Het kabaal van 200 surinaamse grijsaards

Vanuit haar deurpost houdt een blank dametje de gang van het Haagse rusthuis Transvaal nukkig in de gaten. Een meute druk pratende zwarte bejaarden begeeft zich naar het ontmoetingscentrum. Daar wacht hen de Havan, een viermaandelijks Hindoestaans feest waarin boze geesten worden verdreven.

De toeters en bellen liggen al klaar. Terwijl de geur van wierook het hele bejaardentehuis vult, werpt de pandit, een heilige Hindoestaan, zijn offerande van kruiden en chrysanten naar Vishnu. Terwijl de Nederlandse bewoners zich schuw verbergen, pakken tweehonderd Surinaamse grijsaards hun muziekinstrumenten, maken een hoop kabaal en werpen zich op het eten dat overal hoog ligt opgetast. Ze vieren feest.
Autochtoon Frits Rijsemus, directeur van Transvaal, staat er bij te glunderen. Hij zet zich sinds zes jaar nadrukkelijk in voor de Surinaamse ouderen in Den Haag. ‘Dit bejaardentehuis staat in een oude volksbuurt die in de loop der jaren verpauperde. De traditionele bevolkingsgroepen vertrokken en nu wonen er veel Surinamers. Ik ben van mening dat je de cultuur van een bejaardentehuis moet aanpassen aan de cultuur van de buurt.’
De integratie van de Surinaamse bejaarden in Transvaal verloopt niet vlekkeloos. Veel blanke bewoners klagen dat het huis te 'zwart’ wordt en dat de Surinamers door de directie worden voorgetrokken.
Dat heeft veel te maken met het door Frits Rijsemus opgezette project Dagvoorziening voor Oudere Surinamers (DOS). Hij merkte dat er onder de Surinaamse bejaarden uit de Transvaalbuurt die liever thuis blijven wonen, grote behoefte bestond aan een ontmoetingscentrum waar ze kunnen kaarten, sjoelen, kletsen en feest vieren. De ruimte die hiervoor in het tehuis werd gecreëerd, blijkt met gemiddeld veertig bezoekers per dag een doorslaand succes te zijn. De omgang met de blanke bejaarden blijft echter beperkt.
'Ze zeggen dat het hier zo rommelig is’, vertelt Rijsemus. 'Iedereen loopt maar door elkaar en men geeft het ene feest na het andere, waarbij soms wel tweehonderd Surinamers over de vloer komen. Tja, dat feestelijke zit nu eenmaal in hun cultuur. Surinamers vieren hun verjaardagen het liefste heel uitbundig met zijn allen tegelijk. En wanneer er eentje op sterven ligt, zitten er al snel zo'n dertig mensen permanent in een kamer. Maar moet ik dat dan gaan verbieden? Daar heeft iedereen gewoon rekening mee te houden.’
Het onderscheid tussen de Nederlandse en de Surinaamse ouderen in Transvaal blijkt duidelijk uit een rondgang langs hun kamers. Waar bij de Nederlandse bejaarden gehaakte kleedjes en zuinig watergegeven geraniums de sfeer bepalen, staan de kamers van de Surinamers voornamelijk vol met stoelen. Wie hier op gaat zitten wordt direct volgestopt met overal uit het huis aangesleepte exotische hapjes en drankjes.
Op een van die stoelen zit de gebitloze, maar nog lang geen tachtigjarige mevrouw Biharie. Ze heeft het wel naar haar zin in Transvaal. 'Al die ouwetjes die hier wonen, zijn vriendinnen van me.’ Ook de Nederlandse vrouwen? 'Nee, die niet.’