Wel of niet praten met salafisten?

Het kaf van de koran scheiden

Jozias van Aartsen wilde als interim-burgemeester van Amsterdam in gesprek blijven met salafistische organisaties, terwijl huidig burgemeester Femke Halsema dat juist niet wil. Is de orthodoxe moskee een buffer tegen geweld of juist het voorportaal ervan?

Katrien Mulder / HH © Amsterdam, 18 november 2017

De Groene Live #24: IS-strijders na de val

24 februari 20:00, Pakhuis de Zwijger, Piet Heinkade 179

Het kalifaat is verslagen, maar wat moet er gebeuren met Europese IS-strijders? Hoe verhouden burgerschap, de rechtsstaat en mensenrechten zich tot elkaar in hun terugkeer?

Aanmelden

Afgelopen zomer laaide in Amsterdam de discussie over het salafisme op. Interim-burgemeester Jozias van Aartsen stelde dat de meeste salafisten niet gewelddadig zijn, sommige jongeren uit de stad vinden juist houvast in orthodoxe gebedshuizen. ‘Dat moeten we accepteren en we moeten hun de hand reiken’, zei hij in de gemeenteraad. De kleine groep gewelddadige extremisten moet bestreden worden, maar met conservatieve moslims die niks met geweld te maken willen hebben moet de lokale overheid juist in gesprek blijven.

Een paar maanden later nam zijn opvolgster Femke Halsema een tegenovergestelde positie in. In haar brief aan de gemeenteraad schreef ze dat ze zich zorgen maakt over het groeiend aantal salafistische moskeeën in de stad. Een groot deel daarvan zet aan tot haat, onverdraagzaamheid en afzondering en probeert de vrijheid van anderen in te perken. Het is onwenselijk deze organisaties of de achterban daarvan de hand te reiken. Laat staan met hen samen te werken. Op die manier biedt men deze groepen een platform, legitimeert men de geloofsleer en helpt men deze verder te verspreiden.

Het is een oude maar relevante discussie: hoe moet de overheid zich verhouden tot groeperingen die er opvattingen op nahouden die op gespannen voet staan met de rechtsstaat en heersende normen? In de context van islamitisch geïnspireerde terreur en het vertrek van ongeveer driehonderd jongeren naar Syrië is de discussie beladener geworden, maar ook relevanter. Moet de overheid met niet-gewelddadige extremisten de dialoog aangaan om verdere radicalisering te voorkomen, omdat juist zij gezag zouden hebben onder bepaalde jongeren, of moet ze de banden verbreken om verdere verspreiding van deze ideologie te voorkomen? De orthodoxe moskee als bastion of als bindmiddel? Voorportaal van of buffer tegen geweld?

Wat opviel bij de discussie die na de brief van burgemeester Halsema volgde, was dat het vooral ging over het vermeende gevaar van het salafisme. Een ideologische discussie over het salafisme is belangrijk, maar die blijkt tegelijkertijd notoir ingewikkeld te zijn. Iedereen die het wetenschappelijke debat over het salafisme in Europa een beetje gevolgd heeft, weet dat er absoluut geen consensus is over de aard, omvang en dreiging daarvan. Bovendien, er is meer. Hoe kan de lokale overheid zich verhouden tot een groep die afwijkt van de norm in een context waarbij er verschillende veiligheidsaspecten spelen? Wat zeggen ervaringsdeskundigen over de rol die religie speelt bij processen van radicalisering? En over de mogelijke rol die moskeeën kunnen spelen bij de bestrijding daarvan? Welke aspecten zijn relevant bij het nadenken over de contacten die lokale overheden zouden kunnen hebben met orthodoxe islamitische centra? Oftewel: wanneer reik je salafistische jongeren en de organisaties waartoe zij zich aangetrokken voelen de hand en wanneer weiger je die juist? Deze vraag is uiteraard ook omgekeerd relevant, bekeken vanuit de moskeeën.

Ik maakte de afgelopen twee maanden een rondgang langs verschillende plekken. Wat daarbij opviel is de enorme verkramptheid waarmee er, in ieder geval in Amsterdam, over dit thema gesproken wordt. Of beter gezegd, niet over gesproken wordt. De recente gebeurtenissen waarbij het Amsterdamse anti-radicaliseringsbeleid vol in de schijnwerpers is komen te staan hebben diepe sporen achtergelaten bij zowel de lokale overheid als de gemeenschappen. Ondanks herhaalde verzoeken weigerden veel (stadsdeel)ambtenaren, beleidsuitvoerders, politiemedewerkers, moskeebestuurders, imams en jongeren hierover met mij in gesprek te gaan, zelfs niet geanonimiseerd. Het was niet dat men het belang van het onderwerp niet inzag, integendeel, maar het risico werd te groot geacht zelf expliciet onderdeel te worden van het gepolitiseerde debat.

Op basis van gesprekken met mensen die soms iets verder af staan van de Amsterdamse context of daar in het verleden actief in zijn geweest, is het uiteindelijk toch mogelijk wat licht te laten schijnen op de complexe, wantrouwige en politieke wereld van het Amsterdamse anti-radicaliseringsbeleid. Een belangrijke vraag daarbij is welke rol salafistische moskeeën daarin spelen, of misschien zouden moeten spelen of juist helemaal niet.

De Nederlandse veiligheidsdiensten omschrijven het salafisme als een verzamelterm voor verschillende fundamentalistische stromingen binnen de soennitische islam, die streven naar wat zij de ‘zuivere islam’ noemen. Salafisten grijpen terug op een geïdealiseerd islamitisch verleden op basis van een letterlijke lezing van de religieuze bronnen. De stromingen kennen duidelijke overeenkomsten op hoofdpunten van de geloofsleer, maar in de interpretatie en in de vertaling naar concrete politiek en sociaal gedrag zijn er belangrijke verschillen te ontdekken.

Martijn de Koning, antropoloog, werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit Nijmegen, is een van de belangrijkste experts in Nederland op het gebied van het salafisme. Hij beschrijft de achterban van salafistische moskeeën over het algemeen als jong, tussen de vijftien en dertig jaar oud. Misschien is de aantrekkingskracht onder vrouwen nog wel iets groter dan onder mannen. Qua etnische achtergrond ziet hij net als een aantal jaren geleden vooral jongeren van Marokkaanse en Somalische afkomst en relatief veel bekeerlingen. Het beeld dat salafistische centra en moskeeën steeds populairder worden en daarmee invloedrijker onder jongeren herkent De Koning niet. ‘Ik zie eerder stabiliteit. Ik zie wel andere moskeeën dan vroeger waar het salafisme invloed heeft, maar bij elkaar niet méér salafisten.’

Hij begrijpt wel waarom salafistische moskeeën in de publieke opinie vaak gerelateerd worden aan geweld. ‘Het is nu eenmaal een feit dat veel Syriëgangers op een of andere manier een link hadden met een salafistische moskee of daar ooit naartoe gingen. Maar velen keerden zich juist ook af van deze netwerken. Je moet je ook afvragen wat het precies betekent dat deze jongeren deze moskeeën bezochten. Het is niet zo dat zij daar stilletjes opgingen in de menigte. Ze waren heel zichtbaar aanwezig en zetten zich vaak sterk af tegen de moskee. Bij de vrijdagmiddagpreek ging men voor het einde van de preek apart bidden. Zo van: “Wij gaan niet achter deze ongelovige imam bidden.” Zijn ze dan van de moskee of niet? Maar goed, ze waren daar soms wel kind aan huis. Een van de jongens die allerlei activiteiten bij een belangrijk salafistisch centrum organiseerde zit nu nog in Irak.’

Omar Ramadan, directeur van het onderzoeks- en adviesbureau RadarAdvies dat gevestigd is in een kantoor midden op de oude Veemarkt van Amsterdam-Oost, benadrukt vooral de intolerante ideologie van de salafisten. Ook vanuit zijn functie als voorzitter van het Europese Radicalisation Awareness Network (ran) heeft hij zich de afgelopen jaren intensief met de bestrijding van radicalisme beziggehouden. Het ran brengt momenteel meer dan 3500 professionals, met name eerstelijns, uit heel Europa samen en op basis van hun ervaringen en de discussies binnen het ran-netwerk schrijven ze adviezen voor de EU. Niet zonder trots vertelt Ramadan dat haast alles wat de EU doet op het gebied van preventie rond radicalisering via het ran loopt.

Hij maakt zich vooral zorgen over de gewiekste wijze waarop salafistische netwerken jonge mensen rekruteren, niet zo zeer om geweld te plegen, maar voor hun extreme ideologie. ‘Salafisten’, zo stelt Ramadan, ‘verkiezen superioriteit boven integratie, theocratie boven democratie en verkettering boven gelijkwaardigheid. De overheid hoeft zo’n ideologie niet te verbieden, zoals onder anderen Ahmed Marcouch bepleit. Het is voor een rechtsstaat juist krachtig om intolerant gedachtegoed te tolereren. Overheidscontact met salafistische organisaties die bijvoorbeeld een bouwvergunning aanvragen is ook geen probleem, maar de overheid moet ze niet tot partners verheffen in de strijd tegen gewelddadig extremisme. Ongeacht het feit dat een deel of misschien zelfs een groot deel van de gevestigde salafisten al het geweld afzweert, staat het immers buiten kijf dat hun ideologie voor dolende extremisten in de dop eerder als voorportaal van gewelddadig extremisme wordt gebruikt dan als buffer daartegen.’

Martien Kuitenbrouwer kent de discussies over de aard en dreiging van het salafisme goed. Ze was acht jaar voorzitter van het Amsterdamse stadsdeel West (2006-2014), een stadsdeel met een hoog percentage bewoners met een islamitische achtergrond en negen moskeeën, waaronder het belangrijke salafistische centrum El Tawheed. Tegenwoordig is Kuitenbrouwer een van de initiatiefnemers van Public Mediation (PM), een organisatie die lokale overheden helpt bij het vinden van overeenstemming over complexe maatschappelijke vraagstukken. Omgang met radicale moskeeën komt daar regelmatig langs.

Voor Kuitenbrouwer begint het allemaal met het leggen van contact. Je moet als lokale overheid organisaties uit je stad of wijk altijd willen ontmoeten, leren kennen en proberen te begrijpen. ‘Door in contact te treden kun je laten zien waar je zelf staat’, stelt ze. ‘Dan kun je vervolgens laten weten dat je het ergens volstrekt mee oneens bent. Je moet hier natuurlijk niet naïef in zijn. Je kunt niet altijd alles zomaar met iedereen bespreken. Maar ga het gesprek niet uit de weg en benoem daarbij ook gevoelige onderwerpen, zoals homoseksualiteit.’

‘Salafisten verkiezen superioriteit boven integratie, theocratie boven democratie en verkettering boven gelijkwaardigheid’

Ze zag destijds als stadsdeelvoorzitter waar contact toe kan leiden. Zo werd ze geconfronteerd met het hardnekkige gerucht dat er in een koranschool in de buurt kinderen geslagen zouden worden. Ze ging meteen op bezoek en betrok de school bij een algemeen pedagogisch programma. ‘Ik ben me echt gaan bemoeien met wat er op die school gebeurde. Ik betrok ze bij allerlei overlegstructuren en netwerken. Mede als gevolg daarvan werd een verdachte docent al snel ontslagen.’

Vervolgens werden alle moskeeën uit het stadsdeel uitgenodigd om te spreken over de lokale koranscholen waar honderden kinderen uit de wijk les kregen. Daar zaten ook een paar orthodoxe moskeeën tussen, maar het waren zeker niet alleen salafistische moskeeën die betrokken waren bij dit netwerk. Kuitenbrouwer herinnert zich vooral de gesprekken die ze had met een bekende salafist uit de buurt. Lachend vertelt ze dat ze later hoorde dat hij die gesprekken erg gewaardeerd had, terwijl ze het eigenlijk altijd oneens waren. ‘Je merkte onder die bestuurders dat er verschillend gedacht werd over de lessen en de inhoud van het onderwijsprogramma. Er kwam een discussie op gang die anders waarschijnlijk niet had plaatsgevonden. Je moet erachter komen waar deze mensen voor staan. Je zult zien dat de diversiteit binnen die clubs vaak enorm groot is, ook bij de zogenaamde salafistische organisaties.’

Kuitenbrouwer realiseert zich goed dat het hier een grijs gebied betreft. ‘We wilden ons als lokale overheid bemoeien met wat er binnen koranscholen gebeurde, terwijl we er formeel niks mee te maken hebben. Maar het gaat uiteindelijk wel over het welzijn van de kinderen uit jouw wijk en daar ben je verantwoordelijk voor.’ Twee jaar geleden verscheen er een rapport van het Verwey-Jonker Instituut over het pedagogisch klimaat van het koranonderwijs in Amsterdam-West. Het structurele contact tussen het stadsdeel en de moskeeën bleek cruciaal te zijn voor de pedagogische vernieuwing die er bij die scholen in de afgelopen jaren had plaatsgevonden.

De teneur om het gesprek uit de weg te gaan vindt Kuitenbrouwer kwalijk. Het valt haar in haar nieuwe functie als mediator op dat de verlegenheid bij de meeste gemeenten groot is om het gesprek aan te gaan met mensen met een extreem gedachtegoed. ‘Veel ambtenaren vinden het eigenlijk prima als ze niet met hen in contact hoeven te treden. Lekker makkelijk. Hoef je er niks meer mee te doen.’

Amsterdam, 5 maart 2017 – ‘Het is voor een rechtsstaat krachtig om intolerant gedachtegoed te tolereren’ © Sabine Joosten/ HH

Vanuit het rustige Leiden bekijkt pvda-raadslid Abdelhaq Jermoumi de discussies rond de orthodoxe moskeeën in de hoofdstad geïnteresseerd. In het oude stadhuis van Leiden vertelt hij over zijn inspanningen om polarisatie en extremisme in zijn stad te bestrijden. Hij is er opgegroeid, ging er naar school en naar de universiteit. Een initiatief dat hij jaren geleden samen met een aantal vrienden nam, is volgens velen een belangrijke reden waarom er vanuit Leiden geen jongeren naar Syrië zijn vertrokken. Terwijl omliggende of vergelijkbare gemeenten zoals Alphen aan den Rijn, Gouda, Delft en Zoetermeer kampten met relatief grote aantallen uitreizende jongeren.

In 2003 raakte Jermoumi via de vader van een vriend betrokken bij de plannen voor de uitbreiding van de moskee in Leiden-Noord, waar hij vroeger als kind nog zijn eigen koranlessen had gehad. De moskee was op dat moment niet veel meer dan een kleine garage. Er was vanuit de gemeenschap duidelijk behoefte aan een groter gebouw. Jermoumi en zijn vrienden deden eerst onderzoek naar wat er nodig was, wat resulteerde in het rapport De moskee is meer dan een gebedsruimte.

‘We wilden gebruik maken van de drempelverlagende functie van de moskee’, herinnert hij zich. ‘Gooi de zaak open. Organiseer rondleidingen. Nodig lokale politici uit. Zorg dat de achterban in gesprek komt met de politiek. Maak gebruik van de enorme maatschappelijke potentie die een moskee kan bieden op het gebied van bemiddeling, zorg, maatschappelijk werk, onderwijs. Om die kracht goed te kunnen benutten moet je als moskee wel transparant zijn, ook tegenover je eigen achterban. We hebben de statuten laten aanpassen, tweejaarlijkse ledenvergaderingen ingevoerd en een duidelijke theologische visie aangegeven. Ik sta soms nog verbaasd te kijken naar wat we binnen vijftien jaar bereikt hebben. Van een garage van tachtig vierkante meter naar een prachtige moskee van 2500 vierkante meter die midden in de Leidse samenleving staat.’

Tegelijkertijd realiseert Jermoumi zich maar al te goed dat zijn moskee eerder uitzondering dan regel is. De meeste moskeeën bieden die duidelijkheid en structuur nog niet, dat geldt zeker voor salafistische moskeeën. Die zouden volgens hem ook veel transparanter moeten worden als ze een maatschappelijke rol willen spelen. ‘Laat maar zien waar je voor staat.’ Dan zal de buitenwereld minder zenuwachtig zijn, verwacht hij. En natuurlijk zitten er organisaties tussen die echt tegen integratie zijn, maar dat geldt niet voor alle salafistische moskeeën. ‘Scheid het kaf van het koren.’

Daarom pleit Jermoumi net als Kuitenbrouwer voor intensieve en structurele contacten tussen lokale overheid en moskeegemeenschappen. ‘De lokale politiek moet haar verantwoordelijkheid pakken en persoonlijk contact aangaan met moskeebesturen. Laat ze meedenken. Het is ook hun stad. Richt daarvoor een maandelijks overleg op waar je ze allemaal voor uitnodigt. Neem iedereen serieus. Dan heb je heel snel in de gaten wie zich verstopt. Wie praat er tijdens zo’n overleg en wie niet? Wie geeft een vrouw een hand en wie niet?’

We komen bijna als vanzelf terug op de oude discussie. Waar voor de een de ideologie van de salafisten reden is om van contact af te zien of daar in ieder geval voorzichtig mee te zijn, stelt de ander juist voor om het gesprek aan te gaan om de ideologie open te breken. Een handreiking met een bepaald doel en onder bepaalde voorwaarden. In Amsterdam zijn dergelijke contacten in de afgelopen jaren nauwelijks van de grond gekomen. Een ideologische discussie over het salafisme smoorde vrijwel alle initiatieven in die richting. Maar het is de vraag in hoeverre ideologie überhaupt een rol moet spelen bij de bestrijding van radicalisme. De meeste gesprekspartners benadrukken hier de complexiteit van het radicaliseringsproces en de specifieke rol die religie en ideologie daarbij spelen.

Den Haag, 1 december 2014 – ‘Het is moeilijk om de theo­logische discussie aan te gaan’ © Jerry Lampen /ANP

Nabil is hulpverlener en wil niet met zijn echte naam genoemd worden. Hij werd ruim tien jaar geleden bij toeval betrokken bij de begeleiding van een jongen die als lid van een extreme islamitisch geïnspireerde groep in de gevangenis had gezeten en weer in Amsterdam terugkeerde. Sindsdien heeft hij verschillende jongeren met een extreem gedachtegoed begeleid. Hij praat bedachtzaam en kiest zijn woorden zorgvuldig om de complexiteit van zijn werk uit te leggen. ‘Ieder mens is uniek en dat geldt zeker ook voor radicaliserende jongeren’, zegt hij. ‘Er zitten enorme verschillen in de achtergronden van de jongeren die ik in de afgelopen jaren begeleid heb. Religie kan hierbij een rol spelen, maar soms ook helemaal niet. Ik heb iemand begeleid die serieus niet wist hoe hij moest bidden, maar wel naar Syrië wilde uitreizen om daar te strijden voor de islam.’

Bouchra, ook zij wil niet met haar echte naam genoemd worden, is jeugdhulpverlener en sleutelfiguur bij een Amsterdams stadsdeel – sleutelfiguren zijn personen die aansluiting hebben bij lokale gemeenschappen en samenwerken met een stadsdeel of de gemeente bij het tegengaan van radicalisering. Ook Bouchra ervaart dat radicalisering uiterst complexe materie is. ‘Ideologische of religieuze componenten kunnen daarbij een rol spelen en die moet je dan als hulpverlener ook meenemen. Maar het is vaak heel moeilijk om de theologische discussie aan te gaan met deze jongeren. Het is zijn of haar waarheid en daar kom je niet makkelijk doorheen.’

Volgens Bouchra is het in zulke gevallen vaak nuttiger te kijken naar de praktische zaken waarmee je iemand kunt helpen. Dan blijkt vaak dat die ideologische hardheid uiteindelijk poreuzer is dan aanvankelijk gedacht. Ze herinnert zich een meisje dat op het punt stond uit te reizen naar Syrië. Uiteindelijk konden ze haar met veel moeite hier houden, maar haar ideologie bleef hetzelfde. ‘Ik zag haar echt als een tikkende tijdbom. Pas later kon ik het gesprek met haar aangaan en bleek ze eigenlijk weinig kennis van de islam te hebben. In eerste instantie dacht ik dat ze zo standvastig was, zo overtuigd van haar religieuze gelijk. Uiteindelijk bleek ze een kwetsbaar en onzeker meisje dat makkelijk te manipuleren was. Dat was echt een eyeopener voor me.’

Zouden moskeeën in de begeleiding van zulke jongeren een rol kunnen spelen? Ewoud Butter denkt van wel. Hij is sinds 1990 werkzaam als projectleider en onderzoeker op het gebied van diversiteit, emancipatie, islam en radicalisering en was betrokken bij verschillende preventieve programma’s tegen radicalisering waarbij moskeeën een prominente rol speelden. ‘Moskeeën zullen vaak niet meer de jongeren bereiken die al ver heen zijn, maar wel hun ouders, familie, vrienden en jongeren die dreigen te radicaliseren. Ouders hebben vaak veel vragen en zorgen over hun kinderen. Ze vinden het in veel gevallen moeilijk om met hun kinderen in discussie te gaan en hebben behoefte aan advies. Moskeeën met goed opgeleide en pedagogisch vaardige imams kunnen hen ondersteunen. Het bredere perspectief geven dat je religieuze teksten in de context moet zien. Kritische vragen stellen over de bronnen die jongeren gebruiken. Niet het gesprek afkappen, maar juist vragen stellen om zo door hun ideologie heen te breken. Een deel van de moskeeën zou deze rol kunnen spelen.’

‘Als je echt aan die extreme kant zit, dan ben je niet op zoek naar de goedkeuring van een westerse, seculiere politicus. Dat interesseert je niks’

Houda Jiah, studente maatschappelijk werk en opgegroeid in een islamitisch gezin, merkt dat sommige Amsterdamse moskeeën inderdaad het gesprek aangaan met hun achterban. Haar vader gaat naar een traditionele Marokkaanse moskee in de buurt. ‘Maar’, zegt ze, ‘dat is wel echt een moskee die de verbinding zoekt.’ Daar wordt in de preken aandacht besteed aan gevoelige kwesties zoals het uitreizen van jongeren. ‘Er speelt iets in onze gemeenschap’, stelde de imam laatst. ‘Wat gebeurt er met onze kinderen? Ze worden beïnvloed door mensen die niet het beste met hen voor hebben. Let op hun gedrag. Stel ze vragen.’ Wat Jiah nog het meest is bijgebleven is dat haar vader laatst met de preek naar huis kwam en haar vroeg die te lezen. ‘Dat je er op die manier met je vader aan de keukentafel over kunt spreken.’

De meeste gesprekspartners wijzen echter op het feit dat het vaak moeilijk samenwerken is met moskeeën. ‘Moskeeën willen wel helpen, maar het lukt niet altijd’, aldus Habiba, die niet met haar achternaam genoemd wil worden. Ze heeft een stichting opgericht en geeft trainingen aan islamitische moeders om hen te ondersteunen bij het opvoeden van hun kinderen in het kader van de bestrijding van radicalisme. Ze heeft wel eens een bijeenkomst bij de moskee gehouden, maar dat kreeg nooit een vervolg. ‘Alles moet via het bestuur en dat zijn uiteindelijk ook maar vrijwilligers. Bovendien, je spreekt dan eigenlijk nooit met vrouwen, die zitten niet in het bestuur. Terwijl mijn project specifiek moeders probeert te bereiken.’ Toch zou ze in de toekomst graag nog een keer vanuit haar stichting samen met het stadsdeel bijeenkomsten organiseren voor moeders in de moskee. ‘De moskee heeft een groot bereik. Ik kom op die manier met moeders in contact die ik via mijn stichting moeilijk kan bereiken.’

Nabil, de hulpverlener, is kritischer. ‘De meeste moskeeën en de meeste imams spelen tegenwoordig eigenlijk geen rol meer in de begeleiding en ondersteuning van jongeren met een extreem gedachtegoed. De meeste moskeeën zijn te slecht georganiseerd en de meeste imams zijn incapabel voor dergelijke problematiek.’ Het is ook niet altijd belangrijk om religieus geïnspireerde antwoorden te hebben voor deze jongeren. ‘Het gaat erom een veilige omgeving te creëren waarin jongeren vragen durven te stellen.’ Daar is de moskee, volgens Nabil, vaak niet de beste plek voor. ‘In de moskee durven jongeren zich vaak niet kwetsbaar op te stellen door de aanwezigheid van ouders, familie en buurtgenoten. En iemand regelen met religieuze kennis is altijd mogelijk en in principe zo gedaan.’

Bouchra, de jeugdhulpverlener, beaamt dit. ‘Specifieke kennis voor het begeleiden van een jongere haal je meestal niet bij de moskee, maar bij religieuze experts die in dienst zijn van de hulpverleningsorganisaties zelf. Die hebben ook verstand van pedagogiek en het begeleiden van kwetsbare jongeren.’

Dat wil niet zeggen dat deze hulpverleners geen contact hebben met de moskee of dat de moskee geen rol speelt in hun werk. Voor Nabil is het persoonlijk contact met imams of moskeebestuurders cruciaal. De voorzitter van een salafistische moskee is zijn buurman geweest. ‘Ik ken hem goed. Ik weet waar hij voor staat en zoek hem op als dat nodig is.’ Daarnaast is de moskee een plek om zijn doelgroep te bereiken. Nabil is veel op straat, in de moskee, op het voetbalveld of in de coffeeshop. ‘Ik ben een echte eerstelijnswerker, sta in direct contact met de doelgroep, en moet daarom de vrijheid hebben om met iedereen te kunnen spreken. Op straat hoor ik de verhalen en ontvang ik de signalen van radicalisering. Dan ga ik erop af en zorg dat er een netwerk gemobiliseerd wordt om de jongere te begeleiden. Dat gaat allemaal niet vanzelf.’

Net als Martien Kuitenbrouwer en Abdelhaq Jermoumi vindt Nabil dat je altijd het gesprek moet aangaan. ‘Er heerst veel wantrouwen in de gemeenschap. Om deze mensen te bereiken moet je eerst hun vertrouwen wekken, hen serieus nemen, naar hun verhaal luisteren, en ze niet meteen wegsturen omdat ze over bepaalde zaken anders denken dan jij. Salafistische moskeeën kunnen ook een rol spelen in het signaleren van problemen.’ De meeste salafistische moskeeën voeren continu oorlog tegen extremisme. ‘Dat komt echt wel aan bij de jongeren en zeker bij hun ouders. Dus die moskeeën zijn voor mij partners. Niemand uit een salafistische moskee waar ik al elf jaar veel contact mee heb is uitgereisd. Het gaat daar nooit over politiek, alleen maar over religie. Alle jongens die bij die moskee komen werken nu en houden zich aan de wet. Ze zijn wel heel orthodox, maar ook vreedzaam. Dat is voor mij belangrijk.’

Onderzoeker Martijn de Koning ziet salafistische moskeeën inderdaad gewelddadig extremisme bestrijden. ‘Ze zijn er echt op tegen dat jongeren naar Syrië zijn afgereisd. Dat blijkt uit bepaalde publieke uitspraken, maar vooral uit privégesprekken die gelekt zijn door Syriëgangers met de bedoeling aan hun vrienden te laten zien hoe hypocriet die imams eigenlijk zijn. Zo van: “Moet je kijken wat die munafiq, religieuze huichelaar, ons nu weer flikt.”’

De Koning heeft het gevoel dat de gesprekken voor een deel plaatsvonden onder druk van ouders. ‘De meeste salafisten in Nederland zijn zeker niet voor IS, maar men vindt vaak wel dat er in Syrië sprake is van een jihad. Als je dat vindt kun je eigenlijk moeilijk een standpunt innemen tegen het vertrek naar Syrië. Dan moet je ideologisch wel heel lenig zijn.’

Floris Vermeulen

Floris Vermeulen is universitair hoofdocent bij de afdeling politicologie van de Universiteit van Amsterdam. Hij doet voornamelijk onderzoek naar de maatschappelijke en politieke participatie van minderheden in Europese steden.

In 2012 deed hij samen met Frank Bovenkerk onderzoek naar het lokale antiradicaliseringsbeleid in Londen, Berlijn, Amsterdam, Antwerpen en Parijs. Zij richtten zich daarbij vooral op de dilemma’s die de
samenwerking met islamitische organisaties oproept. Dat resulteerde in het boek Engaging with Violent Islamic Extremism: Local Policies in West European Cities.

Drie adviezen die Vermeulen en Bovenkerk formuleerden waren: (1) Wees als lokale overheid voorzichtig met het van tevoren categoriseren van moslimorganisaties. (2) Zorg voor een open debat waarin ook de verschillende extremistische stemmen te horen zijn. (3) Maar pas op voor mogelijke ongewenste neveneffecten van de samenwerking met extremistische organisaties.

Dit voorjaar werd Floris Vermeulen samen met collega’s van de Vrije Universiteit en InHolland door interim-burgemeester Van Aartsen gevraagd een onderzoeksvoorstel te schrijven over hoe Amsterdam de omgang met salafistische centra het best vorm kan geven. Burgemeester Halsema zette vlak na haar aantreden een streep door dit project voordat het begonnen was, vanuit het idee dat samenwerking met extremisten onwenselijk is.

Voor Omar Ramadan van RadarAdvies en ran is het duidelijk. Met organisaties die de gewelddadige jihad in Syrië prediken, wil je als overheid niet samenwerken. Ook al proberen ze uit pragmatisch oogpunt jongeren te weerhouden daar daadwerkelijk gehoor aan te geven. Hij maakt in ons gesprek veelvuldig de vergelijking met extreem-rechts. ‘Wie worden dan jouw partners? Mensen die een beetje xenofoob zijn? Mensen die het witte ras superieur achten, maar dat niet met geweld willen afdwingen? Als niet-moslim kun je misschien een soort intellectuele rekkelijkheid opbrengen om met salafisten samen te werken, maar weet dan wel dat je andere mensen, andere moslims, het leven wat moeilijker maakt. Als je met dergelijke clubs in zee gaat, maak je ze salonfähig. Je verschaft ze legitimiteit. Dat moet je altijd zien te voorkomen.’

Oud-stadsdeelvoorzitter Kuitenbrouwer denkt juist dat je deze organisaties legitimiteit verschaft door het gesprek uit de weg te gaan. ‘Als je echt aan die extreme kant zit, dan ben je niet op zoek naar de goedkeuring van een westerse, seculiere politicus. Dat interesseert je niks. Dat geldt voor alle vormen van extremisme. Ik denk dus eerder dat het andersom is: door mensen te negeren beloon je het niet praten over dingen. Daarmee geef je ze eigenlijk legitimatie om niet aan hun eigen perspectief te hoeven twijfelen en dat is nou net wat nodig is.’

Kuitenbrouwer denkt dat het belangrijk is te beseffen dat het uiteindelijk ook gewoon mensen uit de buurt zijn die je op het schoolplein of bij de bakker tegenkomt. ‘Ik heb de moskee, of die nou salafistisch is of niet, ook nooit benaderd als religieus instituut, maar altijd als mensen die iets doen in de buurt. En met het instituut waar ze lid van zijn moet ik afspraken maken en contact onderhouden. Al gaat het maar over zoiets simpels als parkeeroverlast. Op die manier kwam ik binnen, vervolgens kon ik ingewikkeldere en voor mij belangrijkere onderwerpen bespreken.’

Bouchra, jeugdhulpverlener en sleutelfiguur, is door de politieke discussies over het salafisme voorzichtiger geworden. ‘Je wil het zo goed mogelijk doen voor de jongeren en juist door de discussies die nu gevoerd worden, durf je soms niet bepaalde risico’s te nemen. Het is een gevoelig onderwerp en het zijn kwetsbare jongeren. Het wordt soms bijna een politieke afweging. Het laatste wat ik wil is dat er een publieke discussie komt over jouw casus. Dat heeft zo’n enorme impact op iemand die al kwetsbaar is.’

Onderzoeker De Koning vraagt zich af of de salafistische centra en moskeeën in dit politieke klimaat überhaupt nog bereid zijn tot contacten met de lokale overheid. ‘Ze zijn uiteindelijk heel afhankelijk van de welwillendheid van de gemeente. In een bepaalde gemeente heeft de lokale salafistische moskee gezien dat er met een andere burgemeester van het structurele samenwerkingsverband al snel niks meer overblijft. Dat is toch wel een afschrikwekkend voorbeeld. Als je bedenkt welke risico’s individuele bestuursleden nemen met een dergelijke samenwerking en de tijd en energie die het kost om het op te bouwen, dan denk ik niet dat er snel andere moskeeën zijn die dat voorbeeld zullen volgen.’

Bij anti-radicialiseringsprojecten lijken die risico’s alleen nog maar groter. Samenwerking op dat gebied betekent dat moskeeën openlijk toegeven dat ze zich zorgen maken over bepaalde jongeren die hun moskee bezoeken. Er zijn voorbeelden van projecten waar moskeebestuurders jongeren verboden mee te doen om het risico te vermijden direct met radicalisering geassocieerd te worden. Van beide kanten is er vooral veel wantrouwen en weinig animo voor contact en samenwerking. De verkramptheid waarmee er in Amsterdam, maar ook daarbuiten, over deze thema’s wordt gesproken lijkt de bewegingsruimte voor de mensen uit het veld alleen maar verder te verkleinen.

Nabil, de jeugdhulpverlener die in de afgelopen jaren al zoveel jongeren met extreem gedachtegoed heeft begeleid, verzucht: ‘Vaak is de afstand tussen de lokale politiek en wat wij als uitvoerders nodig hebben te groot. Ik vergelijk mezelf wel eens met een autoreparateur. Ik wil de auto repareren en daar heb ik instrumenten voor nodig. De politiek wil me die instrumenten soms niet geven, omdat er vanuit een bepaald politiek belang wordt nagedacht, maar niet om het probleem op te lossen. We kunnen radicalisme alleen bestrijden als we iedereen inschakelen. We hebben iedereen nodig.’