Het juk van de liefde

De verhalen van Mensje van Keulen bieden een weinig rooskleurige visie op het verbond tussen man en vrouw. Maar in elk verhaal blijven ze het proberen…

Mensje van Keulen laat zien dat kinderachtigheid op alle leeftijden voorkomt © Annaleen Louwes

Met pijnlijke precisie en nauwelijks onderdrukte wanhoop tekende Mensje van Keulen in Neergang van een huwelijk: Dagboek 1977-1979 op hoe haar huwelijk met jeugdliefde Lon van Keulen langzaam erodeerde en uiteindelijk ineenstortte. De lovende ontvangst afgelopen februari zette Van Keulen ertoe aan haar rijke oeuvre, dat in 2014 werd bekroond met de Constantijn Huygens-prijs, door te spitten op verhalen over echtelijke ellende en die te bundelen. In al z’n eenvoud een briljant idee, want Huwelijksverhalen vormt een staalkaart van de manieren waarop man en vrouw elkaar het leven zuur kunnen maken. Naast haar debuutnovelle Bleekers zomer uit 1972 bevat Huwelijksverhalen elf verhalen uit vier bundels die tussen 1972 en 2009 verschenen. De chronologische ordening laat mooi zien hoe het schrijverschap van Van Keulen zich in de tussenliggende decennia heeft ontwikkeld. Het thema geeft deze bundel ook nog eens actuele relevantie: het verloop van de verhalen weerspiegelt hoe het huwelijk en de rolverdeling tussen man en vrouw in veertig jaar wel én niet zijn veranderd.

In de eerste vier verhalen, geschreven in de jaren zeventig, fileert Van Keulen typisch kleinburgelijke huwelijken met traditionele verhoudingen: de man is kostwinner, de vrouw bestiert het huishouden. Vanuit een 21ste-eeuws perspectief springt direct in het oog hoezeer de huisvrouwen beantwoorden aan het stereotiepe schrikbeeld van de man. Van Keulen liet in de jaren zeventig weten niet veel op te hebben met het feminisme, and it shows: de echtgenote terroriseert haar man met regels en eisen, ze zeurt en klaagt, ze is humorloos en lelijk.

Dat levert bij de vroege verhalen een ambivalente leeservaring op. In het openingsverhaal De vrouwen van Marius heeft de Marius in kwestie de wat achterbuurtige Dorie verlaten voor de keurige Tonia, maar inmiddels begrijpt hij niet meer waarom. Marius schildert Tonia zó onsympathiek af dat het de lezer heel makkelijk wordt gemaakt kritiekloos mee te gaan in zijn mannelijke geweldsfantasie een machinegeweer op haar leeg te schieten. Tegelijkertijd maakt de schrijfster met haar observerende kracht en humor de verstikking van de man meer dan voelbaar. Als Marius in zijn vlees een zeentje aantreft, durft hij het niet uit te spugen: ‘Het ding sleepte nu los door zijn mond. Eruit halen en laten zien dat het waar is? dacht hij voor hij het doorslikte. “Het was heerlijk”, zei hij.’

In Mensje van Keulens verbeelding blijft het heterohuwelijk gevangen in vreugdeloosheid

Met zulke toegeeflijkheid maakt Van Keulen van de mannen meelijwekkende wezens. Het zijn geconstipeerde slapjanussen, niet bij machte te ontsnappen aan hun saaie kantoorbaan. Terwijl ze rap aftakelen voelen ze zich door de spot van hun vrouw en kinderen in hun mannelijkheid aangetast. Maar hoe sneu en lachwekkend ze ook zijn, de macht van de waarneming ligt stelselmatig bij hen, en daar zit het venijn: vrouwen zijn monsters. Zo houden deze vroege verhalen op z’n minst een taai cliché in stand.

In de verhalen vanaf de jaren tachtig begint dat te verschuiven. Van Keulen trekt het perspectief steeds verder open en geeft de lezer nu ook inzage in de belevingswereld van vrouwen, wat de personages minder karikaturaal maakt. De verbeelde relaties worden veelvormiger, en daarmee wordt de problematiek interessanter. Zo neemt een vader zijn zoon mee naar zijn nieuwe, zelfstandige vriendin – het is het eerste verhaal waarin een man betrokkenheid toont bij zijn kind, wat het meteen des te ontroerender maakt. Een weduwe ontwikkelt een warme band met haar buurman, tot hij jaloers wordt op haar kat. Toegegeven, die heet dan ook Jan Willem, net als haar overleden echtgenoot. Met veel gevoel voor onderhuidse ergernis laat Van Keulen zien dat kinderachtigheid op alle leeftijden voorkomt. En aan de veelheid van meisjes waarin alleenstaande moeder Ella haar dochter uiteen ziet vallen, ‘uitgelaten, aanhankelijk, obstinaat, pips, ziek van god mag weten wat ze had gedronken of geblowd, huilend van liefdesverdriet, om een secreet uit haar klas of “gewoon om de wereld”, zwijgend, mokkend, aanbiddelijk’, is te zien hoe de vrouwen bij Van Keulen aan karaktereigenschappen winnen.

In het slotverhaal Laatste wens uit 2009 is de omwenteling ten opzichte van de jaren zeventig compleet. Hier is hoofdpersonage Kim een vrouw met complexe emoties en haar man Fabrice een volmaakt stereotype van de vlotte makelaar. Het is moeilijk voor te stellen waarom zo’n empathische vrouw met gevoel voor esthetiek is gevallen voor zo’n lomp figuur en ook nog zwanger van hem is geworden. Des te effectiever is het contrast tussen de leegheid van haar relatie en de geestverwantschap die ze voelt met de ongeneeslijk zieke buurman Rosier. Als ze hem samen een bezoekje brengen, kan Fabrice het niet nalaten Kim belachelijk te maken: ‘Van de week vroeg ze zich ineens af waar alle haren blijven. (…) Ik bedoel, wie denkt daar nou aan?’ Rosier blijkt haar wel serieus te nemen: ‘Ik vermoed dat al dat haar in zee terechtkomt, of het nu met de regen in een put wegspoelt of op de wind in een sloot of een rivier. Uiteindelijk belandt alles in zee.’ In een vier pagina’s tellende monoloog ontpopt Fabrice zich vervolgens tot wat we vandaag een boze witte man zouden noemen. Hij is materialistisch, seksistisch, anti-intellectueel en homofoob. We leven nu als lezer volledig met het perspectief van Kim mee, die bijkans flauwvalt bij het idee haar verdere leven met deze man te moeten doorbrengen, maar toch niet in staat is hem daadwerkelijk te verlaten. De klagende huisvrouw heeft plaatsgemaakt voor de reactionaire machoman; in Van Keulens verbeelding blijft het heterohuwelijk gevangen in vreugdeloosheid. Gefnuikte verwachtingen en sleur maken de liefde tot een juk.

Ook al bieden de verhalen een weinig rooskleurige visie op het verbond tussen man en vrouw, Van Keulens kraakheldere, lichte zinnen maken het nooit ondraaglijk. En uiteindelijk is het de bundeling zelf die hoop geeft, want in elk verhaal weer blijven ze het proberen: ‘Hij zocht haar hand. Een hele tijd lagen ze zo naast elkaar, omhoog kijkend in het donker, alsof zich ieder moment iets kon openbaren.’


Femke Essink is docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht en werkt aan een proefschrift over seksueel nationalisme in naoorlogse romans en de bewerkingen daarvan