Het keiharde paradijs

States: Nieuwe verhalen uit Noord-Amerika. Uitgeverij Meulenhoff, 231 blz., f39,90; T. Coraghessan Boyle, De tortillagrens. Vertaling Gideon den Tex, Uitgeverij Contact, 301 blz., f59,90
HET OMSLAG van de met een ringband bij elkaar gehouden verzamelbundel States: Nieuwe verhalen uit Noord-Amerika is bewust lelijk: een schreeuwerige oranje-gele achtergrond waartegen een halfnaakt meisje lachend een afgekloven stuk bot (een ruggegraat?) omhelst.

Is dit een statement? Is het zo slecht gesteld met de Amerikaanse maatschappij dat hier de afwezigheid van warmte, mededogen, hoop, idealisme of engagement in een kille verpakking gepresenteerd wordt? Suggereert de losbladigheid van de in States verzamelde verhalen van jongere Amerikaanse en Canadese schrijvers (die bijna allemaal gaan over de zelfkant en de ‘allochtone identiteit’) dat een samenleving als de Noordamerikaanse als los zand aan elkaar hangt, dat er geen naastenliefde of solidariteit meer bestaat? Dat wil zeggen: iedereen voor zich en zelfs geen God meer voor ons allen?
De lectuur van States viel mij tegen. Slechts een verrassing - de Canadese kosmopoliet Yann Martel - en veel deja lu. Is dit nu een staalkaart van het jonge Amerikaanse schrijven? Moeten deze verhalen de kwaliteit van de jongste Amerikaanse literatuur verbeelden? Of heeft uitgeverij Meulenhoff een elftal schrijvers bij elkaar gezet om alvast reclame te maken voor komende vertaalde uitgaven van enkele in States opgenomen schrijvers (Douglas Coupland, Kathryn Harrison, Mei Ng, Lois-Ann Yamanaka)? Van alles wat, vermoed ik.
Wat moet ik met het zoveelste, kille on the road-verhaal (Charles d'Ambrosio), deze keer rond een doodziek meisje? Wat levert de modieuze terugblik op de jaren zestig van Coupland meer op dan al in zijn interessante debuut Generation X staat? Wat moet ik met de Alice Walker-imitatie Bonnie Greer, de therapeutische pappie-en-mammieverhalen?
{ HET ENIGE verhaal dat mij werkelijk iets deed was 'De dag van het soldaat Donald J. Rankin- strijkconcert met een dissonante viool van de Amerikaanse componist John Morton’ van Yann Martel, een Canadese diplomatenzoon. Dat verhaal stond al in de bundel De geschiedenis van de Roccamatio’s uit Helsinki (1993). Het is de vorm en de toon - hongerige nieuwsgierigheid - van het verhaal die mij raakten. Vanuit een afstandelijk perspectief van een jonge filosofiestudent wordt een concert beschreven van een stel Vietnam-veteranen. Via hun optreden in een al half afgebroken theater willen ze hun publiek duidelijk maken uit welke hel ze komen, waarna ze weer tot de or de van de dag willen overgaan. Het is juist die orde van de dag die in elke zin verstoord wordt, zoals de filosofiestudent die achter de muzikale leider/componist aangaat, ontdekt. De componist blijkt schoonmaker te zijn in een onpersoonlijke kantoorkolos. Vervreemding stapelt zich op vervreemding, wat een zeer indringende monoloog oplevert van de componist/schoonmaker en een verhaal vol vervoering, verrassende Conrad-citaten en begaanheid met het lot van een eigenzinnige individualist.
States is een beperkte bundel die geen inzicht geeft in wat er in Noord-Amerika wordt geschreven. Misschien was dat ook niet de bedoeling. Het is spijtig dat er niets van Kevin County is opgenomen, of van Denis Johnson, de schrijver die in de recentelijk vertaalde bundel Jezus’ zoon vanuit een min of meer afgekickte ik- verteller de Amerikaanse zelfkant portretteert.
'THE WORLD is a locked door.’ Misschien geeft die zin, die ik pluk uit de razendsnelle, filmische debuutroman Spidertown van de Puertoricaans-Amerikaanse schrijver Abraham Rodriguez jr., over de jonge crackloper Miguel in de South Bronx, het dilemma weer van vele personages in recente Noord-Amerikaanse literatuur. Of je nu hoog of laag springt, het blijft een bijna onbereikbaar doel: meedoen met de welvaart. En bovendien, waar leidt die welvaart naar toe?
Die vraag staat centraal in The Tortilla Curtain, een venijnige, absurdistische roman van T. Coraghessan Boyle over het ijzeren gordijn dat is neergelaten tussen Mexico en de Verenigde Staten om vluchtelingen buiten het Amerikaanse paradijs te houden. De opbouw van zijn roman is glashelder. Vanuit vier elkaar keurig afwisselende perspectieven (alleen aan het slot komt daar de klad in) vertelt Boyle het verhaal van de teloorgang van twee Mexicaanse vluchtelingen in Californie en van de 'progressieve humanist’ en natuur- en dierenvriend Delaney Mossbacher, een welvarende blanke Amerikaan die in een beveiligde wijk aan de rand van Los Angeles woont. Dat verhaal, vol bewust hypocriete linkserigheid die in feite een reactionaire geest maskeert, kruist de prachtig beschreven, subtiele vertelling van het Mexicaanse illegale echtpaar Candido en America (what’s in a name?), die wanhopig proberen aan het werk te komen en gedwongen zijn in de open lucht te slapen. Toch houden ze vol. Wie weet krijgen ze een baan, een huis, een beetje welvaart, kinderen, een menswaardig bestaan in het keiharde paradijs dat Californie heet.
IJDELE HOOP en hopeloze illusies houden de personages in Boyles romans en verhalen gaande, of ze nu op zoek zijn naar een vader (World’s End), naar de bron van de Niger (Water Music), of naar een gezond leven dat de dood kan uitstellen (The Road to Welville). In hun eigenzinnige, absurde ondernemingen willen Boyles scheppingen het onmogelijke bereiken, het onzichtbare aanschouwen en het onkenbare weten. Daarbij volgen ze hun instinct en onderscheiden ze zich nauwelijks van dieren. In zijn verhalenbundel Without a Hero staat een verhaal over het uitsterven van kikkers en de rol van de mens daarin. Het commentaar van een doodnuchtere arts luidt: 'Conflicten tussen de soorten, zo gaat het er in de wereld aan toe, zo is het altijd geweest. Uitsterven is natuurlijk, de loop der dingen; geen enkel soort kan erop hopen eeuwig te blijven. Zelfs de mens niet. Omstandigheden veranderen.’
in De tortillagrens (waarom deze eigenwijze vertaling die de associatie met 'ijzeren gordijn’ tenietdoet?) veranderen die omstandigheden voortdurend: het gaat van kwaad tot erger. De territoriumdrift neemt opgefokte vormen aan, een hysterie die door Boyle met boosaardige wellust wordt beschreven. De wilde natuur manifesteert zich in Boyles roman niet alleen als een honden stelende coyote maar ook als de mens zelf die, in het nauw gedreven, leugens verkoopt, humanistische idealen te grabbel gooit en beestachtige dingen uitvreet.
HET BOEK begint met een ongeluk. Delaney Mossbacher rijdt Candido Rincon aan en geeft hem twintig dollar om van het gedonder af te zijn. Meer kan dat leven niet waard zijn. Zoals vele Boyle-creaties is Delaney een dierenvriend en mensenhater, meer begaan met het lot van zeldzame vogels dan met illegale Mexicanen. De beschaving blijkt een dun laagje vernis te zijn. Alleen de struggle for life van de illegale Mexicaanse dagloners heeft nog iets dat aan 'puur natuur’ doet denken, ware het niet dat zo'n vergelijking een vreemde mengeling van romantiek en cynisme is. Niets te verliezen en het naakte bestaan tegenover de paranoide verdediging van eigendom, daar gaat De tortillagrens over. En het verspringende vertelperspectief is telkens weer een lichte cultuurschok voor de lezer, waarbij Boyle bewijst dat hij heel goed in de huid van een opgejaagde Mexicaan of een zwangere Mexicaanse kan kruipen en dat zijn woede over gemakzuchtige liberale linksen bijna geen grenzen kent, zodat hij te snel in karikaturen vervalt. Maar hij hanteert de groteske zeer bewust, niet in de laatste plaats om het verstikkende klimaat van de zogenaamde politieke correctheid in de Verenigde Staten op de hak te nemen.
De problemen van het rijke echtpaar Mossbacher zijn luxe- problemen. Ze weten het, maar toch gaan ze door het lint als ze zich bedreigd voelen. Ze maken zich druk om een hond die is opgevreten door een coyote. Delaneys vrouw Kyra, een succesvol makelaar, is zich bewust van haar comfortabele maatschappelijke positie: 'Dat was belachelijk, dat wist ze. Er waren mensen die vuilnisbakken doorzochten op een stukje eten, rijen mensen op straat bedelend om werk, mensen met echte problemen, mensen die hun huis kwijt waren, hun kinderen, hun echtgenoten, mensen met echte problemen, echt leed. Wat was er met haar aan de hand?’
BOYLES personages zijn jagers en opgejaagden in allerlei gedaanten en met een lastig seksueel instinct. Het zijn antihelden die ten onder gaan in een anticlimax. Idealen worden ontmaskerd als een vorm van geilheid, psychiaters maken hun patienten knettergek en tegen verslavingen blijkt geen kruid gewassen.
Dat zijn verhalen en romans, - hoe zwaar aangezet en hoe karikaturaal soms ook - mij blijven aanstaan, komt door de niet-vrijblijvende toon vol mededogen, zijn tomeloze woede over onrecht. Boyle is inderdaad, zoals Martin Bril in een Parool-interview met hem constateerde, een ouderwets moralistische hippie die begaan is met het lot van de mens en die niet schuwt om dat, op een toon die willens en wetens overdrijft, luid en duidelijk van de daken te schreeuwen.
T. C. Boyle durft nog literatuur te schrijven die politiek incorrect is, die niet meeloopt met het gemakzuchtige en ergerlijke gelijk van de redelijke, linkse mens. Het is een literatuur die irritant wil zijn, een horzel in de nek van de mensen die het gemaakt hebben. Maar wat hebben zij dan 'gemaakt’? Boyle maakt boeken die ongemakkelijke vragen oproepen.