een poging hun vooropgezette mening bevestigd te zien. Het Marokkanendrama is exemplarisch voor een ontwikkeling waarbij, niet ongewoon, de wind van west naar oost waait. In de Verenigde Staten werd het de afgelopen twee decennia gewoon dat openlijk partijdige onderzoeksbureaus en denktanks met onderzoeksrapporten op de proppen komen die het eigen gelijk een wetenschappelijke aura verlenen.

Het neoconservatieve American Enterprise Institute komt bijvoorbeeld met ‘bewijzen’ dat uitkeringen slechts meer armoede uitlokken. Het linkse Center for American Progress ‘bewijst’ op zijn beurt dat vrij wapenbezit tot meer moorden leidt en dat de Amerikaanse overheid een ziekteverzekering voor iedereen kan garanderen.

Het gevolg van de openlijk vooringenomen onderzoekers – net als Jurgens vaak journalisten – is dat niemand zich meer laat overtuigen. In de VS verloren de media hierdoor in rap tempo hun positie van gebrekkige scheidsrechter met goede intenties. Uit onderzoek blijkt dat inmiddels een grote meerderheid van op de Democraten stemmende Amerikanen ervan overtuigd is dat ‘de media’ rechts zijn, terwijl het overgrote deel van Republikeins stemmende Amerikanen zeker weet dat ‘de media’ links zijn.

Fleur Jurgens is dus een pionier in Nederland. Niet alleen dit boek, ook haar werk in de afgelopen jaren als redactrice van HP/De Tijd draait niet om geloofwaardigheid, maar om de bevestiging van een meestal modieus gelijk. Daarbij dondert het niet hoe openlijk de onwaarachtigheid is. Zelfs in de week dat haar boek verscheen was het raak. In het coverartikel van HP/De Tijd schreef ze het artikel Ik ben een burgertrut. Daarin dicht ze zichzelf frêle onderdanigheid toe en een star plichtsgevoel, waar ze naar eigen zeggen jarenlang belachelijk om is gemaakt. Ze verklapt niet door wie. ‘Mensen noemen mij saai.’ En: ‘Ik heb niet overal een mening over.’ ‘Evenmin doe ik bijzonder spannende dingen waarover ik breedvoerig moet vertellen. Bescheiden als ik ben, laat ik eerst anderen aan het woord. Ik treed niet graag op de voorgrond.’

Dat is sterk! De afgelopen twee weken vertelde Jurgens overal – op radio, tv en in debatcentra – over haar onderzoek. Ze sprak met ‘meer dan 66 deskundigen’, klom op een podium en verklaarde dat Marokkanen de hand in eigen boezem moeten steken, omdat het drama is te danken aan Hollandse ‘ontfermzucht’. Dat is een gepeperde mening, zeker, en dat is te prijzen, maar niet geloofwaardig als je in dezelfde week met een even verongelijkte als quasi-dappere toon beweert een bescheiden burgertrut zonder mening te zijn. Jurgens is zo bescheiden dat ze zichzelf met kinderen en al (zelfs die laat ze er niet buiten) op het omslag van het weekblad laat zetten. Ook in het artikel staat ze koket op vier foto’s. Typisch een vrouw die niet graag op de voorgrond staat.

Toch blijkt ze in één opzicht volkomen consistent. Schrijfster Marjolijn Februari wees er al op in de Volkskrant: Jurgens hanteert steevast eenzelfde, tegenwoordig bijzonder populaire retorische stijlfiguur. Iedereen zegt wel B, maar ik zeg A, terwijl maar weinig zielen A betwisten. Neem een modieus standpunt in – Marokkanen moeten niet zielig doen en feministen zijn enge wijven – en vervolgens beweer je dapper genoeg te zijn om het te zeggen, tegen de stroom in. In het boekje zijn Marokkaanse gezinnen te autoritair (dappere stellingname!) terwijl Jurgens in HP/De Tijd veinst eindelijk eens op te durven staan tegen de Dolle Mina’s (wie kent ze nog?) die haar hebben gepest met haar liefde voor het gezin. Dat laatste is stug, aangezien de Dolle Mina’s al waren verdwenen toen Jurgens’ kinderen nog niet waren geboren. Soit, dat is in de oase van onwaarachtigheid een kleinigheid. Het gaat om de redeneertruc, die op steeds minder tegenstand kan rekenen.

Natuurlijk, er is weinig mis met een burgertrut. Ik gun iedere burgertrut haar ‘hachouma’, volgens Jurgens de Marokkaanse term voor schaamte, respect, gehoorzaamheid, bescheidenheid, afstand houden en rekening houden met je plek in het gezin en volgens velen een bron van veel kwaad. Maar om in een week twee zulke tegenstrijdige pamfletten te schrijven, dat tart de verbeelding. Erger, het openlijke gebrek aan intellectuele integriteit van Jurgens schaadt de beroepseer van de journalistiek en uiteindelijk het vertrouwen in de journalistiek. Net als die harde kern jongeren pleegt Jurgens tasjesroof. Want er zijn nog belastingcenten met haar onderzoekje gemoeid ook.
………………………………………………………………………………………………………………………………….

Op de eerste bladzijden van haar boek Het Marokkanendrama vermeldt auteur Fleur Jurgens dat de ‘harde kern’ van criminele Marokkaanse jongeren in Amsterdam is ‘teruggeschroefd’ van elfhonderd naar driehonderd. Dit komt, schrijft ze, door een ‘categorale methode’, waarbij de politie een ‘aanpak op maat’ hanteert. Daarbij wordt rekening gehouden ‘met de culturele achtergrond’ van de boefjes. Een dergelijke afname is een spectaculair succes. Harde-kernjongeren zijn jongemannen die in één jaar tijd meer dan drie zware delicten hebben gepleegd. Hun aantal is dus in drie jaar tijd met meer dan zeventig procent verminderd.

Je vraagt je af waarom Jurgens dit cijfer in haar boek vermeldt als het haar conclusie zo zichtbaar ondergraaft.