Historisch archief belicht

Het kaartenhuis stort in

‘De fundamenten van de beurs hebben geschud, de muren dreunden, terwijl de topgevel onder het krachtigste geweld is bezweken. (…) Als een kaartenhuis is het koerspeil van de voornaamste aandelen ineengestort.’

Dit citaat slaat niet op de paniek op de financiële markten van de laatste weken. Die minicrisis maakt wel nieuwsgierig naar hoe de moeder aller economische crises ook al weer begon. Een week na Zwarte Donderdag (24 oktober 1929) waagde C.A. Klaasse zich in De Groene Amsterdammer aan een eerste analyse.

Het was al langer bekend dat de aandelenkoersen veel hoger stonden dan gezien hun onderliggende waarde gerechtvaardigd was. Klaasse spreekt heel modern van ‘zeepbellen’ en ‘fancy-fondsen’. Vrijwel niemand die zich nog om het werkelijke rendement van een bedrijf bekommerde. De beursjongens brachten elkaar het hoofd op hol met verhalen over een nieuwe economie waarin andere spelregels golden, over hippe uitvindingen met onbegrensde mogelijkheden. En er werden investment-trusts opgericht - ‘gokmaatschappijen’ in de woorden van Klaasse.

Over de toekomst betoonde de auteur zich gematigd optimistisch. Van een echte crisis was geen sprake, maar ‘de mentaliteit voor een hausse-beweging is er wel uitgeranseld’. ‘Komen er geen economische of financieele tegenvallers, dan is het ergste wel geleden.’ De gevolgen van de Grote Depressie zouden nog tot diep in de jaren dertig merkbaar zijn.

***

Bezoek het historisch archief van De Groene Amsterdammer en blader door de eerste 64 volledige jaargangen, van 1877 tot en met 1940. http://193.67.146.137/dga/