Het kapitalisme heeft het weer gedaan

24 september 2014 - Naomi Klein is terug. De auteur van No Logo en De shockdoctrine richt haar pijlen deze keer op de klimaatverandering. Haar stelling: zolang we kapitalisme hebben, zullen we het klimaatprobleem niet oplossen.

Medium klein

Klimaatverandering is een moeilijk onderwerp, en niet alleen omdat er mensen zijn die volhouden dat het ‘niet bestaat’. Het is de omvang, de dreiging die ervan uitgaat. Onderzoekers bekijken de verandering van het klimaat tegenwoordig in samenhang met de mogelijke gevolgen van economische ongelijkheid en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Met complexe modellen doen ze dan de verschrikkelijkste voorspellingen over de immanente ineenstorting van de beschaving. Het leverde dit jaar krantenkoppen op als: ‘Wereld vergaat voor 2100 bij ongewijzigd beleid’ (Algemeen Dagblad) en ‘Nasa-funded study: industrial civilisation headed for “irreversible collapse”?’ (The Guardian).

De Canadese journaliste/activiste Naomi Klein was lange tijd iemand die wegkeek als dit soort nieuws voorbijkwam. Ze wist wel ongeveer wat er aan de hand was, maar ze las de meest angstaanjagende artikelen alleen vluchtig, en ze hield zich voor dat ‘de milieubeschermers het wel zouden aanpakken’. Ze was, kortom, net als u en ik.

Tot ze vijf jaar geleden sprak met Angélica Navarro Llanos, de ambassadeur van Bolivia bij de Wereldhandelsorganisatie. Zij zag klimaatverandering niet alleen als grote bedreiging, maar ook als een kans om een ‘Marshallplan voor de aarde’ te lanceren. No Time is het verslag van de ‘reis’ die Klein maakte toen ze besloot de realiteit van klimaatverandering onder ogen te zien. Ze leerde dat de broeikasgassen die de mensheid in de atmosfeer bracht ons ver voorbij de min of meer veilige grens van twee graden Celcius opwarming zullen brengen. Ze bestudeerde de zogenaamde tipping points’ in het klimaatsysteem die ons, eenmaal gepasseerd, op het gevaarlijke terrein brengen van ‘steeds extremere hittegolven, wereldwijd afnemende voedselvoorraden, verlies van ecosystemen en biodiversiteit, en een levensbedreigende stijging van de zeespiegel’. Ze leerde dat ‘klimaatverandering een existentiële crisis is geworden voor de menselijke soort’.

Toch beperkt ze zich niet tot die ene crisis. Klein keert terug bij de thema’s die centraal stonden in de bestsellers die haar een van de belangrijkste progressieve stemmen in het Westen maakten: No Logo, over de alomtegenwoordige multinationals in de wegkwijnende publieke ruimte, en De shockdoctrine, over het misbruik van rampen en crises om neoliberaal beleid in te voeren. Net als in haar eerdere werk identificeert ze zich met de verliezers van globalisering, zijn bedrijven de bad guys, en gaat ze met succes op zoek naar fundamentele tegenbewegingen. Veel van wat Klein schrijft, is al eens geschreven, maar haar helderheid en overzicht zijn ongeëvenaard.

Zolang we kapitalisme hebben, zullen we het klimaatprobleem niet oplossen, is de centrale stelling. ‘We hebben niet gedaan wat nodig is om de emissies te verminderen omdat dit fundamenteel in conflict is met het gedereguleerde kapitalisme, de heersende ideologie gedurende heel de periode dat wij al worstelen om een uitweg uit de crisis te vinden.’

Klein toont knap aan dat het inderdaad gaat om een fundamenteel conflict. De wortels daarvan plaatst ze vlak voor de industriële revolutie, in het begin van wat politieke wetenschappers het ‘extractivisme’ noemen. Daar treffen we Francis Bacon, met zijn conceptie van een volstrekt beheersbare aarde. En daar is uitvinder James Watt, die een stoommachine maakte die op kolen werkte en daarmee de mens eens en voor altijd leek te vrijwaren van de grillen van de natuur. Watts uitvinding ontketende de industriële revolutie, maar leverde ook een belangrijke impuls op voor de kolonialisering en het idee dat oneindige economische groei mogelijk is op een aarde die totaal door de mens wordt gedomineerd. Fossiele brandstoffen, kolonialisme en kapitalisme vormen één verhaal, zo laat Klein overtuigend zien. ‘Kolen zijn de zwarte inkt waarmee het verhaal van het moderne kapitalisme is geschreven.’

Geen wonder dus dat de noodzaak om koolstof in de grond te laten zitten vanwege het klimaatprobleem fundamentele implicaties heeft voor de houdbaarheid van het kapitalisme. Maar precies toen dat tot ons door had moeten dringen – dat de groei misschien niet eindeloos kon zijn – gingen we collectief de andere kant op. Klimaatverandering kwam op de publieke agenda op het hoogtepunt van het vrijemarktdenken, net na de val van de Muur. Het project van globalisering, deregulering en privatisering werd de jaren daarna een groot succes, terwijl regeringsleiders keer op keer faalden om harde afspraken te maken over de uitstoot van CO2.

Klein laat nergens na te wijzen op de ironie van deze geschiedenis. Precies op het moment dat we een sterk publiek domein nodig hadden om collectief te handelen, begonnen overheden te bezuinigen op all things public. Net toen politici keihard moesten ingrijpen om de uitstoot naar beneden te brengen, waren ze gaan geloven dat ‘echte kapitalisten niet plannen’ en dat de markt ‘in zijn oneindige wijsheid de best mogelijke samenleving voor iedereen’ zou creëren. Het gevolg is bekend: we kregen iPads en CheapTickets – en een pijlsnelle stijging van de CO2-uitstoot. Dus daar staan we dan, geconfronteerd met een probleem van planetaire proporties, en alles wat we hebben, zijn goedkope vluchten en koopkrachtplaatjes, een ‘fetisj voor het bruto nationaal product’ en een ‘verstikkende logica van bezuinigingen, waardoor overheden niet de investeringen kunnen doen die noodzakelijk zijn’. Klein ziet scherp hoe de weerstand tegen verandering nu in het systeem zit gebakken. Ook in Nederland. Afgelopen winter was het relatief warm en consumeerden we minder aardgas – wenselijk vanuit klimaatoogpunt, maar ook de belangrijkste oorzaak van forse economische krimp in het eerste kwartaal van 2014. ‘Wat het klimaat nodig heeft om instorting te voorkomen’, schrijft Klein, ‘is de inkrimping van het menselijk gebruik van grondstoffen. Wat ons economische model vereist om instorting te vermijden, is onbelemmerde expansie. Er kan maar één stel regels worden veranderd, en dat geldt niet voor die van de wetten van de natuur.’

Er is nog tijd, verzekert Klein ons zoals iedereen die ooit een boek over klimaatverandering heeft (af-)geschreven. Er is nog tijd maar dan moeten we wel de regels van het spel veranderen. We hebben in de afgelopen decennia al geprobeerd het kapitalisme klimaatvriendelijker te maken met emissieplafonds en CO2-handel, en niet alleen is de uitstoot blijven stijgen, deze ‘maatregelen’ hebben bovendien jarenlang de waarden bevestigd van het systeem dat nu juist op de schop moet. Een grote strategische misser, vindt Klein. Mensen die zich milieubeschermer noemen, maar nog steeds niet hebben begrepen dat het geen zin heeft om de industrie te verleiden tot ‘beter gedrag’ zijn misschien wel net zo in de war als mensen die klimaatverandering ontkennen. Wie denkt dat we ons huidige consumptieniveau kunnen handhaven of nog steeds wacht op die ene magische innovatie die al onze problemen oplost, is al even dwaas.

We weten zeker dat de fossiele-energie­bedrijven van plan zijn ‘de planeet tot boven het kookpunt te brengen’

Klein opent de aanval op fossiele-energiebedrijven als Shell en ExxonMobil. En hoe kan het ook anders? Ze zeggen duurzaamheid hoog in het vaandel te voeren, maar ondertussen zoeken ze de meest extreme, meest risicovolle plekken op aarde op om méér olie en gas te winnen. We weten zelfs zeker dat de fossiele-energiebedrijven van plan zijn ‘de planeet tot boven het kookpunt te brengen’, schrijft Klein. Gezamenlijk hebben ze namelijk vijf keer meer reserves op hun balans staan dan we – vanuit klimaatoogpunt – veilig kunnen verbranden. Het is kortom een industrie ‘die op het meest elementaire niveau de oorlog heeft verklaard aan de toekomst’. De ‘monsterconglomeraten’ moeten worden ‘opgebroken en geleidelijk verdwijnen’. Hoe? Klein staat uitgebreid stil bij het werk van doorgaans jonge activisten die proberen publieke instellingen en grote investeerders zo ver te krijgen dat ze hun belangen in de fossiele-brandstofindustrie verkopen. Daar zijn al ‘vroege overwinningen’ geboekt. Zo keren de Universiteit van Stanford en de familie Rockefeller, die een fortuin verdiende aan olie, de fossiele industrie nu de rug toe. Dit zou volgens Klein het begin moeten zijn van een proces van delegitimering zoals we dat hebben gezien bij de tabaksfabrikanten. (Die overigens gewoon nog bestaan en stevige winsten maken, net als de wapenfabrikanten, maar die noemt ze niet.)

Klein voert ons ook langs de frontlinie van wat ze ‘Blockadia’ noemt, wereldwijd, lokaal verzet tegen nieuwe winning van fossiele brandstoffen. Meestal is dat verzet geboren uit angst voor vervuild drinkwater, maar iedere blokkade is óók winst voor het klimaat. Zo zijn bijna overal in Europa moratoria afgeroepen op schaliegasboringen. Klein wil laten zien dat alle mensen die tegen een nieuwe pijplijn of een boorput in opstand komen dezelfde strijd strijden, ook als ze dat zelf nog niet weten.

Dit zijn beginnetjes, dat is duidelijk en ook wel logisch, want als alle oplossingen er al waren had Klein dit boek niet meer hoeven schrijven. Ze wil er natuurlijk ook niet van worden beschuldigd hetzelfde te doen als de neoliberale haviken die ze behandelde in De shockdoctrine, namelijk een crisis misbruiken om er van bovenaf een politieke agenda door te drukken. Klein verlangt naar het omgekeerde: een beweging van onderop die de klimaatcrisis ziet zoals zij hem ziet: als dé kans om een progressieve agenda uit te voeren. Ze wil van klimaatactie zelfs ‘de grootste politieke paraplu’ maken waar de strijd tegen armoede, uitbuiting en ongelijkheid onder komen te vallen. Want dat zijn allemaal uitwassen van het economische systeem dat ons nu richting de planetaire afgrond voert.

Klein vestigt haar hoop niet op hipsters met groentetuinen, en je zult in haar boek geen visionaire architect tegenkomen die je vertelt hoe de groene stad van de toekomst eruitziet. Ze besteedt daarentegen erg veel tijd in het gezelschap van inheemse stammen. Dat heeft een praktische oorzaak: in Noord-Amerika gebruiken inheemse volkeren hun speciale rechten met succes om nieuwe fossiele-energieprojecten te blokkeren. Maar Klein gaat verder: ze vindt bij deze stammen ook de wijsheid die we nu zo hard nodig hebben, namelijk ‘dat we niet losstaan van de natuur, maar er deel van uitmaken’. Hier gaat Klein de mist in, dacht ik, toen de eerste totempaal voorbijkwam en ze iemand opvoerde die sprak over de ‘continue wedergeboorte’ die het leven is. Want als je de waarden voor ‘de alternatieve economie van de toekomst’ gaat halen bij inheemse volkeren, riskeer je dan niet juist dat ze exotisch blijven?

Ik had me voorgenomen hier een punt van te maken en het een strategische misser te noemen. Maar ik begrijp bij nader inzien wel waarom ze het zo aanpakt. Het punt is niet dat we allemaal indiaan moeten worden, het punt is dat we, in zekere zin, allemaal indiaan zijn, dat wil zeggen: bedreigd. De verliezers van het kapitalisme woonden lange tijd in wat Klein de ‘offerzones’ noemt: in de marges, in reservaten, buiten zicht. Met verwijzing naar de overstromingen bij Londen, de bosbranden bij Melbourne en de orkaan Sandy die New York teisterde, wil Klein laten zien dat we ons nu ‘allemaal in de offerzone’ bevinden. ‘De barrières die zelfs de meest bevoorrechte groepen in de samenleving hebben opgericht om de natuur buiten de deur te houden, beginnen onmiskenbaar te bezwijken.’ Dat zou genoeg reden moeten zijn om de massa in beweging te krijgen, de publieke sfeer nieuw leven in te blazen, en radicaal ingrijpen van overheden af te dwingen.

In 2012 luisterde Klein op een conferentie naar de geofysicus Brad Werner, die ieders aandacht wist te trekken met de titel van zijn praatje: Is earth fucked? Ja, zei Werner, min of meer, want de systemen op aarde zijn ‘gevaarlijk instabiel’ geworden door ons toedoen. ‘Er was echter één factor die enige hoop bood’, schrijft Klein, namelijk de verzetsbewegingen van ‘mensen of groepen mensen’ die een stokje steken voor de vernietiging waar het ‘huidige systeem op afkoerst als het aan zichzelf wordt overgelaten’.


Medium bonk

Naomi Klein: No Time: Verander nu, voor het klimaat alles verandert_. De Geus, 608 blz., € 29,95 (e-book € 23,99). Vertaald door Ineke van den Elskamp, Marianne Gaasbeek, Arjanne van Luipen, Pon Ruiter, Kathleen Rutten, Onno Voorhoeve en Annemie de Vries_

In het Engels verschenen als This Changes Everything ( 15,50)


Beeld: Naomi Klein bij Occupy in Zuccotti Park, New York, 2011 (Amy Sussman / Corbis / HH).