Het kan mij niet schelen

‘De Chinezen zijn de joden van het Oosten’, zei mijn vader.

De inlanders in Indië haatten de Chinezen. De redenen waren duidelijk: ze waren slimmer, ze hadden meer geld, ze hadden minder (en ook meer) afstand tot de Nederlanders doordat ze eigenzinnig waren, een eigen cultuur hadden. Mijn vader vertelde: ‘Als een Chinees naar ons resort kwam, had hij binnen twee jaar een bloeiend bedrijf. Een inlander kon dat niet, wilde dat niet, had daar geen zin in.’
De inlander discrimineerde de Chinezen, de Nederlander deed dat met de inlander.
De inlander was lui, dom, wilde niet leren, niet werken, wilde alleen een kommetje rijst en een beetje vis.
Dat de Chinezen nu uit Indonesië worden verjaagd, is niet verbazingwekkend. Net zo min als het raar is dat Soeharto verjaagd wordt, is het vreemd dat men de Nederlanders uit Indië weg wilde hebben.
Over twee jaar komen de Chinezen terug - en dan hebben ze binnen een jaar weer een bloeiend bedrijf.
Soeharto is dan weg, en wat doen de Indonesiërs?
Die zijn bezig hun etnische strijd uit te voeren, want nu begint het pas. Want de Hutu’s en Tutsi’s van Indië zijn net als de christenen en de moslims en de Koerden en de Turken - men haat elkaar, zoals wij Ajax- of Feyenoordsupporters haten.
We hebben haat nodig. Haat geeft het eigen leven zin.
Ik heb zelf een niet gering talent om te haten; het kan me zeer inspireren.
Haat heeft iets schoons en z'n eigen esthetiek.
Indische bekenden bellen mij ('Want jij bent journalist!’) met de vraag of ik iets meer weet.
Ik weet juist minder, want het interesseert mij niet.
'Wil jij ook dat Soeharto opdondert?’
'Ja’, zeg ik.
'Hoe erg wil je dat?’
'Het zou mij niets kunnen schelen als hij werd vermoord.’
'Mij ook niet!’ zeggen mijn vrienden.
Het is ver van de beschaving om iemand dood te wensen - maar ik had ook graag gezien dat Hitler tijdig werd vermoord. Wanneer Soeharto sterft, is het hoe dan ook te laat. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor Saddam Hoessein.
Af en toe moeten politici worden vermoord.
Juist om te voorkomen dat de haat diep invreet. Maar wanneer bepaal je of iemand moet worden omgebracht - en wie bepaalt dat?
Mijn vader was in 1952 in Indië. Hij moest, als assistent-resident, een rede houden op Koninginnedag.
Het volk morde. Ofschoon mijn vader Soekarno persoonlijk kende, waren ze uiteraard politieke tegenstanders. Mijn vader had enkele opstandjes onder het volk met harde hand moeten neerslaan.
Op die Koninginnedag hield mijn vader een rede om het volk weer eensgezind te krijgen. Hij vertelde over vriendschap, over wat er zoal door de Nederlanders in Indië tot stand was gebracht. Hoewel mijn vader een bruine kleur had, werd hij gehaat.
En dus werd er op hem geschoten.
Hij wist op dat moment dat hij weg moest, naar Nederland. Hij had per slot van rekening twee kinderen en er was een derde op komst.
Niemand wilde hem helpen. Het huis moest verkocht, de inboedel, dat soort zaken.
Toen kwam die Chinees.
Mijn vader vond hem aardig, en hij vond mijn vader aardig. Ze hadden elkaar nooit in de weg gezeten. Er werd een zakelijke overeenkomst gesloten, waardoor mijn vader onmiddellijk weg kon naar Holland.
In Amsterdam kwam mijn vader eens een Chinees tegen die pinda’s verkocht en die familie was van die Chinees in Indië. Die pinda-Chinezen zijn ergens in de jaren vijftig uit het straatbeeld verdwenen.