Het kan en alles wat kan, mag

Soms zijn er romans die ik zelf had willen schrijven. De blinde probeert de lamme te helpen, wat een mooi thema, maar Vestdijk schreef die roman dus al met De redding van Frey Bolderhey. Ander gegeven: vrouw ontdekt oud geschrift en wil de achtergrond ervan ontraadselen, het oergegeven van de moderne literatuur, maar dat verwerkte A.S. Byatt meer dan voortreffelijk in Obsession en hetzelfde, maar dan anders, deed Edgar Allan Poe in The Golden Bug. En nu is er dus Jouw huid van Jeroen Theunissen. Twee verschillende, op het eerste gezicht vijandige werelden ontmoeten elkaar en wat er dan gebeurt. Een klassiek thema waarover iedereen een meesterwerk zou willen schrijven. Niet doen, zou je zeggen, de afgesleten wandelpaden grijnzen je tegemoet, valkuilen aan alle kanten van de weg. Heeft het zin nog een keer tegen Romeo and Juliet van Shakespeare op te boksen? Of noem de andere botsende werelden maar op: rijke vrouw trouwt arme man, heer trouwt slavin, The Beauty and the Beast et cetera et cetera. Doe het niet, laat toch zitten, maar het bloed kroop bij Theunissen waar het niet gaan kon. En er speelde bij deze ambitieuze schrijver zeker nog iets anders mee: de uitdaging alle problemen glorieus te overwinnen.

Jeroen Theunissen ging ongegeneerd aan de slag met toevalligheden © Michiel Hendryckx

Man, naam Griff, komt uit Wales, werkt als lobbyist in Brussel bij de EU. Vrouw, Ama, komt uit Ghana, verblijft illegaal in Brussel, houdt haar hoofd boven water via allerlei baantjes. Hoe krijg je die twee geloofwaardig bij elkaar? Waar begin je in hemelsnaam aan om zo’n gegeven aannemelijk van de grond te krijgen? De mogelijkheden lijken oneindig, de toevalligheden te onwaarschijnlijk maar Theunissen ging er ongegeneerd mee aan de slag.

Die twee ontmoeten elkaar in een verlopen Brussels café, ja, waarom niet, het kan en alles wat kan, mag in de romanwereld nu eenmaal gebeuren. Theunissen maakte er een mooie scène van die we vooral zien via de blik van de man. Ama komt er later op terug en dan zien we ineens iets heel anders. Theunissen werkte vooral in het begin van zijn roman met de beelden die ik van tevoren van deze types al heb. Blanke man=rijk, cynisch, arrogant, onverschillig, kapitalist, teleurgesteld, gefrustreerd. Zwarte vrouw=illegaal, arm, ontworteld, zoekend, slecht zelfbeeld, geheimzinnig. De schrijver gebruikt deze typeringen overigens niet expliciet, hij laat ze opdoemen uit de beschrijvingen die beide personages van zichzelf en van elkaar geven. Hij opereert met twee stijlen en twee visies op de werkelijkheid die elkaar per hoofdstuk afwisselen. Op deze manier probeerde hij de verschillen tussen de twee hoofdfiguren zo scherp mogelijk in beeld te krijgen. Maar toch aarzelde ik in het begin omdat hij eerst bleef inspelen op beelden en beschrijvingen die ik al meende te kennen, deze twee figuren dreigden af en toe toch typen te worden. Allegorieën. Hij probeerde de geloofwaardigheid van zijn roman te vergroten door gedetailleerde achtergrondbeschrijvingen. Hij verdiepte zich uitvoerig in de wereld van het Brusselse lobbyisme, met alle begrippen en bijhorende rituelen. Hij maakte van zijn mannelijke held een cynicus, die zijn verantwoordelijkheden uit de weg gaat en aan alle kanten mislukt. De westerse man als symbool van het falende liberalisme die alleen nog in liefde probeert te geloven, maar ook daarin faalt.

Ama kijkt naar de man die van haar meent te houden met een verbazing die maar niet over gaat

Overtuigender is de beschrijving van de achtergrond van Ama. Theunissen vermeed hier zo veel mogelijk de clichés die nu eenmaal bij mij, wantrouwige en in clichés gepokt en gemazelde lezer, als muggen rond mijn hoofd beginnen te zoemen bij een roman als deze. Of ik nu wil of niet. Je ziet de slechtere films over Afrika voor je: armoede, tovenaars, drankzucht, plus militairen die zich met z’n achten in te kleine jeeps naar moordpartijen reppen. Maar niks van dit alles. Ama volgde in Ghana een goeie opleiding, haar familie is niet arm, laat staan onderdrukt. Wel dreigt ze uitgehuwelijkt te worden en raakt haar moeder al te snel in de ban van allerlei godsdienstfanatici. Bovendien geeft Theunissen straat- en stadsbeelden van Ghana die het heimwee van Ama fraai accentueren. Ama is iemand die niet kan geloven dat ze zelfstandig zou kunnen zijn, ze gelooft niet dat ze talentvol is, ze gelooft niet in de liefde van die merkwaardige man die haar maar achterna blijft lopen. Maar ze houdt van hem.

Theunissens consequente hantering van twee stijlen en dus van twee visies werkte uiteindelijk overtuigend en ook ontroerend bij mij. Ik raakte steeds meer verward in de misverstanden van deze twee en dat was precies de bedoeling. Griffs stijl is die van de cynische, ambitieuze West-Europese man, vol van snelle oordelen, altijd uit op iets nieuws, iets krachtigs, verlangend naar een belangrijk leven dat hem steeds ontglipt. De ironicus pur sang die eraan onderdoor gaat. In Ama hanteerde Theunissen de stijl van de verwondering, we zitten in haar hoofd via de jij-vorm. Vooral bij haar werkt dit wonderwel, we zien haar steeds als iemand die buiten zichzelf toekijkt en zich afvraagt wat er precies gaande is. Ze kijkt naar de man die van haar meent te houden met een verbazing die maar niet over gaat, alsof ze een ander is die naar hem kijkt. Dit is de kern van de roman. ‘Even streel je door zijn haar, al houdt hij er niet van, hij maakte een moeilijke hoofdbeweging, maar je weigert je hand terug te trekken, blijft hem koppig strelen als was hij een lieve hond, jouw lieve hond. Hij heeft gedronken. In bed liggen jullie omarmd. “Laten we maar slapen.”’