Corona: Van Brexit naar Covid

Het juichen verstomt

Door de coronacrisis leek de Brexit te zijn vergeten, maar niets is minder waar. De Brexit beïnvloedt ook het Britse debat over de lockdown en ondermijnt zelfs de positie van premier Boris Johnson.

Artikelen in De Groene Amsterdammer over de coronacrisis zijn voor alle lezers gratis te lezen. Interesse om meer te lezen?

Boris Johnson doet voor 10 Downing Street mee aan het wekelijkse applaus voor het zorgpersoneel van de National Health Service. Londen, 8 mei © Andrew Parsons / Camera Press / HH

Donald Tusk zat warm: ‘Dit is blijkbaar de wereld van Dominic Cummings en zijn Brexit-vrienden’, zo schreef de voormalig voorzitter van de Europese Raad, ‘dat ze op pad gaan, terwijl ze zouden moeten blijven.’ Origineel was deze gedachte niet. Eerder had The Daily Telegraph een brief geplaatst waarin een lezer opmerkte dat de Britten die jarenlang hebben gestreden om het land binnen de Europese Unie te houden nu het felst voor de lockdown zijn, terwijl hun landgenoten die de unie wilden verlaten zo snel mogelijk van de lockdown af willen, of zelfs vinden dat de regering deze nooit hadden mogen invoeren.

Het Britse lockdowndebat heeft vanaf het begin een déjà-vu-gevoel gehad, de indruk dat er sprake was van een reünie van devote brexiteers. Een lockdownscepticus van het eerste uur was Peter Hitchens – broer van de beroemde essayist, wijlen Christopher – die sprak van een irrationele overreactie en een inbreuk op de burgerrechten. De Daily Mail-commentator kreeg snel gezelschap van Toby Young, brexiteer, onderwijshervormer en oud-studiegenoot van Boris Johnson. Young zette zelfs een website voor lockdownsceptici op, als tegenwicht voor de traditionele media die vrijwel zonder uitzondering de verlate lockdown van de regering-Johnson steunden. Ook beweerde de conservatieve historicus David Starkey – de Tudor-kenner David Starkey, die de Brexit altijd heeft beschouwd als het vervolg van de Engelse breuk met Rome onder Hendrik VIII – dat eerdere pestuitbraken in de geschiedenis veel erger waren, maar relatief weinig negatieve economische gevolgen hadden. Bij Covid-19 is naar zijn idee het omgekeerde het geval: een relatief onschuldig virus, met enorme economische effecten.

Aan de andere kant van de scheidslijn bevindt zich de gevestigde orde: de bestuurders van het land, de bbc, de Anglicaanse kerk en commentatoren van progressieven huize. De grote roerganger is hier Piers Morgan, de voormalige tabloidjournalist die als presentator van het ontbijtprogramma Good Morning Britain dagelijks pleitte voor het landelijke huisarrest en dissidenten als ‘covidiots’ aan de schandpaal nagelde.

Door te wijzen op het hoge aantal doden op het eiland en te voorspellen dat er een tweede, nog dodelijkere coronagolf aankomt, maken ze zich volgens de lockdownsceptici schuldig aan doemdenken. Daarbij zijn vergelijkingen getrokken met het ‘Project Fear’ in de aanloop naar het EU-referendum, toen de regering onheil voorspelde bij een Leave-stem, van massawerkloosheid tot een Derde Wereldoorlog. Dat scenario herhaalde zich tijdens het Brexit-proces. Een No Deal Brexit zou tot voedseltekorten en een kapitaalvlucht leiden, zo werd beweerd.

Bij deze cultuurstrijd staan twee maatschappijvisies tegenover elkaar. De lockdownsceptici leggen de nadruk op individuele vrijheden en zijn eerder bereid om risico’s te nemen, daarbij uitgaande van persoonlijke verantwoordelijkheid in plaats van regels. Ze volgen het idee – geformuleerd door oorlogsheld Douglas Bader – dat wijze mensen regels slechts beschouwen als aanwijzingen, maar dat braaf gehoorzamen iets is voor dommeriken. Vanuit sociaal-economisch oogpunt volgen ze de leer van de Britse nuttigheidsfilosoof Jeremy Bentham, waarbij het economische belang van de burger centraal staat.

Daartegenover staan de kantiaanse idealisten. Zij benadrukken maatschappelijke solidariteit, empathie met de zwakkeren. Ze koesteren het verlichte geloof dat menselijke interventies noodzakelijk en goed zijn. In het verlengde daarvan hechten ze grote waarde aan internationale samenwerking, of het nu gaat om de EU of de Wereldgezondheidsorganisatie.

Welke plaats, zo is de vraag, neemt Boris Johnson in bij deze cultuurstrijd? Hij was het gezicht van de Leave-campagne en kort nadat de Britten de EU officieel hadden verlaten koppelde hij Covid al snel aan de Brexit. De eilandbevolking zal het virus weerstaan en economisch profijt trekken van deze onbevreesde houding. Vrijheid en handel zouden wat de optimist Johnson betreft niet lijden onder de voorspelde paniek.

De bravoure hield ruim een maand stand en achter de schermen zou Dominic Cummings – Johnsons Svengali-achtige topadviseur – zich hard hebben gemaakt voor de groepsimmuniteit, waarbij een bepaald aantal voortijdig gestorven bejaarden een redelijke prijs zou zijn. Halverwege maart veranderde alles. Het dodental verdubbelde van de ene op de andere dag, de Britten gingen er onbezorgd opuit en een Londens ziekenhuis was het decor van Lombardische coronataferelen.

Hier kreeg de coronacrisis een specifiek Brits tintje. De National Health Service (nhs) kwam in gevaar, de nationale gezondheidszorg die door de politicus Nigel Lawson is omschreven als ‘the closest thing the English people have to a religion’. Tijdens de coronacrisis zou duidelijk worden hoeveel waarheid er in deze bewering zit. Artsen werden heiligen, verpleegkundigen engelen. Het wekelijkse applaus op donderdagavond fungeerde als hoogmis, handig aangezien de Anglicaanse kerk de regering had aangemoedigd om de kerken voor onbepaalde tijd te sluiten.

Johnson is er alles aan gelegen de staatszorg als het ware af te pakken van Labour

Het redden van de nhs stond voorop voor Johnson. De gratis zorg is na de Tweede Wereldoorlog opgezet door het Labour van Clement Attlee en is sindsdien altijd beschouwd als ‘eigendom’ van de sociaal-democraten. Van oudsher leeft het idee dat de Conservatieven ervan af willen. Johnson is er alles aan gelegen om dat beeld te kantelen en de staatszorg als het ware af te pakken van Labour, cruciaal bij het werven van eurosceptische Labour-kiezers, met name die in het noorden van Engeland.

Deze strategie was al zichtbaar bij de campagne voor het EU-referendum, waarbij Johnson rondreed in een rode bus waarop stond dat de vermeende 350 miljoen pond die wekelijks naar Brussel vloeit, voortaan naar de Britse zorg zou gaan. Het was een lokaas voor de gewone Britten voor wie gratis zorg een kwestie van leven en dood is. In de aanloop naar de recente verkiezingen hamerde Johnson dagelijks op vijftig nieuwe ziekenhuizen en vijftigduizend nieuwe verpleegkundigen. Er is hier een regelrecht verband met de centrale doelstelling van de Britse lockdown: het beschermen van de nhs.

De minister van Volksgezondheid, Matt Hancock, ontpopte zich tot de grootste voorstander van de lockdown, de Britten besloten extra sociale afstand te houden en er werden immense noodziekenhuizen gebouwd. Om de ziekenhuizen te ontlasten werden zoveel mogelijk bedden vrijgemaakt door oudere, half genezen coronapatiënten naar verzorgingshuizen te brengen. Met dat laatste werd meteen een groot deel van het probleem verplaatst. nhs-personeel kreeg de kans te schitteren toen Johnson zelf in het ziekenhuis werd opgenomen, waar hij drie dagen op de intensivecareafdeling doorbracht, ternauwernood ontsnappend aan de beademing.

‘De nhs is het kloppende hart van dit land’, oreerde de genezen premier, ‘het is het beste van dit land. Het is onverslaanbaar. Het wordt door liefde aangedreven.’

De bewieroking van de National Health Service zorgt voor irritatie binnen de Conservatieve Partij. Fractieleden vrezen dat de lockdown gaat leiden tot een economische depressie en wijzen erop dat de nhs alleen kan floreren op basis van een sterke economie. Een andere zorg is dat de Britse bevolking, onder wie veel oudere Brexit-stemmers, zo bang is gemaakt door de regering-Johnson dat ze wegens coronafobie het huis niet meer uit durft. Ook de royale looncompensatie voor werknemers die met het oog op de lockdown met verlof zijn gestuurd roept vragen op, met name bij brexiteers als de ministers Dominic Raab en Priti Patel, die acht jaar geleden in de essaybundel Britannia Unchained hadden geklaagd over het gebrekkige arbeidsethos van Britse werknemers.

Daarnaast wordt er met een zekere wanhoop gereageerd op het voornemen om deze zomer de grens dicht te houden, om een mogelijke tweede golf van infecties te voorkomen. Het besluit staat haaks op het imago van een ‘Global Britain’, dat de afgelopen jaren door Johnson is gepromoot. ‘Elke dag dat deze lockdown voortduurt’, stelde Lionel Shriver, schrijfster en brexiteer, ‘vernietigen we dit land.’ Haar Spectator-collega Rod Liddle noemde de lockdown ‘een vriendelijk ogende ballardiaanse dystopie’.

Het voorgaande toont aan hoezeer de coronacrisis een strategisch probleem heeft blootgelegd binnen het Brexit-kamp, tussen aan de ene kant de roergangers met hun wereldbestormende Devil May Care-houding en aan de andere kant behoudende, voorzichtige kiezers met hun liefde voor de nhs. Dat op solidariteit gebaseerde zorgsysteem was voor Johnson en Cummings een tactisch middel om de Brexit voor elkaar te krijgen. Tijdens de coronacrisis is het beschermen ervan door middel van een drastische lockdown een blok aan het been gebleken voor de brexiteers.

Gedreven door paniek over het lot van zijn vrouw en zoontje was Cummings eind maart naar de familieboerderij in het Noord-Engelse Durham gevlucht, gebruikmakend van de kleine lettertjes in de door hem ontworpen lockdown. Deze vlucht werd ontdekt en leidde tot een mediarel, tot genoegen van het progressieve en eurogezinde deel van de natie. Normaal gesproken zou de topadviseur zijn ontslagen of opgestapt. Dat Johnson hem per se wilde houden en een daling van zijn populariteit voor lief nam, had een simpele reden: zonder Cummings zou de definitieve voltooiing van de Brexit moeilijk worden. Op 10 Downing Street heerste de overtuiging dat de openbaringen over Cummings alles te maken hadden met het frustreren van het Brexit-proces, deze keer door een uitstel te veroorzaken.

Dat laatste past bij een trend en zal de toon zetten voor de komende jaren. De invloed van het Brexit-sentiment bepaalt vrijwel elke politieke discussie. Dat is bijvoorbeeld zichtbaar bij de discussie over de hogesnelheidslijn tussen Londen en het noorden van het land. De meeste brexiteers vinden de honderd miljard euro die de lijn moet kosten weggegooid geld en balen ervan dat Johnson, een liefhebber van grote infrastructurele projecten, de verbinding met het noorden ondanks twijfels toch steunt. Hetzelfde geldt voor de Huawei-kwestie, waarbij de brexiteers de harde anti-China-lijn van Donald Trump volgen, en wederom teleurgesteld waren in hun blonde kopstuk.

Met een kamermeerheid van tachtig zetels lijkt de positie van Boris Johnson onaantastbaar. Maar schijn bedriegt. Boris is populair binnen de partij omdat hij verkiezingen weet te winnen en partijcongressen levendig maakt met geestige toespraken. Tegelijkertijd is hij, net als Cummings, geen partijman die binnen de eigen gelederen respect afdwingt en gevoelens van loyaliteit oproept. Nu het Lagerhuis door de lockdown geen theater is maar een rechtbank, is zichtbaar geworden hoe mager Johnsons optredens zijn en hoezeer hij afhankelijk is van het gejuich op de groene bankjes achter hem. Dat gejuich kan snel veranderen in boegeroep. Het was zijn held Winston Churchill die al eens opmerkte dat zijn gevaarlijkste vijanden in het parlement niet voor maar achter hem zitten.