Essay: De idealen van de Franse Revolutie anno nu

Het juk van de vrijheid

Van de idealen van de Franse Revolutie vieren we tegenwoordig vooral de vrijheid. Gelijkheid klinkt hopeloos ouderwets en met het ideaal van broederschap weten we ons geen raad. Dat is omdat we vrijheid zijn gaan associëren met loskomen van anderen.

Medium groene vrijheid 1

Voor de advocaat is vrijheid: ‘In een vliegtuig stappen naar een verre bestemming als ik dat wil.’ Voor het jongetje is vrijheid dat je zomaar in bomen mag klimmen. De postbode associeert vrijheid met de postduif. ‘Dat ik overal mag vliegen.’ Als je mensen vraagt wat vrijheid voor hen betekent krijg je heel verschillende antwoorden. Maar in die antwoorden zit wel een patroon. Vrijheid is bevrijd zijn van regels en bemoeizucht van anderen. Het is niet voor niks dat vrijheid makkelijk associeert met vliegen. Als je vliegt kom je los van het hier en nu, je laat alle banden los. Zo’n metafoor heeft een poëtische kracht. Toch is deze visie op vrijheid niet onschuldig. Het is een individualistische opvatting van vrijheid, waarin andere mensen al snel gezien worden als een bedreiging van de eigen vrijheid. In zo’n individualistische opvatting van vrijheid zijn we volledig verantwoordelijk voor ons eigen bestaan. Maximale vrijheid levert zo ook stress en faalangst op.

De Amerikaanse psycholoog Barry Schwartz geeft een prachtige illustratie van deze paradox van de vrijheid. Hij vertelt over de aanschaf van een nieuwe spijkerbroek. De keuze is duizelingwekkend. Hij kan kiezen uit talloos veel modellen (rits of knopen, raw denim of stone washed, slim fit, regular fit en ga zo maar door). Uiteindelijk koopt hij een broek die beter zit dan ooit tevoren. Toch is hij niet gelukkig. Omdat hij zoveel keuze had, is hij bang dat hij de perfecte broek heeft gemist. Wat overheerst is niet de winst ten opzichte van wat hij had, maar het verlies ten opzichte van wat hij had kunnen krijgen. Omdat we vrijheid goed vinden, zijn we gaan denken dat meer vrijheid altijd beter is. In zijn boek The Paradox of Choice laat Schwartz zien dat we van die toegenomen vrijheid niet gelukkiger worden. Het verlamt mensen.

De angst om de verkeerde keuze te maken speelt niet alleen bij triviale zaken als de aanschaf van een spijkerbroek. Het geldt ook voor het kiezen van een studie, het kiezen van een partner, het krijgen van kinderen. Het leidt tot uitstelgedrag. We willen alle opties open houden. Vrijheid is dan niet doen wat je wilt, maar de mogelijkheid open houden om later te doen wat je wilt. Maar dat later wordt steeds later. Wat zich hier wreekt is dat iets te kiezen hebben wordt gezien als vrijheid, maar gekozen hebben voelt als een verplichting. Dan zit je vast aan de gevolgen van je keuzes. Dan heb je een studie gekozen. Dan heb je een baan. Dan ben je getrouwd. Dan heb je kinderen. De vrijheid van vandaag is de verplichting van morgen.

Om te begrijpen hoe het kan dat vrijheid ook een last geworden is duiken we de geschiedenis in. Frits Bolkestein vertelt hoe hij bij vrijheid altijd moet denken aan het einde van de oorlog. Maar na de bevrijding van de Duitsers volgen nog vele bevrijdingen. In de jaren zestig en zeventig komen jongeren in opstand tegen de betutteling door ouders. Ze willen zich bevrijden van beknellende tradities en bekrompen moraal. Ze willen zich bevrijden van de bedilzucht van de gevestigde orde. Ze willen zich bevrijden zelfs van het arbeidsethos en van de commercie. Elke bemoeienis van buiten geldt als een inbreuk op de individuele vrijheid.

Een van de inspiratoren van dit radicale vrijheidsbegrip is Jean-Paul Sartre. Hij stelt dat als God niet bestaat de mens vrij is in de keuzes die hij maakt. Maar dat betekent ook dat de mens volledig verantwoordelijk is voor de gevolgen van die keuzes voor de hele mensheid. Hij moet daarom zijn vrijheid vertalen in actie voor de mensheid. Sartre wordt daarmee niet alleen een profeet van de revolutie, maar hij zadelt mensen ook op met een loodzwaar vrijheidsbegrip. Rutger Claassen, schrijver van Het huis van de vrijheid: Een politieke filosofie voor vandaag schrijft daarover: ‘We zijn geroepen vrij te zijn, dat is een enorme ervaring. Een ervaring van een bijna beangstigende leegte, want dat betekent ook dat we de schuld of de verantwoordelijkheid op niemand anders kunnen afschuiven. We zijn verantwoordelijk voor wat we van ons leven maken en we zijn dus ook zelf to blame.’

Het frappante is dus dat de filosoof van de revolutie met een groot geloof in de maakbaarheid van de samenleving ook een vrijheidsbegrip heeft gesmeed dat zich leent voor het geloof in de maakbaarheid van het eigen bestaan. Trudy Dehue, schrijver van De depressie-epidemie, vat het samen in de slogan ‘Succes is een keuze’. ‘Mensen vergeten alleen dat er iets achter de komma staat. Als succes een keuze is, is falen ook je eigen schuld.’ De groei van het aantal mensen met depressieve klachten heeft volgens haar te maken met de opkomst van dit loodzware vrijheidsbegrip. Mensen dreigen aan hun eigen hoge verwachtingen ten onder te gaan.

Zo hebben de creatieve jongeren uit de documentaire Alles wat we wilden van Sarah Domogala het ogenschijnlijk goed voor elkaar. Maar ondertussen worden ze geplaagd door paniekaanvallen en neerslachtigheid. Dehue heeft samen met haar studenten de documentaire bekeken. Een van de studenten zegt dat hij het wel herkent. Als hij zich vergelijkt met anderen doet hij het helemaal niet slecht. Hij is eerder gemiddeld. Maar dat stemt hem niet gerust. Integendeel. Gewoon gemiddeld zijn voelt eerder als een belediging dan als een geruststelling. Een medestudent valt hem bij: ‘Het gemiddelde is verworden tot de status van verliezer.’

Dit geloof in de maakbaarheid van het eigen bestaan gaat gepaard met een politieke ideologie waarin al het heil van de markt wordt verwacht. Het vrijheidsbegrip waarin de mens zich loszingt van zijn omgeving past ook wonderwel bij het idee van de homo economicus die alleen zijn eigen belang nastreeft. In de ideologie van de vrije markt is het zelfs goed dat mensen hun eigen belang nastreven. In het beroemde voorbeeld van Adam Smith bakt de bakker geen brood uit charitas, maar om daar zelf aan te verdienen. De onzichtbare hand van de vrije markt zorgt ervoor dat de mens in zijn streven om zijn eigen belang te dienen ook het algemene belang dient.

In deze politieke ideologie wordt elk ingrijpen door de overheid ook gebombardeerd tot ingreep in de vrijheid. Manipulaties door markt­partijen zoals reclame en psychologisch slimme verkooptechnieken, de verfoeide commercie waar de jongeren in de jaren zestig zich nog van wilden bevrijden, worden daarentegen niet langer gezien als een aanslag op de vrijheid van het individu. Ook contracten tussen ongelijkwaardige marktpartijen worden niet gezien als inbreuk van de vrijheid. Zo kregen medewerkers van Viva Thuiszorg de keuze tussen ontslag of het inleveren van een kwart van het salaris: van € 13,10 naar € 9,92 per uur. De vrije markt leidt zo gemakkelijk tot weinig winnaars en veel verliezers. Zo wordt vrijheid de vrijheid van de sterksten.

Dit verschil tussen de vrijheid van de sterksten en van de zwaksten wordt nog versterkt door de opstelling van de staat. Het individu dat volledig zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen lot wil geen last hebben van anderen. Na de bevrijding van de dictatuur en de bevrijding van de betutteling willen we nu worden bevrijd van de overlast van de vrijheid van anderen. De overheid moet dus repressief optreden tegen criminelen en lapzwansen. Een individualistische vrijheidsopvatting gaat zo naadloos over in een roep om repressie. De Franse socioloog Loïc Wacquant stelt dat de staat het karakter krijgt van een centaur, van de figuur met een menselijk bovenlijf en het onderlijf van een paard. Het menselijk hoofd predikt de vrijheid en ondertussen trappen de paardenbenen iedereen terug in zijn hok. Wie werkloos is mag gedwongen worden te werken met behoud van uitkering. Of zoals een schoonmaker in de documentaire zegt: ‘Vrijheid? Wij hebben geen vrijheid. Wij hebben straf.’

Om weerwerk te bieden aan de schaduwkanten van onze vrijheidsliefde, zoals de stress en de faalangst, de groei van de repressie en de grote verschillen in vrijheid tussen de maatschappelijk sterken en de zwakken, moeten we op zoek naar een andere vrijheidsopvatting. De filosoof Frithjof Bergmann koppelt vrijheid aan identiteit. Vrijheid is de mogelijkheid om je identiteit tot uitdrukking te brengen. Voor Bergmann is het zonneklaar wat de winst was van de emancipatie van homo’s en vrouwen. Het stelt ze in staat hun identiteit tot uitdrukking te brengen. Wat de winst is van een verruiming van de keuzevrijheid van spijkerbroekmodellen is minder duidelijk. Is dat hoe wij onze identiteit tot uitdrukking willen brengen?

Voor Bergmann is het openhouden van alle opties geen summum van vrijheid, maar een armoedige vrijheid. In de keuzes die je maakt, druk je namelijk je identiteit uit. Wie vrijheid koppelt aan identiteit neemt ook afstand van de individualistische opvatting van vrijheid. Mensen drukken juist hun identiteit uit door hun verbindingen met anderen. Ik ben vader. Ik ben lid van de vakbond. Ik ben vrijwilliger. Bij al die verbindingen horen ook regels en beperkingen, maar wie dat ziet als inbreuk op zijn vrijheid doet zichzelf te kort. Door een individualistische opvatting van vrijheid te verabsoluteren ontnemen mensen zich ook de vrijheid om samen met anderen te bepalen in wat voor land ze willen wonen. En daarmee komen we bij de andere idealen van de leuze van de Franse Revolutie: gelijkheid en broederschap.

De politicoloog Ruud Koole heeft wel eens gezegd dat socialisten liberalen zijn die het menen. Zij willen dat iedereen kan genieten van de vrijheid om het leven naar eigen inzicht in te richten. Gelijkheid is een voorwaarde voor vrijheid voor iedereen. Aanhangers van de vrije markt wimpelen dat weg met het argument dat ongelijkheid goed is voor de economie en dat daar uiteindelijk ook de mensen aan de onderkant van de samenleving van profiteren. Als er niks wordt verdiend, valt er ook niks te verdelen. Internationaal vergelijkend onderzoek laat echter zien dat dit kul is. Er is geen verband tussen de mate van inkomensongelijkheid en economische groei. Landen met een beperkte inkomensongelijkheid zoals Japan en de Scandinavische landen doen het helemaal niet slechter dan landen met een grote inkomensongelijkheid zoals de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Portugal. Toch houden aanhangers van de vrije markt nog steeds vol dat van meer vrijheid en meer ongelijkheid uiteindelijk ook de armen profiteren. De recente geschiedenis in de Verenigde Staten laat een ander beeld zien. De vruchten van de economische groei zijn voor een buitenproportioneel deel bij de rijken terechtgekomen. Zelfs Frits Bolkestein geeft toe dat de ongelijkheid in de Verenigde Staten contraproductief is geworden.

Het is zeker waar dat een economie met volledige gelijkheid slecht is voor de motivatie van de burgers en daarmee slecht is voor de economische groei. Maar het is een denkfout om daaruit te concluderen dat meer ongelijkheid leidt tot meer economische groei. De econoom Ha-Joon Chang, auteur van 23 Things They Don’t Tell You about Capitalism, vergelijkt de ongelijkheid van de vrije markt met zout. Een beetje zout is gezond, maar meer zout is niet beter en onbeperkt zout is zelfs dodelijk ongezond.

De economische voordelen van ongelijkheid zijn dus een mythe, de sociale nadelen zijn daarentegen uiterst reëel. De Britse epidemiologen Richard Wilkinson en Kate Pickett hebben wereldwijd cijfers verzameld over zaken als de levensverwachting, tienerzwangerschappen, moorden, obesitas en onderwijsprestaties in verschillende landen. In hun boek The Spirit Level laten ze zien dat die steeds een vergelijkbare uitkomst hebben. De Scandinavische landen en Japan doen het goed. De Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Portugal doen het beroerd en de andere Europese landen zitten daartussenin. Hoe kan dat? Volgens Wilkinson en Pickett geeft de mate van inkomensgelijkheid de doorslag.

Die conclusie is politiek explosief. Jaar in, jaar uit blijkt namelijk uit peilingen van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat we extreem veel waarde hechten aan gezondheid, veiligheid en onderwijs. Wat te doen als een gelijke inkomens­verdeling bijdraagt aan onze gezondheid, onze veiligheid en ons onderwijs? Criticasters van de Britse epidemiologen hebben beweerd dat niet de inkomensverdeling, maar de cultuur van de verschillende landen de doorslag geeft. Wilkinson en Pickett weerleggen die kritiek. De cultuur in Portugal en Spanje is vergelijkbaar, toch scoort Portugal (met een grotere inkomensongelijkheid) slechter dan Spanje. De cultuur van de Scandinavische landen is totaal verschillend van die van Japan. Toch scoren ze in alle statistieken goed omdat het landen zijn met een relatief gelijke inkomensverdeling.

Volgens Wilkinson en Pickett heeft de desastreuze uitwerking van inkomensongelijkheid op ons sociaal welzijn alles te maken met status. Mensen met een lage status voelen zich slecht en presteren beroerd. Een schrijnende illustratie van dit effect is het bruine-ogen-blauwe-ogen-experiment van Jane Elliott. Zij trok de ene dag kinderen met blauwe ogen voor. Het effect was groot. Kinderen met blauwe ogen gingen beter presteren. Kinderen met bruine ogen voelden zich beroerd. Daarna draaide ze het om. Nu kregen de kinderen met bruine ogen allerlei privileges. In één klap sloegen ook de onderwijsprestaties om. Nu deden kinderen met bruine ogen het beter. Wat in het klein gebeurt in het klas­lokaal van Elliott gebeurt in ongelijke samenlevingen in het groot. Wie laag in de pikorde staat, krijgt een lage eigendunk en een slechte gezondheid. Volgens Wacquant geldt voor de Verenigde Staten ook dat in de getto’s alle publieke voorzieningen van een slechter niveau zijn. Als we echt hechten aan gezondheid, veiligheid en onderwijs moeten we ons daarom niet laten aanpraten dat meer ongelijkheid heilzaam is.

Het gekke is dat veel mensen ook niet willen leven in een ongelijke samenleving. De Amerikaanse filosoof John Rawls heeft een mooi gedachte-experiment verzonnen om mensen te laten kiezen voor de gewenste samenleving. Hij noemt het de sluier van onwetendheid. Stel dat je niet weet wat voor positie je inneemt in een maatschappij. Je weet niet of je gezegend bent met talent en of je wordt geboren in een rijk of een arm gezin. In wat voor maatschappij zou je dan willen leven? De Israëlische psycholoog Dan Ariely heeft het experiment met de sluier van onwetendheid duizenden malen uitgevoerd. Het legde mensen de keuze voor tussen een samenleving met de Amerikaanse en met de Zweedse inkomensongelijkheid. Maar liefst 92 procent van de Amerikanen kiest voor de gelijkere Zweedse verdeling.

De inkomensongelijkheid in Nederland is zeker in vergelijking met de Angelsaksische landen beperkt. Volgens de socioloog Herman van de Werfhorst is de inkomensongelijkheid in de tweede helft van de jaren tachtig fors toegenomen, maar is die daarna stabiel gebleven. De laatste jaren lijkt de inkomensongelijkheid weer toe te nemen. Gezien het onderzoek van Wilkinson en Pickett is het de vraag of dat wenselijk is. Maar we moeten niet alleen waken voor een toename van de inkomensongelijkheid. Als de schoonmakers staken, eisen ze niet alleen een hoger loon, maar ook respect. Nu is respect een veel misbruikte term. Toch is het een begrijpelijke hartenkreet. In het boek De beste de baas schetsen Evelien Tonkens en Tsjalling Swierstra de achterkant van de meritocratie waarin we leven. Het is beter dat maatschappelijke posities worden verdeeld op basis van verdienste en niet op basis van afkomst. Maar als we in een perfecte meritocratie zouden wonen, heeft dat wel effect op het zelfrespect van de verliezers. Zij zijn gewogen en te licht bevonden. Ze hebben geen pech gehad, ze hebben gefaald. Het is daarom wenselijk dat economische verdienste niet de enige bron van erkenning en zelfrespect is. Respect kun je niet alleen krijgen door een hoger loon, maar ook door zeggenschap op het werk. Erkenning kun je ook krijgen door je buiten je werk in te zetten voor de samenleving. Hoe meer bronnen van zelfrespect er zijn, hoe minder scherp de maatschappelijke verschillen worden gevoeld.

Een voorwaarde voor zo’n keuze voor meer gelijkheid is wel dat we ons met elkaar verbonden voelen. En zoals we hebben gezien is dat met onze keuze voor een heel individualistische opvatting van vrijheid lastig. Waarom zouden we ons om elkaar bekommeren? Veel mensen denken dat geloven in broederschap naïef is. Mensen zijn toch egoïstische wezens die alleen hun eigen belang nastreven? Nieuwe wetenschappelijke inzichten leren ons dat dit beeld niet klopt. Een goed experiment om dat te laten zien is het zogenoemde ultimatumspel. In dit spel krijgt een speler honderd euro. Hij moet een deel van dit geld aan speler B geven. Als speler B accepteert wat hem wordt aangeboden, mag A de rest houden. Zo niet, dan krijgt niemand iets. De economische theorie leert ons dat A maar een fooi aan B hoeft te geven. Een fooi is immers beter dan niks en dus zal B dat bedrag accepteren. In de praktijk geeft niemand een heel laag bedrag. Mensen accepteren dat ook niet. Ze leveren liever zelf wat in om anderen te straffen voor hun asociale gedrag. Alleen economie­studenten geven beduidend minder. Dat komt doordat zij zich de wereldvreemde veronderstellingen van de economie hebben eigengemaakt. Mensen denken dus niet alleen aan hun eigen belang. Maar wat betekent dit voor broederschap? Mensen zijn groepsdieren. Hersenonderzoek laat zien dat mensen pijn ervaren als ze worden uitgesloten. Dat onderzoek laat ook zien dat sociaal gedrag besmettelijk is. Als anderen aardig zijn, zijn wij het ook. Dat betekent niet dat broederschap vanzelf ontstaat.

De psycholoog Arjaan Wit doet al zijn hele leven onderzoek naar sociaal gedrag. De inspiratie voor zijn onderzoek put hij uit het Groningse dorp Huizinge. Als student psychologie kwam hij daar vaak. In de winter van 1979 sneeuwde het dorp onder. De elektriciteit viel uit. In de smederij stond een generator. Die heeft de smid toen op het net aangesloten. Maar als te veel mensen tegelijk stroom aftapten, kon de generator het niet aan. Iedereen wist dat als er te veel stroom gebruikt zou worden niemand meer stroom had. Toch hielden zelfs in zo’n klein dorp als Huizinge mensen zich niet aan de afspraak om maar één lamp te laten branden. Herhaaldelijk dreigde de stroom uit te vallen. Vrijwilligers in het dorp liepen dan rond om de overtreders tot de orde te roepen. Maar na een paar dagen was iedereen gewend en functioneerde het nieuwe regime goed. Wit heeft later experimenten gedaan die de situatie in Huizinge nabootsen. Mensen mogen uit een pot geld pakken, maar als er te veel uit de pot wordt gepakt, krijgt niemand iets. De meeste mensen stellen zich sociaal op. Maar mensen overschatten snel wat er in de pot zit en wat zij kunnen nemen. Niet alleen goed gedrag blijkt besmettelijk te zijn, slecht gedrag ook. Zodra mensen vermoeden dat anderen de boel flessen, zijn ze ook niet meer bereid om zichzelf sociaal op te stellen.

Deze uitkomst is van groot belang voor de inrichting van de samenleving. In een grootschalige, bureaucratische organisatie als de samenleving overheerst eerder het wantrouwen dan het vertrouwen. Dat is dubbel schadelijk voor het gevoel van verbondenheid. Mensen hebben het idee dat de onpersoonlijke instituties geen recht doen aan hun omstandigheden en vrezen dat anderen erin slagen misbruik te maken van de voorzieningen. Het is daarom noodzakelijk om het potentieel voor broederschap op een andere manier te mobiliseren. Het is moeilijker om vertrouwen te hebben in vreemden dan in mensen die je kent. Een beroep op broederschap werkt daarom niet in grootschalige verbanden. Dat leert ook het voorbeeld van het Broodfonds. In zo’n fonds hebben twintig tot vijftig kleine zelfstandigen zich verenigd. Ze sparen allemaal ongeveer zeventig euro per maand. Wie door ziekte niet kan werken, krijgt geld van het spaargeld van iedereen. Omdat mensen elkaar kennen wordt er niet snel misbruik van gemaakt. De bureaucratische, juridische controle van grootschalige instellingen wordt ingeruild voor sociale controle. De bereidheid om iets voor elkaar te doen neemt dus toe in kleinschalige verbanden.

Net als vrijheid en gelijkheid heeft ook broederschap een schaduwkant. Het kan leiden tot dwingend conformisme en uitsluiting van andersdenkenden. De neiging om vooral iets over te hebben voor mensen die je kunt vertrouwen en die op je lijken kan ontaarden in groepsvorming. De broederschap wordt dan gevoed met vijandschap tegen buitenstaanders. Het is de harde achterkant van de onderlinge solidariteit. Het is daarom van belang om geen van de idealen te verabsoluteren. Opgelegd conformisme tast de vrijheid aan. Vijandsdenken tast de gelijkheid aan. In de Franse Revolutie was ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ daarom één leuze. Het ene ideaal kon niet zonder het andere. Het gaat altijd om het streven naar een balans tussen de drie idealen. Maar vandaag de dag is een individualistische opvatting van vrijheid dominant. Dat is ten koste gegaan van gelijkheid en broederschap. Zo hebben we een samenleving gecreëerd waar vrijheid leidt tot stress, faalangst en wantrouwen. Waar vrijheid vooral de vrijheid van de sterksten is. Waar gelijkheid wordt gezien als een overbodige luxe en waar broederschap iets is voor naïeve sukkels. Het is ook een samenleving die op gespannen voet staat met de menselijke aard, want mensen zijn groepsdieren. Wat we met onze individualistische vrijheids­opvatting ook opgeven is het idee van een collectieve lotsbestemming. We zien onszelf als meester over ons eigen bestaan, maar beschouwen de wereld als een onveranderlijk gegeven. Dat is een enorme vrijwillige beperking van onze vrijheid. Het moet daarom mogelijk zijn om een samenleving te creëren met meer vrijheid, gelijkheid en broederschap. Een samenleving waarin mensen beseffen dat ze anderen nodig hebben om te worden wie ze willen zijn.


Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap

Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap is een documentaire-drieluik van Kees Schaap, Maarten van den Heuvel en Pieter Hilhorst. In gesprekken met economen (Robert Frank, Ewald Engelen, Esther Mirjam Sent, Sweder van Wijnbergen), psychologen (Dan Ariely, Barry Schwartz, Trudy Dehue, Arjaan Wit, Kilian Wawoe), een cultuurpsycholoog (Jos van der Lans), epidemiologen (Richard Wilkinson en Kate Pickett), hersenwetenschappers (Margriet Sitskoorn, Christian Keysers) en publicisten (Frits Bolkestein en Elsbeth Etty) wordt de actuele betekenis onderzocht van de idealen van de Franse Revolutie. De gesprekken worden geïllustreerd met wetenschappelijke experimenten, historische archiefbeelden en fragmenten uit reclames en televisie­programma’s. Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap: 18, 19 en 20 april op Nederland 2, na Nieuwsuur.