Het journalistieke risico

Hij kreeg in 1993 de Pulitzerprijs, onder andere vanwege zijn verslaggeving over de Servische concentratiekampen. Maar hoe betrouwbaar waren nu de bronnen van Roy Gutman? Zijn critici vinden dat hij zijn prijs moet inleveren.
Abe de Vries is publicist en studeert geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.
HET WAS EEN veelbelovend idee: breng mediavertegenwoordigers, ex-Joegoslaven en deskundigen bijeen en laat ze een avond lang filosoferen over de Bosnie-berichtgeving. Jammer dat het Press Now-symposium van 25 november vorig jaar uiteindelijk niet erg spannend uitpakte. ‘Berichtgeving Bosnie was zo slecht nog niet’, aldus het vakblad De Journalist. Nederlandse journalisten waren onpartijdig, stonden overal met hun neus bovenop en ‘hebben de oorlog van veel kanten en waar nodig ook kritisch belicht’.

In Duitsland en Groot-Brittannie is de kwestie al veel langer een thema. Een goed voorbeeld is de zogeheten ‘Gutman-controverse’, de in ons land onbekend gebleven, nu al bijna drie jaar durende discussie over de beeldbepalende reportages van de in de Bosnische oorlog befaamd geworden journalist Roy Gutman. Gutman was destijds bureauchef van de Amerikaanse krant Newsday in Bonn. Hij kreeg in 1993 de prestigieuze Pulitzerprijs. In augustus 1992 had hij de wereld geconfronteerd met het wrede regime in de Servische gevangenkampen Luka en Omarska, die kort daarna werden gesloten. Vorig jaar trok zijn reconstructie van de gebeurtenissen na de val van Srebrenica de aandacht, met name het bericht dat de Bosnisch-Servische bevelhebber Ratko Mladic persoonlijk aanwezig was bij massamoorden.
'DODENKAMPEN’ luidde de alarmerende kop boven het artikel waarmee Gutman roem verwierf. 'De Servische veroveraars van noord-Bosnie hebben twee concentratiekampen ingericht, waar meer dan duizend burgers zijn geexecuteerd of verhongerd en duizenden anderen worden vastgehouden tot ze sterven’, schreef hij in Newsday, 2 augustus 1992. De opzettelijke verwijzing naar de nazigruwelen van '40-'45 miste zijn effect niet: hier waren concentratiekampen ontdekt. Op de Amerikaanse ambassade in Belgrado was deze aanduiding voor de Bosnisch-Servische detentiecentra overigens al enige tijd in zwang, zoals Gutman twee weken eerder had geschreven.
Verschillende Europese bladen namen het stuk over, maar niet iedereen was onder de indruk. Volgens Joan Phillips, redactrice van het Londense Living Marxism, was de publikatie een groot vraagteken. Gutman had Luka en Omarska niet zelf bezocht. Hij had ongetwijfeld belangrijk onderzoekswerk verricht - in de kampen hebben zich vreselijke taferelen afgespeeld - maar het gepresenteerde bewijsmateriaal bood geen rechtvaardiging voor de beladen terminologie. Nazistijl-dodenkampen? Wie met zo'n zware claim kwam, moest een ijzersterke zaak hebben, en die had Gutman niet. Zijn artikelen van 2 en 5 augustus waren gebaseerd op niet meer dan twee ooggetuigenverklaringen, drie van-horen-zeggenberichten plus flink wat veronderstellingen.
Wat hadden de getuigen nu precies gezien in de oude ijzermijnen bij Omarska in de buurt van Banja Luka? Meho zat er van 3 tot 7 juni 1992 opgesloten. Uit uitlatingen van medegevangenen had deze 63-jarige aannemer opgemaakt dat tijdens zijn verblijf zo'n veertig mannen waren doodgemarteld. Ook zouden kampbewakers iedere dag tien tot vijftien gevangenen hebben geexecuteerd. 'Ze brachten hen naar een meer in de nabije omgeving. Dan hoorde je geweersalvo’s, en ze kwamen nooit terug.’ Hujca, 53 jaar, soldaat in het Bosnische regeringsleger, gewaagde van de vele gruwelen die hij tijdens zijn twaalf dagen durende verblijf in Omarska niet zelf had gezien. En ook nummer drie, soldaat Fahrudin Ganic, had zijn informatie uit tweede hand: een moslimjongetje had Ganic verteld dat gevangenen die door bewakers werden opgehaald, nooit terug kwamen. Ten slotte maakte een anonieme bron melding van duizenden gevangenen, maar niet van massamoorden. Hier beriep Gutman zich op een verhaal dat hem via de Bosnische moslimhulporganisatie Merhamet ter ore was gekomen.
De 53-jarige ambtenaar Alija Lujinovic was de enige ooggetuige van de gebeurtenissen in het tweede kamp, Luka bij Brcko. 'Tussen 15 mei en midden juni werden 1350 mensen afgeslacht.’ De Newsday-reporter liet echter in het midden of zijn zegsman daadwerkelijk van al deze moorden getuige was geweest. Wat Lujinovic had gezien, was erg genoeg, maar of het de beschuldiging van 'dodenkampen’ ondersteunde? 'De ergste dag - ik zag het met mijn eigen ogen - was toen ik tien jonge mannen op rij zag liggen. Hun kelen waren doorgesneden, hun neuzen afgehakt en hun geslachtsdelen weggerukt. Het was het ergste wat ik heb gezien.’
IN EEN REACTIE schreef Gutman dat zijn berichten over Omarska later van vele kanten zijn bevestigd. Dat de ongeveer 350 reporters die in zijn voetsporen het gebied rond Banja Luka introkken, geen dodenkampen konden vinden, kwam door de Servische cover up. Gutman beriep zich op een onderzoek van de Amerikaanse regering (gebaseerd op veldwerk van haar ambassade in Zagreb) waaruit zou blijken dat in Omarska vijfduizend mensen waren omgebracht. 'Waarom ik een verhaal publiceerde met maar twee getuigen? Ik was ervan overtuigd dat de levens van duizenden mensen op het spel stonden en dat we in hun belang het journalistieke risico moesten nemen.’ En dat was achteraf een schot in de roos: 'Ik denk dat mijn berichtgeving nauwgezet beantwoordde aan de eisen van het vak, dat de conclusies op hun plaats waren en dat het geheel elke toets kan doorstaan.’
Joan Phillips, niet overtuigd, vroeg zich af of journalisten niet voorzichtiger met hun bronnen moesten omspringen, gezien de informatie-oorlog die ook in Bosnie woedde en die argeloze verslaggevers kon veranderen in bloeddorstige medestrijders. In die oorlog was het zelfs geoorloofd om op cruciale momenten moedwillig de 'eigen’ bevolking te beschieten en dan meteen de tegenpartij te beschuldigen - leugens die in het Westen keer op keer gretig werden geslikt. In 1993 liet een door de moslims ingehuurd Amerikaans pr-bureau weten de berichten over de Servische kampen vakkundig te hebben verwerkt. 'Het is niet aan ons om informatie te verifieren’, zei James Harff van de firma Ruder Finn tegen de Franse TV2-redacteur Jacques Merlino. 'Onze taak is het aanpassen van de informatiestroom aan onze eigen zorgvuldig geformuleerde doeleinden.’
Na Gutmans primeur en een televisie-uitzending werden berichten over kampen van moslims en Kroaten 'weggedrukt’, zoals dat heet. The New York Times had nog op 4 juni over een kamp voor Serviers in een spoorwegtunnel bij Konjic geschreven, maar van zulke nieuws-items werd later weinig meer vernomen. Kampen voor Serviers bestonden niet, beweerde Gutman in een interview met presentator Immo Vogel van Sud-WestFunk. De Serviers maakten er wel gewag van, maar hijzelf had ze niet gevonden. 'De Bosnische regering had toen helemaal geen kampen.’
De leden van een vorig jaar in Belgrado opgerichte vereniging van Servische ex-kampgevangenen beschouwen dit als een belediging. Ze willen dat het Pulitzercomite Gutman zijn prijs afneemt. 'Niet dat de misdaden in Omarska, die het onderwerp van de eerste berechting in Den Haag vormen, niet hebben plaatsgevonden’, zegt bestuurslid Branka Jovanovic. 'Integendeel, we zijn blij dat tenminste een kamp onder druk van de publieke opinie snel is opgeheven. Wij verlangen dat Roy Gutman de Pulitzerprijs wordt ontnomen omdat hij hardnekkig heeft beweerd, en dat ook vandaag de dag nog doet, dat de kampen voor Serviers een bedenksel van de Servische propaganda zijn.’ Volgens Jovanovic kon een door moslims gerund kamp als de Tarcinsilo, dertig kilometer ten zuiden van Sarajevo, de hele oorlog door ongehinderd functioneren, juist omdat 'de media’ liever een andere kant opkeken.
HET NIEUWS OVER de dodenkampen maakte al snel plaats voor al even schokkende verhalen over massale, door de Bosnisch-Servische oorlogsleiding bevolen verkrachtingen. In februari 1993 berichtte Gutman over Jadranka Cigelj, een 45-jarige Kroatische juriste en politiek activiste, die verklaarde tijdens haar gevangenschap in Omarska meermalen te zijn verkracht. Een van de daders was Zeljko Mejahic, de commandant van de kampbewakers. Gutman gaf toe dat zijn getuige plaatsvervangend voorzitster van de HDZ-afdeling in Prijedor was geweest, maar belangrijker nog was haar inzet voor een Kroatisch Informatiecentrum in Zagreb. Cigelj is 'een leidende activiste geworden, die zich inzet om oorlogsmisdaden in Bosnie te documenteren’.
Ook een brochure van de Internationale Gesellschaft fur Menschenrechte (IGFM) van februari 1993 - dezelfde maand - bevat Cigeljs verhaal, maar hier behoort Zeljko Mejahic niet tot de beschuldigden. De verwarring wordt nog groter in de twee documentaires over Omarska die later (21 november 1993 en 16 februari 1995) in Duitsland werden uitgezonden. Cigelj komt beide keren uitgebreid aan het woord. In de eerste film is geen sprake van verkrachting door Mejahic, in de tweede weer wel.
Gutman, die over het Kroatische Informatiecentrum geen verdere bijzonderheden vermeldde, werd scherp aangevallen door Thomas Deichmann, een freelance publicist uit Frankfurt. Uit zijn artikelen in Novo en Die Woche blijkt dat het Kroatische Informatiecentrum een propaganda-instituut is, opgericht door de nationalistische emigrekring rond Gojko Susak, de huidige Kroatische minister van Defensie. Het centrum geeft boekjes uit waarin Serviers worden gedemoniseerd en de Kroatische geschiedenis wordt herschreven. Het moet 'westerse journalisten, regeringsfunctionarissen, academici en intellectuelen van eenzijdige, pro-Kroatische “informatie” voorzien’, aldus Deichmann. In dezelfde context ontstond de Kroatische afdeling van de IGFM, waarvoor Cigelj ook bleek te werken. Deze in Frankfurt gevestigde organisatie onderhield in de jaren tachtig intensieve contacten met radicale Kroatische ballingen, onder wie Dobroslav Paraga, de latere Ustasa-leider en medeoprichter van de beruchte HOS-militie. Destijds werd de IGFM in Kroatie vertegenwoordigd door Vladimir Seks, die tegenwoordig, net als Susak, behoort tot de rechtsradicale Herzegovijnse stroming in de Zagrebse politiek.
Cigelj reisde als mensenrechtenactiviste onder andere naar Duitsland en de Verenigde Staten, waar ze fondsen wierf en op tv verscheen. Onlangs werden zij en haar 'non-gouvernementele’ club ook in ons land opgevoerd als betrouwbare bronnen (zie Ageeth Scherphuis, 'Verkracht voor volk en vaderland’, Vrij Nederland, 2 december 1995). Bij het Haagse Joegoslavie-tribunaal gold Cigelj eveneens lange tijd als een geloofwaardige getuige. Volgens Deichmann is hieraan na de publikatie van zijn onderzoek een eind gekomen. 'Gutman is een goed voorbeeld van het feit dat slechte journalistiek verregaande consequenties kan hebben’, stelt hij.
TWEE WEKEN NADAT de Bosnisch-Servische kopstukken Mladic en Karadzic wegens oorlogsmisdaden waren aangeklaagd, had Gutman opnieuw een primeur. 'Getuigen van de etnische zuivering van moslims uit de voormalige VN-veilige haven Srebrenica zeggen dat de Bosnisch-Servische bevelhebber Ratko Mladic een “feest van bloed” aankondigde en persoonlijk bij veel slachtpartijen aanwezig is geweest.’ (Newsday, 8 augustus 1995). De strekking van het verhaal: Mladic was direct betrokken bij, en persoonlijk schuldig aan, de dood van de vier- tot zesduizend officieel nog steeds vermiste moslimmannen van Srebrenica.
Precieze lezing leert dat Gutman maar een getuige aanhaalt die verklaarde dat Mladic zelf bij een massamoord aanwezig was. Ramiza Begic uit Srebrenica vertelde hoe Mladic op 13 juli trucks vol vluchtelingen inspecteerde, terwijl zijn soldaten op dat moment minstens tien mensen uit de wagens haalden en ter plekke vermoordden. Uit het artikel wordt overigens niet duidelijk of Gutman zelf met Begic sprak, of dat hij inzage kreeg in documenten van John Shattuck, de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken. Onderzoek en interviews door Shattuck en zijn medewerkers hadden in elk geval vele bewijzen voor genocide opgeleverd. 'De betrokkenheid van Mladic is zeker’, zei Shattuck tegen Gutman. 'Hij was overal aanwezig.’
Uit het relaas van een tweede getuige komt naar voren dat Mladic een onheilspellende toespraak hield voor duizenden gevangen moslims in Nova Kasaba, maar niet dat hij ’s avonds aanwezig was toen al deze mensen op een andere plek zouden zijn doodgeschoten. Het gaat hier om Smail Hodzic, 63 jaar, uit het oost-Bosnische plaatsje Cerska. Hodzic zei Mladic te hebben gezien 'in een jeep, die het doodskonvooi volgde’.
Kort voor Gutmans artikel verscheen, had de CIA in Washington foto’s verspreid van stukken grond in de buurt van Nova Kasaba en Konjevic Polje, waaruit moest blijken dat er massagraven waren gedolven. Op 8 augustus, dus op de dag dat Newsday Gutmans stuk publiceerde, werden deze foto’s door de Amerikaanse VN-vertegenwoordigster Madeleine Albright aan de Veiligheidsraad getoond. Ook zij ondersteunde het vermoeden van een georganiseerde, opzettelijke massamoord met de getuigenis van 'een 63-jarige moslim’, waarschijnlijk Hodzic.
Deichmann ontdekte echter dat Hodzic volstrekt tegenstrijdige verklaringen had afgelegd, behalve aan Gutman ook aan journalisten als Alexandra Stiglmayer, David Rohde, Aida Cerkez en aan Amerikaanse regeringsfunctionarissen. Bij Stiglmayer (Die Woche) werd Hodzic naar 'een basketbalhal bij Bratunac’ gebracht, bij Gutman naar 'het voetbalstadion van Nova Kasaba’ en bij Rohde (Christian Science Monitor) naar 'een gymzaal van een school in Krizevci’. Deze plaatsen liggen kilometers uit elkaar. Ook andere details blijken niet te kloppen. Zo zou Hodzic na zijn ontsnapping eerst vijf, toen elf, dan weer drie dagen nodig hebben gehad om te voet de linies van het Bosnische regeringsleger te bereiken.
OPNIEUW KLIMT GUTMAN in de pen om zich te verweren tegen zijn critici. Uit zijn protestbrief aan de redactie van Novo: 'Het is merkwaardig dat u een campagne tegen mijn berichtgeving bent begonnen op grond van mijn reportages over Srebrenica. Niet alleen dat uw auteur er niet in slaagt een discrepantie tussen verschillende persberichten te bewijzen, hij schuift ook nog eens alle aanwijzingen voor een massamoord en voor de persoonlijke rol van generaal Mladic terzijde.’ Gutman roept de CIA te hulp en ook het (eveneens onduidelijke) relaas van David Rohde in The Christian Science Monitor. Zijn tegenstanders, zo meent hij, schrijven voor obscure blaadjes, zijn linkse extremisten of Servische propagandisten, die zijn werk om ideologische redenen verdacht proberen te maken.
Deichmann zegt in geen geval de Servische misdaden in Srebrenica te willen verdoezelen, maar als er tegenstrijdige in omloop worden gebracht, zijn andere vragen ook interessant. Hoe om te gaan met getuigenverklaringen? Sinds wanneer gelden inlichtingendiensten, ministeries van Buitenlandse Zaken en andere overheidsinstellingen van landen die zich actief met de oorlog bemoeien, die openlijk een partij steunen - zoals de Verenigde Staten - als betrouwbare informatiebronnen? Of overtreedt een verslaggever als David Rohde geen enkele regel van het metier als hij erop uittrekt met documenten van Amerikaanse inlichtingendiensten in de hand - zoals hij schrijft in de Volkskrant van 18 november 1995?
Gutman zou zijn opmerkingen ter harte moeten nemen, vindt Deichmann. Hij zou zijn Pulitzerprijs moeten teruggeven.