‘Het lichaam ligt midden op het lege parkeerterrein.’ Met zo’n begin-zin voel je aankomen dat je een wereld van verlangen gaat betreden. Dat lege parkeerterrein zie je voor je. Symbool natuurlijk van leegte die opgevuld moet worden. Terrin gaat graag met een sprong de wereld in, hij toont de wereld, hij legt hem niet uit. Dit is de kern van zijn schrijverschap. In Monte Carlo gaat het zo: ‘Het vuur is nog geen vuur.’ In Patricia: ‘Ik trok de deur van het huis dicht.’ In Al het blauw, alweer zijn negende roman, belanden we ergens in België in een café naast een zwembad. Azzurra heet het, Carla zwaait de scepter, ze woont met John, die haar af en toe slaat. Marc en Simon, twee vrienden, zijn er vaste klant, ze biljarten er, leggen een kaartje, drinken te veel. Simon woont bij zijn ouders, zijn moeder is bezorgd om hem, hij is gestopt met zijn studie. Dan krijgen de veel oudere Carla en Simon een verhouding, ze zoeken elkaar op, buiten, in hotels, in vakantiehuizen. Voorzichtig allemaal, ze kijken naar elkaar, vragen zich af hoelang het kan duren, of het goed gaat, of John het al weet. Ondertussen gaat het leven door in dit buitengebied van België eind jaren tachtig. Het speelt zich af op parkeerplaatsen, in vrachtauto’s, fabriekshallen, cafés, op popfestivals en bij families thuis. Kalme bezorgde families.

Het is alsof Terrin me de vorige samenvattende zinnen heeft voorgezegd, zijn stijl en inzet zijn besmettelijk. Hij hanteert literatuur als koele beschrijvingskunst waar ondertussen het vuur vanaf spat: ‘Ze komt naast hem zitten. Na een tijdje zegt ze, ben je moe? Ze geeft een paar klopjes op zijn knie, hij legt zijn hand op haar hand. Ze staat op en hij hoort de snelle wrijving van haar rok over haar panty en weet dat ze haar benen over het hekje zwaait om tussen de planten een sprietje onkruid te wieden.’ Zien, handelen, horen, weten. Niet verklaren, niet uitleggen, niet emoties erbij zetten. Geloven in de kracht van de beschrijving.

Er is geen verteller, alleen deze kale schrijfkunst die borrelt en kookt van ingehouden verlangen

Nog een voorbeeld: ‘Simon heeft een uurtje geslapen als hij hoort krabben en snuffelen aan zijn kamerdeur. Hij sukkelt uit bed en laat Rocky binnen, die meteen op het voeteneinde springt en hem vol verwachting aankijkt. Hij likt zijn grijze snoet van opwinding. Buiten fluit een merel, het is kwart voor zes.’ Weer: horen, kijken, handelen, luisteren. Zintuiglijkheid als literaire mogelijkheid. Ingehouden schrijfkunst die emoties inbrandt. Dit is geen toeval maar een principiële keuze, Terrin discussieert in deze roman met de romankunst, zonder dat hij het daarover heeft. Hij wil doelbewust zien, voelen en tasten, zoals zijn personages naar de wereld tasten. Hij roept een wereld op, nee, het is ‘de’ wereld zelf. Geëngageerde schrijfkunst van het allerhoogste niveau is dit. Hij legt de nadruk op wat we zien, en voelen, niet op wat we zouden moeten zien en moeten voelen, niet op de expliciete emoties van zijn figuren. Er is geen verteller, ja, natuurlijk is er een verteller, er is altijd een verteller, maar die doet hier net of zijn neus bloedt. Hij is er niet. En dus ontbreken er toelichtende uitweidingen op kleuterniveau, we moeten het doen met deze kale schrijfkunst die ondertussen borrelt en kookt van ingehouden verlangen. Terrins personages krijgen geen beschrijvingen mee, hoogstens van wat ze aanhebben, waar ze zich bevinden, waar Simon loopt wanneer hij de hond uitlaat en dat het kettinkje van Carla aan haar huid kleeft wanneer ze met Simon de liefde bedrijft. En hoe ze vrijen: ‘Ze plaagt hem, doet het heel langzaam, ook al wil hij knijpend in haar billen dat ze sneller gaat. Ze blijven aldoor in elkaars ogen kijken. Ze ziet het naderen in zijn blik, het staren, en dan is het alsof hij valt, alsof hij voorover in zijn eigen lichaam valt.’

Ik raakte vol doordrongen van dit vertelsysteem, ja, zo moet ik ook gaan schrijven. Meelopen en meekijken met personages, hun dromen laten klinken in de beschrijvingen, niet in meegevoel of meegedenk, maar in kijken en voelen: ‘De volgende dag loopt ze tegen de middag naar Azzurra, ze kent blindelings de weg, de sticker op de straatlantaarn, de kauwgom op het voetpad, de losse tegels die ze als het regent moet vermijden.’

In eerdere romans liet Terrin de verschrikkingen tegen het einde of halverwege binnen, de dood, de wanhoop en de weerzin, in Monte Carlo bijvoorbeeld de mogelijke zelfmoord. Ik was het daar niet altijd mee eens. Niet meedoen aan dat modieuze lijden in de kunst, dacht ik, niet toegeven aan het vanzelfsprekende en het onontkoombare, hou je kaarten op zak. De verschrikkingen kennen we uit de krant en van de televisie en daar worden ze al avond aan avond gecelebreerd. In deze roman laat Terrin ze gelukkig niet toe, ze blijven op afstand. Die fijne Carla, kijk, daar loopt ze, ze verdwijnt uit het boek, niet uit mijn hart. ‘Misschien kan ze terug naar huis’. En Simon is in Engeland: ‘Het is een kleine supermarkt aan een drukke verbindingsweg die verderop over het klif slingert, de klanten zijn jong en dragen sportkleren en zijn gepensioneerd.’ Zie je hoe Terrin dit doet? Hij laat ons met Simon meekijken en meedenken. Ik had bij deze roman het vreemde gevoel dat Wittgenstein hem graag had geschreven als hij ooit een roman had willen schrijven. Iets onverbiddelijks.