Het jubeljaar

Verleden week kwam de Bilderberg-groep in Portugal bijeen. Opnieuw zonder pottenkijkers. Waar gaan die conferenties van topofficials uit de VS en West-Europa toch over? In 1961 werd prins Bernhard, lange tijd voorzitter, ondervraagd door zijn biograaf Alden Hatch. Hatch( bewaarde het gesprek op band. Dat bleek van grote historische waarde

PALEIS SOESTDIJK, een dag in juli 1961. Tegen het achtergrondgeluid van rinkelende ijsblokjes in whiskyglazen en gezellig gepuf aan de pijp onderhoudt prins Bernhard zich met zijn Amerikaanse biograaf Alden Hatch over zijn geliefde Bilderberg-conferenties. Alden Hatch: ‘Ik wilde het hebben over Bilderberg. Ik ben tot op zekere hoogte al gebrieft door dr. Rijkens, maar nu zou ik graag uw verhaal willen horen.’ Bernhard: 'Het begon allemaal toen Retinger hier samen met Rijkens kwam om zijn zorgen te uiten over de anti-Amerikaanse gevoelens die opgeld deden in de meeste West-Europese landen, ook onder niet-communistische mensen, van politiek rechts tot de universiteit en alle andere soorten mensen. Dit gebeurde ondanks, of misschien juist wel door de Marshall-hulp. Het probleem is nu eenmaal dat de meeste mensen die een cadeau krijgen en niets terug kunnen doen geneigd zijn om in de hand van de gulle gever te bijten. Persoonlijk heb ik er in mijn leven altijd naar gestreefd om, als ik financiële hulp biedt aan iemand van wie ik weet dat hij het toch niet terug kan betalen - wat meestal het geval is -, hij niet weet dat het geld van mij komt. Als ik hem mag zou hij zich opgelaten kunnen voelen, en dat zou de vriendschap maar verpesten.’ HATCH: 'HOE reageerde u op het plan van Retinger?’ Bernhard: 'Ik zei dat ik eigenlijk slecht inzag wat ik kon betekenen. Maar Retinger zei dat hij me de juiste mensen kon bezorgen in Europa en Amerika en dat er zo nuttig werk kon worden gedaan. Hij vroeg me in de stoel van voorzitter te gaan zitten omdat ik nu eenmaal a-politiek ben en zo het beste geschikt voor het baantje. Waarom niet, heb ik toen gezegd, we kunnen het altijd proberen. Maar om mezelf te beschermen tegen mogelijke onwetendheid dan wel stomheid in deze zaken wilde ik eerst de mening horen van Paul van Zeeland, de Belgische premier, een groot man die veel van de wereld heeft gezien en over een enorme hoeveelheid internationale ervaring beschikte. Deze bleek absoluut geestdriftig over het idee. Daarna belde Retinger terug en werkten we het volgende plan uit: een belangrijk figuur in ieder West-Europees land zou een rapport schrijven over zijn land, over hoe het zat met de communistische invloed aldaar, welke motieven er in het spel waren bij de omstandigheid dat zoveel militairen, bankiers en politici in Europa de Amerikanen niet mochten. In Frankrijk schreven Mollet en Pinay (twee politici van respectievelijk rechts-sociaal-democratische dan wel anti-gaullistische stempel - rz) het rapport. In Duitsland gingen industrieel Wolff van Amerongen, de liberale advocaat dr. Müller en Max Brauer, de burgemeester van Hamburg die in Amerika was tijdens de oorlog, aan het werk. Zo hadden we daar gelijk contact met zowel de conservatieven, de liberalen als de sociaal-democraten. Voor Scandinavië was voornamelijk de Deense minister-president actief, in België deed Van Zeeland het, in Griekenland een politicus die verbonden was met de regering. Ik las die rapporten allemaal, en ik zag dat ze op tal van punten grote overeenkomsten vertoonden. In de meeste gevallen waren de redenen dat Amerikanen niet geliefd waren in de diverse landen hetzelfde. Het grootste probleem was jaloezie ten opzichte van de Amerikaanse troepen in Europa. Die zorgden met hun veel hogere loon voor de nodige spanningen. Ze pikten de meisjes af van de plaatselijke heren. Daarnaast waren er andere factoren, zoals gebrek aan Amerikaanse organisatie voor de distributie van fondsen aan Europese organisaties. Anyway, al die rapporten uit de diverse landen werden door mij samengevat in een groot rapport, dat ik hier nog wel ergens heb moeten liggen en dat ik u wel kan laten bezorgen.’ Hatch: 'Heel graag.’ Bernhard: 'Vervolgens nam ik contact op met Amerika, met de suggestie om daar ook een groep te formeren die een rapport zou kunnen schrijven over de wijze waarop leidende Amerikanen naar ons Europeanen kijken. Als we dat eenmaal hadden, konden we uiteindelijk de discussie op gang brengen. Ik had de leidende Europeanen al aan mijn kant, nu moest het ook aan de andere kant van de oceaan van start. Dat was vlak voor de Amerikaanse verkiezingen van 1952. Ik zond het Europese rapport naar Averell Harriman (Amerikaans onderhandelaar voor de Marshall-hulp - rz), maar die wilde het met geen vinger aanraken. Hij vond het veel te tricky.’ 'VERVOLGENS KWAM ik bij generaal Eisenhower, die wel enthousiast was en zei dat hij het rapport wilde gebruiken bij de verkiezingscampagne. Ik zei nee, for Christ’s sake, dit is een privédocument, als dit openbaar wordt krijgen we het grootst mogelijke gedonder. Daarna kwam ik terecht bij de Council of Foreign Affairs in Washington, maar die konden er ook niets mee. Uiteindelijk belandde ik bij mijn vriend Bedell Smith, het hoofd van de CIA. Die zag er wel wat in. “Why the hell kwam je niet gelijk naar mij toe?” vroeg hij. “Dit is zeer belangrijke informatie, ook voor de CIA.” Via Bedell kwam ik aan C.D. Jackson, de uitgever, die een comité startte en samen met iemand van Bowers Industries een erg aardig rapport maakte, dat bij de voorbereidende vergadering is besproken. In de lente van 1954 kwam dan die eerste bijeenkomst, die bijgewoond werd door zo'n zestig mensen, van wie tweederde Europees en eenderde Amerikaans. De Koreaanse oorlog was net begonnen. In de discussies tussen C.D. Jackson en Dennis Healey vlogen de vonken er vanaf. Het was een prachtige bijeenkomst en een goede start. Iedereen kon vrijuit spreken, op persoonlijke titel en dat bleek een buitengewoon succes te zijn. Van toen stamde ook het idee om te beginnen met een eigen krant, De Western World, die inderdaad nog vier jaar heeft bestaan. Daarin stonden eersteklas bijdragen over controversiële onderwerpen binnen het Atlantische pact, geschreven door gezaghebbende Amerikanen en Europeanen. Er was een staf in Washington aan verbonden, plus een Europese, maar het kwam toch niet van de grond, vanwege problemen met de financiering en een gebrekkig distributie-apparaat. Ondertussen gingen de bijeenkomsten wel gewoon door.’ Hatch: 'Kunt u iets vertellen over wat er dan besproken wordt?’ Bernhard, na enig nadenken: 'Nou, het gemiddelde land is helaas niet geneigd om zijn beleidsvoornemens voor te leggen aan de Navo-raad, dus als de reacties niet zijn zoals men gewenst had, zoals met het ingrijpen van de Britten en de Fransen in de Suez-crisis van 1956, roept iedereen blue murder. Dat is een situatie die slecht is voor ons allemaal, want de andere kant doet daar alleen maar zijn voordeel mee. Dat is een typerend voorbeeld van dingen die we bespreken. Dat gebeurt altijd in een vriendelijke atmosfeer, soms ontspannen, soms op het scherpst van de snede, maar altijd op zoek naar iets als common ground. Altijd gaat het erom hoe we een vastgesteld probleem kunnen verbeteren. Soms komt het voor dat iemand een helder idee heeft, en dat kunnen de diverse deelnemers dan weer doorgeven aan het thuisfront. We proberen natuurlijk niet formeel beleid uit te stippelen, dat zou ons in zeer diep water brengen. Eerder gaat het erom over een probleem te discussiëren zonder dat men gebonden is aan een bepaalde lijn. De deelnemers spreken onafhankelijk en namens zichzelf, niemand citeert je, je komt niet in de krant, je kunt dingen zeggen die je nooit in de senaat of in het congres of waar je ook zit zou zeggen. Je kunt hardop denken, en een heleboel goed werk wordt ook gedaan aan de bar of aan tafel.’ 'IK VIND HET altijd zeer stimulerend en heb er altijd veel van geleerd. Als die drie dagen voorbij zijn ben ik altijd doodop. Als voorzitter vergt het veel van mijn concentratie. Je moet opletten of de inbreng wel gelijkmatig is, of er niet drie Amerikanen achter elkaar spreken, discussies samenvatten, daar de constructieve elementen proberen te benoemen, of juist iets dat belangrijk is om te onthouden omdat het juist zo negatief is. Je moet proberen te benoemen over welke punten consensus bestaat, of wat nu precies niet acceptabel is. Dat is allemaal erg vermoeiend. Bij de eerste vergaderingen hebben we nog geprobeerd om te werken met andere voorzitters. Zo heeft de republikein Coleman weleens in de stoel gezeten, en ook wel Van Zeeland. Maar dat werkte niet. Dan begonnen de jongens van de Amerikaanse democraten te klagen, terwijl het probleem van Van Zeeland was dat hij alle gevoel voor tijd verloor als hij begon te spreken. We willen de prins terug, werd er dan geroepen. Niemand heeft kritiek op mij want ik zit niet vast aan een bepaalde lijn, behalve de lijn die goed is voor ons allemaal. Af en toe heb ik weleens hard moeten optreden als deelnemers te lang praatten, dan moest ik zwaaien met mijn horloge. Vervelend, maar het moet. De eerste keer dat we in Amerika vergaderden, in Georgia, namen de Amerikanen dat gelukkig goed op. Het probleem is dat leden van de senaat en het congres eindeloos door kunnen blijven praten als ze daar het woord eenmaal hebben genomen. Maar ja, dit is mijn vergadering, dus ik bepaal de spreektijd, en die moet eigenlijk niet langer dan vijf minuten zijn. Verleden jaar, in Zwitserland, kon ik niet in de voorzittersstoel, vanwege een koortsaanval. Van Kleffens nam het toen over, en die deed dat heel knap, zonder politieke standpunten. Zelfs Paul Henry Spaak uit België, zelf een zeer politieke man, protesteerde niet.’ Hatch: 'Wat gebeurt er met de rapporten van de bijeenkomsten?’ Bernhard: 'Ik weet dat Eisenhower in ieder geval het rapport van de eerste bijeenkomst van 1954 in handen heeft gekregen. Hij was zeer geïnteresseerd, maar of hij later nog rapporten heeft gekregen weet ik eigenlijk niet. Wat deelnemers die het rapport opgestuurd krijgen ermee doen, moeten ze zelf weten. Hij kan het in de kachel gooien of aan een vriend doorgeven. Zelf stuur ik altijd een exemplaar naar onze premier, maar wat die er vervolgens mee doet, daar heb ik geen idee van. Voor mensen die niet bij de bijeenkomst waren is zo'n verslag trouwens niet zo makkelijk te volgen. Het is een uitstekende memo voor degenen die erbij waren, omdat erin staat samengevat welke ideeën er naar voren zijn gebracht en voor welke suggesties een meerderheid bestond. Maar als je het leest zonder er geweest te zijn blijft het allemaal toch een beetje vaag. Elke deelnemer wordt maximaal beschermd, zodat we gedwongen zijn het behoorlijk neutraal te houden.’ Hatch: 'Heeft u er ooit nog met Ike over gesproken?’ Bernhard: 'O ja, de hele tijd, want ik had soms zijn steun nodig, in het bijzonder in het begin, toen ik groen licht nodig had om regeringsfunctionarissen te laten komen. Bedell Smith was voor, maar veel mensen in het State Departement voorzagen moeilijkheden als een of andere krant vragen zou beginnen te stellen over wie daar was, en over wie wat had gezegd. Dat wilden ze tegen elke prijs voorkomen. Na de tweede bijeenkomst was dat voorbij, toen mocht iedereen komen en hadden we geen moeilijkheden meer. Hetzelfde deed ik bij De Gaulle.’ HATCH: 'HOE is uw relatie met De Gaulle?’ Bernhard: 'Het grootste probleem van de Fransen bij Bilderberg is dat ze vaak niet komen opdagen. Heel vaak bellen ze op het laatste moment dat ze toch niet kunnen komen, vanwege een of andere crisis. Maar ja, de deelnemers uit de andere landen hebben ook zo vaak een crisis, en die komen altijd wel. Ik denk dat de Fransen het onplezierig vinden scherpe kritiek te horen, die ze toch wel zouden kunnen verwachten maar waarop ze kennelijk geen antwoord hebben. De Gaulle zelf heb ik altijd bewonderd. Ik heb hem lang niet gezien, van 1945 tot verleden jaar eigenlijk, maar voor die tijd peuterde ik weleens een auto of een vliegtuig bij hem los. Verleden jaar maart kwam ik hem tegen. Toen vertelde ik hem dat hij de grootste Europeaan van de laatste vijfhonderd jaar kon worden, groter dan Churchill, als hij ervoor zou zorgen dat Frankrijk, inmiddels weer opgekomen als supermacht, zou meegaan in de Europese integratie. Ik geloof overigens niet dat mijn woorden veel effect sorteerden. De Gaulle zei alleen maar “mmm”. Ik geloof niet dat ik erdoor kwam.’ Hatch: 'Wat zijn uw ideeën over het toekomstige Europa? Niet utopisch, maar praktisch. Wat zou moeten gebeuren?’ Bernhard: 'Ik denk aan een federatief systeem met enerzijds complete soevereiniteit en anderzijds complete samenwerking. Ik denk dat je op basis van het Verdrag van Rome zou kunnen komen tot vrij verkeer van arbeid, maar ook tot coördinatie van industrieën in de zin dat sommige industrieën in sommige landen moeten veranderen of zelfs sluiten, zonder dat het bedrijf zelf verloren hoeft te gaan. Met uitkeringen uit speciale fondsen kan een land dan voor het verlies worden gecompenseerd. Dat zou de VS dwingen om de importbelasting te verlagen, wat weer de vrije handel zou stimuleren, en het voor de nieuwe landen in Afrika en Azië moeilijker maakt om te blijven hangen in autarkische denkbeelden, om regels te adopteren die wij tweehonderd jaar geleden al hebben afgeschaft.’