Het kaasplankje voorbij

Waarom schrijft een vader over zijn scheiding? Soms als zelfonderzoek, en om orde te vinden in een wereld die om hem heen instort. Soms om zijn versie van de werkelijkheid te presenteren.

Medium d d 14 gescheiden mannendef

Bij boeken over scheidingen is het altijd een beetje alsof je aanschuift bij een familiediner. Ineens zit je midden in een krachtenspel waar onder elk grapje een bermbom schuilt, waar blikken kunnen doden en elk moment het servies over de tafel kan vliegen. Je weet niet precies met wie je nu moet sympathiseren. Dat je tot aan het nagerecht blijft zitten, komt door een mengsel van huiver en platte nieuwsgierigheid.

Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief en ontvang iedere ochtend het beste uit De Groene in je mailbox

Door vrouwen is best veel over echtscheidingen geschreven – recent werd hier Ik nog wel van jou van Elke Geurts besproken – maar deze maand verschenen er twee boeken vanuit het relatief nieuwe perspectief van gescheiden mannen en vaders.

Het zijn twee totaal verschillende werelden, die van Henk van Straten (1980) en Hans Boland (1951), al is het vertrekpunt hetzelfde: allebei verlaten ze een vrouw, die de moeder van hun kind of kinderen is. Maar zoals het overbekende citaat zegt: ‘Een ongelukkig gezin is altijd ongelukkig op zijn eigen manier.’ Boland kan het weten; hij vertaalde vorig jaar Tolstoj’s Anna Karenina.

Nu publiceert hij Vaderinstinct, een vertelling in briefvorm – sterk autobiografisch, naar ik begrijp – waarin hij aan zijn kleinzoon vertelt over zijn scheiding. Ergens in de flowerpowerjaren trouwt hij als twintiger met een vriendin die een kind van hem wil. Hij stemt in, al is hij overwegend homoseksueel. Het kind – in het boek ‘Domenico’ genoemd, een zondagskind – wordt geboren. Dan volgt een pijnlijke vechtscheiding, waarna hij zijn zoon en zijn latere kleinzoon uiteindelijk niet meer te zien krijgt.

De dertig jaar jongere Van Straten zit er nog middenin. In Berichten uit het tussenhuisje doet hij live verslag van de dagen na zijn scheiding. Zijn twee zonen slapen drie nachten bij hem in zijn krappe ‘tussenhuisje’. Intussen geeft hij zich over aan Tinder-dates, seks, drank, drugs. Hij gaat skateboarden, thaiboksen. En hij publiceert columns in een vrouwenblad, over die scheiding. Gloeiend heet materiaal is het nog, wat hij nog versterkt door Facebook-reacties op die columns onder de scènes op te nemen (‘hoe zielig kun je zijn, van straten’).

Waar Boland een verleden beschrijft dat, althans voor een deel, gestold is, en waarin dus langere lijnen in aan te brengen zijn, spatten bij Van Straten de onrust en de wanhoop bijna van elke pagina. Dat levert scènes op waarbij je je adem inhoudt terwijl ze toch heel alledaagse gebeurtenissen kunnen beschrijven. Een bezoek aan de pizzeria met ‘de jongens’, of hoe hij in z’n eentje een kasteel van goudblokken zit te maken in Minecraft, op de computer: ‘Wacht maar tot hij dit ziet, dacht ik, in het donker, in de stilte, in mijn tussenhuisje.’

In het schetsen van dit soort emotioneel geladen taferelen, met een minimum aan woorden, excelleert Van Straten als geen ander. Een sinterklaasavond, nog één keer met de ex, in het bungalowhuisje waar zijn vader tijdelijk zit (want ook die zit in de ellende): drie alineaatjes zijn het, maar de stemming grijpt je naar de strot: ‘De jongens stuiterden: hun vader en moeder waren samen, de scheur leek gedicht; ze merkten geen verschil. Mijn vrouw en ik keken elkaar aan, vertederd door de jongens, moe en labiel met onze drankjes in de hand. Het was niet dat we een toneelstukje speelden. We hadden simpelweg de energie niet om iets anders te doen of te zijn dan we gewend waren.’

Dat boek van Van Straten, ik heb het gelezen zoals je stapvoets langs een verkeersongeval rijdt. Met ingehouden adem, geschokt, en toch ook gefascineerd. Hoofdschuddend vaak. Ach jongen toch, zuchtte ik soms, terwijl ik hem niet persoonlijk ken. Geen moment heb ik me trouwens afgevraagd of ik wel literatúúr aan het lezen was. Ik weet het nog steeds niet echt.

‘De jongens stuiterden: hun vader en moeder waren samen, de scheur leek gedicht; ze merkten geen verschil’

Door het naast Boland te leggen valt op dat Van Stratens boek minder richting heeft, minder gecomponeerd is. Het is vooral een aaneenrijging van zulke alledaagse miniaturen, getoonzet in die eigenzinnige blues. Boland schrijft met meer afstand, en ook met meer richting, in een stijl die veel meer bewerkt is. Welgevormde zinnen, goede zinnen, in een soort quasi-nonchalance waar gaandeweg steeds meer woede onder opvlamt. ‘Koud was ik het huis uit of ze werd smoorverliefd op een Eenumer automonteur. Aansluitend kreeg ze een verhouding met een jongeman uit Beilen, die voordien een kortstondige verhouding met mij had gehad.’

Als hij bij haar is weggegaan, schrijft hij: ‘Nooit had ik kunnen vermoeden dat mijn maatje zo desastreus zou reageren als ze deed. Ze kon niet zonder mij, beweerde ze. Als ik wegging zou ze een eind aan haar leven maken, bezwoer ze me in tranen. Dat ordinaire dreigement nam de laatste twijfel over de juistheid van mijn besluit weg.’

Ik moest grinniken bij dat laatste zinnetje. Gelijk heb je, dacht ik. Maar ook: wat een zak eigenlijk. En toch kreeg ik met hem te doen. Die ambiguïteit is tekenend voor de hele indruk die de verteller op me maakte. Vanuit literair oogpunt is zo iemand natuurlijk een geslaagd personage. Ergens bewonder ik hoe strikt hij een specifiek type eergevoel hanteert, en tegelijkertijd zie ik hoe hem dat steeds in botsing brengt met zijn omgeving. Hij deed me soms wat denken aan Bolands leeftijdgenoot Geerten Meijsing.

Bijvoorbeeld als hij halsoverkop uit Athene terugkeert omdat het onderwijs van zijn zoon Domenico tekortschiet. De moeder had hem op een modieus nieuw schooltype gedaan, ‘een uitwas van de common non-sense en de vertrossing die sinds de jaren zeventig als griezelvirus om zich heen greep’. Dat ging hij wel even ‘persoonlijk bijspijkeren’, waarna de jongen ineens alles wist van Franse geslachten, enkel- en meervoud, uitgangen, ‘werkwoordsvervoegingen inclusief de subjonctief en wat dies meer zij’. Zijn cijfers schoten omhoog. ‘Na de kerstvakantie gingen we over op Macbeth.’

De sukkels, dat zijn bij Boland de anderen. Hij heeft het morele en het intellectuele gelijk aan zijn zijde en is vooral slachtoffer. Zijn eigen aandeel in het conflict analyseert hij nauwelijks. Werkelijk pijnlijk, gênant ook, wordt het in de laatste twintig pagina’s, die een brief aan de schoondochter vormen, alleen ‘formeel’ aan haar gericht, ‘omdat ik met jouw gevoelens geen rekening hoef te houden: dat recht heb je al lang verspeeld’. We zijn, aan dit familiediner, inmiddels ver voorbij het kaasplankje. Boven de lege flessen buldert de slotzang: ‘Je hebt je man geen vader, je zoon geen grootvader gegund. Je hebt ze geestelijk misbruikt met als excuus het lichamelijke misbruik dat er van jou als kind was gemaakt. Daarmee heb je een enorme schuld op je geladen. Mij zul je niet om vergeving vragen, en dat zal me worst wezen.’

Juist, dit is een mooi moment om maar eens op huis aan te gaan, en op je tenen het boek uit te stappen. Dank voor de gastvrijheid. Prettige voortzetting nog.

Van Straten is bijkans het volstrekte tegendeel hiervan. Vanaf de dag van de scheiding twijfelt hij aan zichzelf. Wat bezielde hem toch om meteen na de scheiding columns erover te gaan schrijven in een vrouwenblad? ‘Ik leefde in een waas van zinsbegoocheling. Daardoor was ik in staat tot het schrijven over mijn leven. Al kan ik niet uitsluiten dat ik gewoon een opportunistische klootzak ben.’

Waarom schrijven gescheiden vaders boeken? Bij Van Straten krijg je de indruk dat het allemaal zelfonderzoek is, een haast manische drang om iets van orde te vinden in een wereld die om hem heen instort. Dat lukt nooit echt. Hij zit nog te dicht op de gebeurtenissen om echt inzicht te krijgen in de structuur van zijn gedragingen en verslavingen. En soms zinkt hij weg in zelfbeklag. Maar hij weet, in zijn val, wel de juiste levende details, de veelzeggende momenten te registreren. Zoals, ik kan het citeren niet laten, alweer over zijn zoons: ‘Toen zijn jongste broertje voorbij kwam rennen, achter een nieuw vriendinnetje aan, gaven we elkaar een blik. Zo van: kijk die kleine nou. Ik besefte dat de aard van mijn vaderschap was veranderd. Alweer.’

Bolands motief is niet het zelfonderzoek, maar het presenteren van zíjn versie van de werkelijkheid. In zijn geval: het onrecht. Bij zulke onomwonden autobiografische boeken (zowel Henk als Hans heeft er op die manier in interviews over gesproken) besef je ook dat er minstens één ander verhaal is dat ongelezen blijft. Dat van de gescheiden partner. Onvolledigheid en eenzijdigheid is inherent aan dit genre. Misschien is dat waarom ik hier zo aarzel om ze puur met literaire, stilistische of compositorische toetsstenen te benaderen.

Stel je eens voor, begon ik me af te vragen, dat deze auteurs allebei een echte, fictieve, roman hadden gemaakt van hun autobiografische materiaal. Van Straten zou dan wellicht gedwongen zijn om er een krachtigere narratieve lijn in aan te brengen, het met verbeeldingskracht net iets verder boven het particuliere drama uit te tillen. En Boland had de indruk van ongeremde rancune kunnen vermijden, door meer afstand tot zijn personage, en meerdere perspectieven op deze tragedie te laten zien.

Waarschijnlijk kon ik dan veel moeilijker vaststellen welk van die twee boeken ik nu het sterkste vond.