De subsidieruif van het Europees Sociaal Fonds

Het kan maar beter op zijn

Nederland haalde de afgelopen twaalf jaar miljarden euro’s aan Europese steun voor arbeidsprojecten binnen en stootte daarbij hard de neus.

AMSTERDAM – Nog maar kort geleden zag het er allemaal zo prachtig uit. In Brussel lag een enorme zak geld op Nederland te wachten. Het geld was bedoeld voor projecten die pasten bij het soort projecten waarmee de regering onder aanvoering van Ad Melkert de werkloosheid probeerde te bestrijden: projecten voor bijscholing en het flexibeler maken van werknemers en arbeidsmarkt. ‘Europees geld binnenhalen’ was een term die in de jaren negentig steeds vaker viel als het ging om het Europees Sociaal Fonds (esf), dat de werkgelegenheid in de Unie moet ondersteunen. Het ging niet om miljoenen, maar om miljarden. Voor 2000-2006 was bijvoorbeeld 24 miljard euro beschikbaar. Op relevante ministeries ontstond een lichte esf-koorts. Geld binnenhalen werd een doel op zich. ‘Het kabinet stelt alles in het werk om voor de huidige structuurfondsperiode 1994-1999 alsook voor de nieuwe periode 2000-2006 een zo groot mogelijke uitputting van de voor Nederland gereserveerde bedragen te realiseren’, schreef het ministerie van Financiën in 1999 aan de Tweede Kamer. En dat was precies wat de Kamer wilde horen.

Om ‘uitputting’ van het Nederlandse deel te bereiken, was het nodig om bedrijven en vooral gemeenten zover te krijgen op grote schaal aanvragen voor esf-subsidie te doen. Dat lukte. In de periode 1994-1999 harkte Nederland 1,3 miljard euro binnen en daar kwam in de volgende periode nog 200 miljoen bij. Toen ging het mis.

In de wedloop om esf-gelden ontbrak nogal eens toezicht op aanbesteding en administratie en in de Nederlandse media verschenen verhalen over fraude en misbruik. Dat leidde in 2001 tot een officieel onderzoek met een sussende conclusie: er was een en ander mis, maar ‘omvangrijke fraude’ was te stevig uitgedrukt en de EU zou niet al te veel geld terug willen hebben. Dat bleek een misrekening: in 2002 zond de EU wegens ‘misbruik, fouten en nalatigheden’ een gepeperde terugvordering van 157 miljoen over de eerste helft van de jaren negentig. Later zou er voor de tweede helft nog tachtig miljoen bijkomen. Het ministerie van Sociale Zaken verhaalde de schade bij de ontvangers, die daartegen in beroep gingen in slepende rechtszaken. Om herhaling te voorkomen stelde het ministerie een berg aan voorschriften op waar de aanvragen aan moesten voldoen. Maar het leed was nog lang niet geleden.

Door de terugvorderingen en de waslijst aan nieuwe administratieve eisen kregen esf-subsidies het predikaat riskant en veel rompslomp te zijn. Het aantal aanvragen zakte ineen. Zozeer zelfs dat Nederland in de jaren 2003-2005 310 miljoen euro toegezegde subsidiegelden in Brussel ‘liet liggen’: meer dan de helft van alle door EU-landen niet opgehaalde esf-gelden in die periode. Voor de hele periode 2000-2006 was dat ‘verlies’ 490 miljoen.

Sociale Zaken trachtte daarop op allerlei manieren stichtingen, bedrijven en gemeenten weer subsidieaanvragen te laten doen. Dat lukte vervolgens zo goed (vanaf 2004 verdubbelde het aantal aanvragen jaarlijks) dat de pot in hoog tempo leeg raakte. In oktober 2005 meldde het ministerie alle aspirant-aanvragers die het tot dat moment tot een esf-aanvraag had trachten te bewegen dat nieuwe aanvragen niet meer zouden worden geaccepteerd. Maar o, welk toeval: in de dagen en vooral de avond voordat de stekker eruit ging, had het aanvragen geregend.

Vooral voor de barrage aan esf-aanvragen op donderdagavond 27 oktober 2005 lijkt geen andere verklaring mogelijk dan fraude. Staatssecretaris Van Hoof had eerder die dag in het geheim besloten om het esf-loket te sluiten, maar die sluiting zou pas de volgende ochtend om negen uur ingaan. Vervolgens stroomden de hele avond de aanvragen binnen, zo toonde een reconstructie van De Telegraaf in maart. ‘Er werd gemaild, gefaxt, koeriers werden gestuurd. Een gekkenhuis’, aldus cda-kamerlid Algra. Vlak voor middernacht leverden uit Groningen afgereisde medewerkers van Ernst & Young nog zes aanvragen in en vroegen een schriftelijke bevestiging van het tijdstip. Om kwart over acht ratelde de fax er nog 88 pagina’s uit met drie aanvragen van de gemeente Vlissingen.

Maar fraude? Volgens het ministerie van Sociale Zaken was juist ‘aannemelijk’ dat ‘een samenloop van factoren’ tot de plotselinge piek aan aanvragen had geleid, aldus een persbericht. Daarmee kon de zaak toch niet afgedaan worden, besefte ook het ministerie, en dus werd de rijksrecherche gevraagd ‘de mogelijkheden te bezien van onderzoek’. De pers meldde dit als: ‘Rijksrecherche opent onderzoek naar esf-fraude’, maar dat was niet juist. Waarom de pers dat zo meldde is een raadsel, stelt de persafdeling van Sociale Zaken nu, maar wellicht had de kop boven het persbericht daar iets mee te maken: Van Hoof vraagt rijksrecherche onderzoek naar hausse van aanvragen ESF-subsidie.

Hoe het ook zij, de rijksrecherche stelde na een vooronderzoek dat een groot toeval, de lezing van het ministerie, ‘niet uit te sluiten’ was. En zo was de zaak af: het kón toeval zijn en niemand was zo snel op een leugen betrapt, dus een dwingende reden voor een echt onderzoek was er niet. De sluiting van het esf-loket werd daarom nooit onderzocht. Daar kraaide echter geen haan naar: het ministerie van Sociale Zaken meldde het wel op zijn website maar dat trok geen aandacht. Het anp maakte er geen persbericht van, de NOS Journaals merkten het niet op en van de kranten bracht alleen het Reformatorisch Dagblad het nieuws. Wie nu met vragen belt naar de rijksrecherche wordt doorverwezen naar het openbaar ministerie, waar de persvoorlichting weer verwijst naar Sociale Zaken ‘als je precies wilt weten hoe het is gegaan’.

Deze zich over jaren uitstrekkende puinhoop bij elkaar geveegd heet ‘de esf-affaire’. Wie nu zou denken dat ten minste het subsidiegeld dat wél veilig door alle procedures komt goed wordt besteed, komt bedrogen uit. Want de nuttige besteding, zoals begeleiding en cursussen voor werkzoekenden, wordt aangevuld met onzintrainingen met oncontroleerbare doelstellingen, en een flinke beet uit het subsidiegeld wordt genomen door gespecialiseerde adviesbedrijven waarvan de diensten in het esf-web onvermijdelijk en soms zelfs verplicht zijn.

Deze puinhoop is extra pijnlijk omdat het esf mooie doelen dient. Alle Europese landen, dus niet alleen de arme, kunnen er een beroep op doen om werklozen aan het werk te krijgen en de werkenden extra op te leiden of beter inzetbaar te maken op de arbeidsmarkt. Dat dient ook nog eens de Lissabon-doelstellingen om van Europa de meest concurrerende economie van de wereld te maken.

Maar die verheven doelstellingen en mooie woorden passen soms slecht bij de praktijk. Een typisch voorbeeld van een esf-project om werkenden extra opleiding te geven is dat voor dagtrainingen van groepsleidsters in de kinderdagopvang. Hoe dat er in werkelijkheid uitziet? Een 41-jarige ontwikkelingspsycholoog werd ingehuurd als ‘trainer’ door een bedrijf dat zich in dergelijke opleidingen specialiseerde. Het duurde maar heel kort voor hij een grondige weerzin tegen het werk ontwikkelde. ‘Ik kwam bijvoorbeeld eens bij een naargeestig gebouw waar een crèche gevestigd was die failliet was gegaan en daarna weer gereorganiseerd’, zegt hij. ‘Maar het was nog steeds behelpen: er was speelgoed kapot, sommige ruimten voor kinderen hadden niet eens ramen en allerlei dingen zagen er armoedig uit. Ik had bewondering voor de groepsleidsters daar, die zo weinig steun kregen van hun organisatie en onder moeilijke omstandigheden en voor een mager loon hun kinderen zo goed mogelijk probeerden op te vangen. Ik moest hun vervolgens in trainingen vragen hoe ze bepaalde dingen deden en dan uitleggen hoe dat in vakjargon heette, “emotionele veiligheid bieden” en dergelijke. Op vragen waarom voor deze training wél geld was, maar niet voor het vervangen van kapot speelgoed, had ik geen antwoord.’

Dergelijke ‘opleidingsprojecten’ hebben niet alleen weinig nut, ze kunnen, zoals in bovenstaand voorbeeld, ook contraproductief zijn als het personeel het nut er niet van inziet en zich ergert. Veel van dergelijke projecten zijn gesitueerd in de zorgsector, waar werknemers volgens rapport na rapport strijden met problemen als toenemende verbale en fysieke agressiviteit, hoge werkdruk, lage beloning, slecht imago, stijgende emotionele belasting, slechte werkomstandigheden, enzovoort. Wie dan door het management naar een ‘competentietraining’ wordt gestuurd, om te leren ‘loskomen van het functiedenken’ en ander managersjargon dat in de trainingssector wordt verkocht, kan het wel eens droef te moede worden.

Wie rondzoekt in de met esf-geld gesubsidieerde onderwijsprojecten vindt zulke praktijken her en der. Zo doneerde de Vereniging Amstelhuizen, een stichting voor begeleid wonen en verpleeghuiszorg, haar personeel een cursus ‘competentiemanagement’. Wat zal het personeel, in die sector die al jaren kampt met verschraling en kostenbesparing, hebben gedacht toen het werd getraind in een ‘missie/visie van mens tot mens’ en ‘pro-actief inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen’? Ook andere projecten in de zorg- en onderwijssector laten zo duidelijk de meest urgente tekorten liggen dat de vraag zich opdringt of de ‘zo groot mogelijke uitputting van de voor Nederland gereserveerde bedragen’ niet is doorgeschoten (kader 1).

Een tweede grote groep projecten waar esf-geld naartoe gaat, zijn projecten die ‘flexibel werken’ mogelijk kunnen maken en de ‘zeven tot zeven-cultuur’ kunnen stimuleren. In gewoon Nederlands komt dat neer op het subsidiëren van Nederlands onderontwikkelde kinderopvang om te zorgen dat ouders kunnen werken, en het regelen van activiteiten voor kinderen die voor schooltijd, tussen de middag of na de lessen op school verblijven. Volgens de meest recente onderwijsvernieuwing zijn scholen immers verplicht om kinderen elke dag van half acht tot zeven uur opvang te bieden. Om dat niet neer te laten komen op wachten op de ouders, wil het kabinet dat scholen activiteiten aanbieden en vele esf-subsidies zijn daar in naam op gericht. Maar in plaats van aan activiteiten gaat het budget vaak op aan het organiseren van workshops, het maken van cd-roms of andere zaken met als doelstelling het ‘delen van ervaringen’ of ‘beïnvloeden van denkpatronen’ over dagindeling.

Wie dergelijke doelstellingen leest, begrijpt wat van de ergernis die doorklonk in een rapport van de Algemene Rekenkamer van afgelopen februari over de programma’s voor besteding van Europese subsidies. Daarin werd geconcludeerd: ‘Het merendeel van deze programma’s bleek geen helder geformuleerde en meetbare doelen te hebben.’ Waar dat wél het geval was, vond de Rekenkamer, bleken die doelen ‘vaak niet te worden gerealiseerd door bijvoorbeeld manco’s in de opzet van het programma of in de selectie van te subsidiëren projecten’.

Dat is geen malse kritiek. Ook binnen het circuit van esf-aanvragers wordt vaak geklaagd over willekeur, vriendjespolitiek of onvoldoende kennis van zaken bij de beslissingen welke projecten subsidie krijgen en welke niet. Maar toch is de kritiek van de Rekenkamer maar deels terecht. Want de kwaliteit en effectiviteit van onderwijs, arbeidsprojecten en kinderopvang laten zich niet vangen in meetbare ‘targets’, hoezeer de Rekenkamer dat ook zou willen. Het werkelijke probleem is dat projecten die onzin bieden of van slechte kwaliteit zijn, zich op papier soms maar lastig onderscheiden van goede, en dat niet alle subsidieaanvragers zich laten bijstaan door even handige adviseurs.

Dit voert naar de partij die het meest aantoonbaar profiteert van dit grote rondpompen en doorsluizen van geld van belastingbetalers naar de EU en dan weer via allerlei bureaucratische lagen omlaag: de in Europese subsidies gespecialiseerde adviesbureaus en softwarebedrijven. De laatste leveren computerprogramma’s waar ontvangers en aanvragers verplicht hun administratie mee moeten doen, de eerste beloven hun klanten ‘maximaal rendement’ van de subsidiekansen. Het is een bedrijfstak die in het afgelopen decennium een stormachtige groei heeft doorgemaakt. En het gaat niet om klein bier. Zelfverklaard marktleider PNO Consultants (bedrijfsfilosofie: Dedicated to Success) heeft tweehonderd mensen in dienst en biedt met vestigingen in verschillende landen ‘totale Europese dekking’.

Deze bedrijven doen veel meer dan alleen hulp bieden bij aanvragen. Hun staf onderhoudt een uitgebreid netwerk in de esf-wereld, inclusief andere subsidieaanvragers, adviseurs en ambtenaren op de relevante ministeries, kent alle mogelijkheden om meer subsidie uit een aanvraag te halen en helpt bedrijven, gemeenten en instellingen om een ‘partner’ te vinden voor een aanvraag. Dat laatste is belangrijk, omdat een gezamenlijke aanvraag voor sommige subsidies verplicht is of hogere slagingskans geeft: zo wil de overheid bevorderen dat maatschappelijke instellingen samenwerken en nepprojecten tegengaan. In praktijk leidt dit er vaak toe dat ten kantore van een subsidieadviseur de aanvragen van bijvoorbeeld een sport- of zorginstelling met een school ineen worden geschoven, waarna een dikke rekening kan worden gepresenteerd voor ‘bemiddeling’.

Omdat esf-subsidies vaak uitgaan van gemeenten en stichtingen werken de adviesbureaus met een fantastisch soort klant: ambtenaren en werknemers die een vast budget nodig hebben voor een project en die het niet interesseert hoeveel de adviesbedrijven aan de aanvraag overhouden. Wie kan het hun kwalijk nemen dat ze daarna voor ‘maximaal rendement’ gaan, als de regering vooral ‘uitputting van de voor Nederland gereserveerde bedragen’ nastreeft en de Tweede Kamer daarop toeziet? Het is Europees geld en Nederland legt zelf genoeg in de pot. Dan kan het ook maar beter op.

…………………………………………………………………………………………………………………………..

opzichtige scheefgroei

Veel Europese subsidies worden gestoken in dure projecten met oncontroleerbare doelstellingen en laten de werkelijke tekorten in hun sectoren soms opzichtig liggen. Een paar voorbeelden: Een project in Soest wil experimenteren met een flexibele oppasservice voor zieke kinderen. Project: een website maken en even proefdraaien – hoewel dat in de projectverantwoording wat ingewikkelder omschreven wordt. Resultaat: ‘Werknemers bleken in toenemende mate het idee van de noodoppas te omarmen, alhoewel de zorg voor een kind bij ziekte nog vooral door de ouders zelf wordt gedaan.’ Benodigde tijd: zestien maanden. Rekening, inclusief gage voor drie adviesbedrijven: honderdduizend euro – evenveel als vier beginnende groepsleidsters medische kinderopvang in eenzelfde periode hadden gekost.

Thuiszorg Amsterdam ontwikkelt – in een sector die eindeloos kampt met teruglopende budgetten en verschraling van de zorg – met esf-geld een ‘concepthandleiding voor werknemers die in franchiseconstructie willen werken’. Prijskaartje, inclusief ‘uitgebreid marktonderzoek’: 133.000 euro, oftewel bijna acht jaarsalarissen van beginnende thuiszorgwerknemers.

Een school in Groningen wil bij naschoolse opvang instellingen in de buurten activiteiten laten verzorgen. Project: een cd-rom maken, twee ‘geslaagde workshops’ en een ‘ondersteuningstraject’ om ervaringen te presenteren. Benodigde tijd: vijftien maanden. Rekening: 55.000 euro.

Een school in Rotterdam, die zich onder bejaardenwoningen bevindt, tracht tegelijk ook kinderdagverblijf, peuterspeelzaal en ontmoetingscentrum te zijn. Project: ‘Het bewerkstelligen van een attitudeverandering ten aanzien van een wenselijke dagindeling bij ouders, hun kinderen, oudere bewoners en docenten.’ Rekening: 140.000 euro.

………………………………………………………………………………………………………………………….

Subsidie voor de vrije pers

De grote dagbladen zeggen dat ze afkerig zijn van directe overheidssubsidies. De meeste spreken echter niet de waarheid. De kranten van de uitgeefconcerns pcm, Wegener en De Telegraaf laten zich wel degelijk betalen door een overheid: de Europese.

Nadat Martijn van Dam (pvda) in de Tweede Kamer overheidssteun had bepleit voor de dagbladen, omdat die volgens hem in ‘paniek’ zijn geraakt door de ‘oorlog’ op hun ooit zo overzichtelijke markt, klonk het uit de bedreigde kring zelf unisono: niet nodig, wij zijn onafhankelijk. ‘Uitgeverijen zijn bedrijven en daar hoort de overheid niet rechtstreeks middelen naartoe te schuiven’, aldus het Algemeen Dagblad. ‘In plaats van steun van de overheid zouden de uitgevers tevreden moeten zijn met een wat lager rendement’, meende Trouw. ‘Wij zijn van de markt en die moet zijn werk doen’, betoogde de Volkskrant.

Mooie en ontroerende principes. Maar ze staan wel op gespannen voet met de werkelijkheid. Deze drie principiële dagbladen hebben afgelopen jaren namelijk al zonder morren overheidssubsidies geaccepteerd: uit de pot Opleiding & Ontwikkeling van het Europees Sociaal Fonds (esf). pcm, uitgever van bovenstaande kranten, heeft vorig jaar zegge en schrijve twee miljoen euro gedeclareerd bij het esf. Wegener, minderheidseigenaar van het nieuwe geregionaliseerde Algemeen Dagblad, heeft in 2005 eveneens twee miljoen euro ontvangen uit het esf. In 2004 kregen pcm en Wegener volgens hun eigen jaarverslagen respectievelijk 1,4 miljoen en 0,8 miljoen uit het esf. In twee jaar hebben deze twee uitgeverijen dus in totaal 6,2 miljoen geïncasseerd. Ook De Telegraaf ontving in 2005 Europese subsidie: bijna 1,5 miljoen euro.

Het leeuwendeel van deze supranationale staatssteun is besteed aan het grafisch personeel, dat zich in deze virtuele internettijd staande moet zien te houden met een ambacht dat verdraaid fysiek is en daarom wel enige hulp bij herscholing kan gebruiken. Maar ook de redacties, die de onafhan kelijke inhoud zeggen te leveren, hebben hun graantjes uit de subsidiepot meegepikt, blijkt uit cijfers van het ministerie van Sociale Zaken.

De Telegraaf is het zuinigst met het gebruik van deze subsidies voor het journalistieke personeel. pcm en Wegener zijn het meest genereus. Bij pcm is ongeveer tien procent gebruikt voor de redacties, bij Wegener ruim zeven procent tegen amper twee procent bij de krant van wakker Nederland.

Een deel van die bijscholing is verzorgd door mediaconsultant Leon de Wolff, die de redacties van onder meer Algemeen Dagblad, de Volkskrant en Trouw begeleidde. Journalisten moeten, na afloop van de cursussen van De Wolff, een formulier ondertekenen bestemd voor de subsidies uit het esf.

Voor de goede orde. De Groene Amsterdammer heeft medio jaren negentig ook staatssteun ontvangen: in totaal 623.000 euro. Daarvan is intussen zestien procent terugbetaald. De afhankelijkheidsteller van De Groene Amsterdammer staat nu op 523.000 euro.

HUBERT SMEETS

……………………………………………………………………………………………………………………………..