Essay: Nogmaals

Het kikkerdril van de duivel

In De Groene Amsterdammer van 20 december 2003 besprak Graa Boomsma Sphären I & II van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Op 26 april 2004 recenseerde Jan Luijten in hetzelfde blad Sphären III: Schäume. Boomsma komt nog eens terug op de immens belangrijke trilogie.

In zijn wenken voor een heroïsche filosofie, postuum verschenen in Umwertung aller Werte, omschrijft de nog immer gevaarlijke denker Friedrich Nietzsche de held als een vrolijk mens, maar «dat is de treurspelschrijvers tot dusver ontgaan». Hedonisme en «alle slimheidsmoraal» zijn onvrij, heroïsme is een teken van vrijheid, is de gezindheid van een mens die naar een doel streeft waarbij hij zelf in de marge belandt en zelfs goedgemutst ten onder kan gaan. De heroïsche, altruïstische mens heeft een welgemeende belangstelling voor het kleine en idyllische. Wat Nietzsche (volgens zijn achteraf geredigeerde notitie materiaal uit 1881-1888) wilde zien te bereiken, was dat er een heroïsche stemming (vrolijkheid!) nodig is om zich aan de wetenschap te wijden.
Peter Sloterdijk, die andere gevaarlijke denker uit Duitsland, verwijst in Schäume, het derde deel van zijn literair-filosofische mammoetonderneming Sphären, naar Nietzsches vrolijke wetenschap als hij «de ambivalente conservatief Adorno» op de vingers tikt. In Minima Moralia heeft deze grondlegger van de Frankfurter Schule het over «de treurige wetenschap» en meent daarmee Nietzsches uitdrukking om te keren, niet wetend dat Thomas Carlyle die term («dismal science») al in 1849 bezigde in een referaat over economie.
Nee, dit is geen spijkers op laag water voor de lezer van Schäume die net als Nietzsches held op het kleine let. Sloterdijk noemt Adorno niet alleen conservatief, alle sombermannen van de Frankfurter Schule (inclusief Habermas) moeten het alsnog ontgelden als Sloterdijk het academisch marxisme van de jaren zestig «luxueuze radicaliteit» noemt en engagement «verstrooiing». Bovendien levert hij kritiek op de «zelfamnestie» van links wat betreft de Goelag én klaagt hij over «veel te zelden waargenomen links-fascisten, die in universalistisch gewaad optreden en altijd tot in de details weten wat mensen willen, zijn en nodig hebben».
Is iemand die zich op zo’n toon tegen links keert, en die Heidegger niet op de mestvaalt van de filosofiegeschiedenis heeft gegooid, niet zelf een conservatief? Dat is een flauwe vraag van een hokjesdenker of een schematicus die niet weet dat Schäume onder veel meer een scherpe aanval bevat op het moderne, loodzware conservatisme. En het is typisch des Sloterdijks dat hij niet Freud, Adorno of Carl Schmitt als kop van Jut neemt maar Arnold Gehlen. Deze avant-gardeconservatief en aartspessimist, auteur van Der Mensch (1940), zag in de mens een mengsel van cultuur en natuur, geest en beest. Maar daar waar Gehlen de mens ziet als een wezen van tekorten en vol gebreken, wordt voor Sloterdijk het menszijn gevormd door «de ongeschiktheid een dier te zijn». Hij wijst Gehlens starre, sombere mensbeeld af en houdt een hartstochtelijk pleidooi voor het lichte, het lichtzinnige, de antigravitatie. «Het loodzware verlamt.» Sloterdijk wil opwaarts en niet neerwaarts. «Wie de lucht verovert, moet lang genoeg over vliegen hebben gedroomd.»
Deze ad astra-mentaliteit geeft Schäume (dat geen lichte leeskost is) toch iets «luchtigs» en opluchtends. Want Sloterdijk, die zo ongrijpbaar als schuim lijkt, wil met zijn Sphären-trilogie een filosofisch tegenverhaal schrijven waarbij «links» en «rechts» (de neoconservatieven) het moeten ontgelden ten gunste van de «hemelvaart van de lichtzinnigheid» omdat er anders geen cultuur mogelijk zou zijn. Sloterdijk houdt een pleidooi voor filosofie en kunst als spel met de zwaartekracht. Die artistieke levitatie-activiteiten van Diogenes-achtige dwarsliggers die afstand hebben genomen van massacultuur, massahysterie en massabedrog leveren platoonse zielen op die rondzwerven tussen ademruimten, «als immigranten en mensen op doorreis» (Sphären I: Blasen).
Tegelijkertijd wil Sloterdijk, in navolging van Friedrich Hegel (Phänomenologie des Geistes) en Oswald Spengler (Der Untergang des Abendlandes), ook een morfologie van de eigentijdse wereldgeschiedenis schrijven. Schäume is een mentaliteitsgeschiedenis die steunt op de eerste twee Sphären-delen waarin Sloterdijk een alternatief genesisverhaal aanbiedt met als leidraad de vraag: waar zijn we als we in de wereld zijn?
Daarbij waagt Sloterdijk zich op het terrein van de theologie, de geneeskunde, de biologie, de architectuur, de antropologie, de psychologie, de sociologie, de sport (hij ziet een overeenkomst tussen het olympisch pathos en de «atletische Renaissance» via de nazi-ideologie; Spengler zag al nauwelijks verschil tussen een Berlijns sportpaleis in 1914 en een Romeins circus), de beeldende kunst en de literatuur.
Om de drie Sphären-delen niet uit elkaar te laten spatten door gigantisme en een te grote diversiteit jongleert Sloterdijk met metaforen: bel, bol, kogel, globe, schuim. Die treffende beelden verlenen zijn vertelling over menselijke sferen of woon- en leefgewoonten (sphaira is Grieks voor kogel) niet alleen literaire samenhang («onze roman van de ruimten») maar ook diepgang, speelsheid en originaliteit.
We leven in een universum dat vergeven is van schuim zonder dat we daar besef van hebben. Die galactische schuimstructuur weerspiegelt niet zozeer een universum als wel een multiversum van aan elkaar klevende titaanse zeepbellen. De miljarden melkwegstelsels hebben een schuimachtig arrangement.
In zijn boek Universal Foam, door Sloterdijk geciteerd, signaleert Sidney Perkowitz een frappante overeenkomst tussen de opbouw van de kosmos en het leven op aarde: samenklittende en zich vermenigvuldigende cellen. Dat zo’n vluchtige, poreuze substantie een cruciale rol kan hebben gespeeld bij het (toevallige) ontstaan van het nog immer uitdijende heelal is een verbijsterende gedachte, evenals de constatering dat iets uit niets kan ontstaan (de Big Bang) of dat er zoiets bestaat als quantumschuim en dat ruimtetijd, volgens Stephen Hawking, een schuimstructuur heeft. Slagroom, mousse, cappuccino, soufflé, scheerschuim, brood, puimsteen, spons, bier, wijn, schuimtaartjes, schuimplastic, kleefschuim, kurk, pvc, aerogel (gel gemaakt uit glas), melk (vetbellen in water). In talloze mythen wordt zeeschuim als symbolisch sperma met het begin van de wereld geassocieerd: kijk maar naar Botticelli’s Venus.
Er bestaat zelfs een schuimwetenschap omdat het flexibele transformatiegedrag van schuim nog met vele raadsels is omgeven. Schuim opent de deur naar technologische ontwikkelingen met positieve en negatieve gevolgen. Plastic, pvc en schuimplastic – de verpakkingen van het McDonald’s-voer – laten zich moeilijk afbreken en hebben daarom in Amerika de bijnaam «het kikkerdril van de duivel» gekregen. Antiterrorismeschuim wordt ingezet om illegale toegang tot bijvoorbeeld kerncentrales of luchthavens te voorkomen. Dat schuim bevat chemicaliën die gifgassen (mosterdgas, sarin) deactiveren en afbreken. Buiklandingen van vliegtuigen vinden vaak plaats in vuurbestendig schuim gemaakt uit sojabonen. Amerikaanse soldaten in Somalië hadden kleefschuimgeweren om zich te kunnen verweren tegen aanvallen met chemisch gif. In de medische wereld is vloeibaar schuim geschikt als bloedstelpend of bloedstollend middel. Bij het bouwen dient schuim als isolatiemateriaal. De esthetische aantrekkingskracht van schuimvormen is groot: de flexibiliteit en houdbaarheid van plastic biedt ongekende mogelijkheden.
Schuim als filosofische metafoor biedt Sloterdijk een kneedbare redeneervorm die zijn verhaal over de «ademruimte» van de moderne mens gestalte en allure geeft. Dwars tegen opdringerig ressentiment, negativis me, angstcultuur of «victimspeak» schrijft hij zijn morfologie van het schuim: een hyperbolisch, hier en daar parodiërend levensverhaal over homo sapiens, homo ludens, homo creator of de mens als «luxewezen» (een term die haaks staat op homo pauper of Gehlens sombere Mängelwesen).
Met behulp van de schuimmetafoor bouwt Sloterdijk aan een republiek van de ruimten. Nu na Nietzsche «de kogel is geïmplodeerd», het onbeweeglijke monotheïsme is verdwenen en de schadelijke god van de consensus een toontje lager zingt, biedt de metamorfosekwaliteit van het schuim de mogelijkheid het pluralisme van duizenden uiteenlopende existentiële ervaringen te verwoorden vanuit wisselend perspectief en uiteenlopende disciplines. Schuim is luchtig, vluchtig, flexibel en licht maar ook substantieel. Schuim is echt «bedrog», doet denken aan luchtkastelen maar heeft een vormkrachtige potentie en mag nectar van de onsterfelijkheid genoemd worden. In de poëtische taal van Peter Sloterdijk: «In schuim voelen de dromers en de agitatoren zich thuis, net als in kaartenhuizen.» Sloterdijk doet aan «schuimduiding» en weigert te geloven dat het schuim «het uitgaansuniform van het nihil is». Als de droom de koninklijke omweg naar het onbewuste is (volgens Sloterdijk Nietzsches ontdekking) weerspiegelt die droom het toevallige, vluchtige, vergankelijke en atmosferische.

Sloterdijks schuimduiding is polysferologie of verbrede broeikaskunde. Als we de middeleeuwse monnikencel met de huidige leefcel (de woning als «zeepbel» volgens Le Corbusier) mogen vergelijken is de «samenleving» te omschrijven als connected isolation of living apart together. Men isoleert zich en immuniseert zich, maar men leeft ook in wisselende kringen: gezin, school, werk, kunst, subcultuur, sport, politiek et cetera. De «samenleving» – maar als iedereen een eiland is, hoe staat het dan met de samenleving? – bestaat uit vele voortbrengselen van immuniteitsruimten, «als schuim», terwijl er vroeger een metafysisch immuunsysteem heerste, een systeem dat met «de dood van de wereldziel» en het zich afwenden van het pantheïsme teloorging.
Peter Sloterdijk heeft het niet zo op het begrip «samenleving» of «Heimat». In het kielzog van Heidegger, die hij in Schäume overigens ook kritiseert, houdt hij een pleidooi voor vaderlandsloosheid, beweeglijkheid, ontworteling en nomadisch denken. Wat is samenzijn? Sloterdijk schrijft niet over samenlevingen maar over ruimteveelheden, over talloze vormen van met elkaar verkeren. De mensheid leeft, weeft en bestaat in een architectuur van schuim, in een voortdurend proces van inbedding, onderdompeling en afscheiding. Mensen zijn wezens die volgens Sloterdijk op eilanden als «bezielde binnenwerelden» iets te zoeken hebben omdat juist daar de verhouding tussen «ik» en «wereld» scherpere contouren krijgt. Eilanden zijn wereldmodellen in de wereld, enclaves, utopische mogelijkheden.
Opvallend is dat Sloterdijk decennia na dato zeer positief is over Constants Nieuw-Babylon-experiment. Voor hem is Constants artistiek-architectonische gedachte-experiment een vruchtbaar voortbrengsel van «de verbeelding aan de macht», de slogan uit de jaren zestig die Sloterdijk op zijn wijze weer omhelst. Constants tweede Babylon was een stad in de lucht, een anti-autoritaire wereldstad van de toekomst, een mobiele leefgemeenschap van collectieven die de aarde als een flexibel net zou omspannen, of zoals Roel van Duyn schrijft in Het witte gevaar (1967): «De bodem blijft vrij voor snelverkeer en landbouw, vrije natuur en historiese monumenten, de daken der sektoren dienen tot vliegvelden en promenades.»
In een samenleving met dunne wanden blijft de woning een lastig immuunsysteem ondanks airco, meubeldesign of lichtcultuur. «Wie uit de zo duidelijke immuniteits- of solidariteitsgemeenschap treedt, geldt traditioneel als een verrader.» Die verraders hebben Sloterdijks sympathie. Want het esthetisch modernisme is terrorisme tegen culturele verhoudingen, een permanente mentaliteitsstrijd om een goede airconditioning, een veilige ruimte voor de mens als weerloze ademhaler.
Het woord met de onheilszwangere betekenis is gevallen: terrorisme. Heraclitus mag dan gezegd hebben dat de strijd de vader is van alle dingen, terreur is de vader van de wetenschap en de culturen. Alle geschiedenis bestaat uit strijd tussen groepen uitverkorenen. Met die definitie gaat Sloterdijk dwars tegen Marx en Engels in.
In Schäume heeft Sloterdijk een groot hoofdstuk opgenomen dat eerder in kortere vorm verscheen: Luftbeben. Deze briljante herschrijving van de twintigste eeuw – niet als een «tijdperk van extremen» volgens de marxistische historicus Eric Hobsbawm, maar als nachtmerrie van de airconditioning – stelt de geschiedenis van gif, gas en terreur centraal. Hobsbawm zag tussen 1914 en 1989 talloze «revoluties»; Sloterdijk schrijft pontificaal: «Wij zijn nooit revolutionair geweest.» De revolutiemetafoor vindt Sloterdijk onduidelijk. Nergens in de geschiedenis hebben boven en onder rigoureus van plaats verwisseld, ondanks alle terreur of opstand of verzet. Niet de grote omwenteling maar het «discrete verdergaan», de voortdurende vlucht uit de status quo, staat aan de basis van een adequate geschiedschrijving die raakt aan Sloterdijks lichtvoetige én zwaarwichtige filosofie. Moleculair gezegd ondergaat de wereld kleine veranderingen: «Al het nieuwe dat verder voert is operatief, effectief en innovatief.»
Peter Sloterdijk laat de twintigste eeuw beginnen op 22 april 1915 in de loopgraven nabij Ieper. Op die dag veranderde het negentiende-eeuwse terrorisme van nihilistische bommengooiers definitief van gedaante. In plaats van de vijand rechtstreeks aan te vallen, hadden de Duitsers het met hun eerste gifgasaanval gemunt op de atmosfeer, op de ademruimte van de tegenstander. Het slagveld werd veel groter, de lucht erboven werd erbij betrokken. Sloterdijk ziet een direct verband tussen die eerste gifgas aanval, Zyklon B, de gaskamers in de Tweede Wereldoorlog, Hiroshima, napalmbombardementen en het huidige terrorisme, dat óók op de vernietiging van de leefomgeving is gericht en door haar tactiek een «angstcultuur» kweekt. Hij acht de war on terrorism-terminologie van de regering-Bush en de Amerikaanse televisiestations onzinnig.
Het moderne terrorisme, dat volgens Sloterdijk de 21ste eeuw zal beheersen, is een modus operandi, een strijdmethode die zich over beide zijden van het conflict verdeelt. Die «oorlog tegen het terrorisme»-formulering verft een allegorie tot vijand. «Het terrorisme is de explicatie van de ander vanuit het perspectief van zijn uitroeibaarheid.»

Is Sloterdijks schuim – zijn pleidooi voor dwarse lichtvoetigheid, voor optimisme en een vrolijke wetenschap – wel bestand tegen de onzichtbare vernietigingsmachine en angstopwekker die terrorisme heet? Kan een flexibele dam van schuim een adequaat bastion blijven tegen vreemdelingenhaat, fundamentalisme en terrorisme? Niet iedereen is in staat als een Diogenes in een ton te wonen. En is zijn frivole toon over de bereikte «rijkdom» in de Eerste Wereld wel gepast? Wie goed leest, merkt dat er in Schäume twee stemmingen om voorrang strijden: de constatering dat het terrorisme deze eeuw zal beheersen staat haaks op het pleidooi voor licht en lucht en vrolijkheid. Houdt Peter Sloterdijk ons voor de gek? Is dat sloter dijkiaanse dialectiek? Is zijn schrijfonderneming «bescheiden hoogmoed»? Ik meen dat hij zijn lezers per se wil prikkelen door vast te blijven houden aan de kunst van het mogelijke, aan de filosofie die een Nieuw Babylon niet honend wegredeneert naar de mestvaalt van de geschiedenis. Filosoferen is speelruimte scheppen tegen het vergeten, tegen de vernietigingsdrift. Daarom heeft Sloterdijk in de eerste twee Sferen-delen veel overhoop gehaald dat uit ons geheugen dreigde te verdwijnen. Schäume kunnen we lezen als een filosofische roman met elementen van parodie, provocatie en pastiche, maar ook als een poging vastgeroeste perspectieven met de wonderolie van Sloterdijks poëtische stijl en ruimdenkende, metaforische redeneertrant los te wrikken.
Als de term niet zo beladen was, zou ik de Sferen-trilogie willen kenschetsen als een poging tot scheppen van een «nieuwe orde» en een nieuwe blik in de filosofie. «Cultuur is slechts een dun appelschilletje om een gloeiende chaos.» Dat merkte Nietzsche op in zijn wenken voor een heroïsche filosofie (Umwertung aller Werte). Peter Sloterdijk, net als de filosoof met de hamer een schrijver die het Grote Gebaar niet schuwt, heeft er misschien voor gezorgd dat dat schilletje weer wat minder dun is geworden.

Peter Sloterdijk
Sphären III: Schäume. Suhrkamp, 916 blz., € 29,90

Sidney Perkowitz
Universal Foam: Exploring the Science of Nature’s Most Mysterious Substance
Anchor Books, 194 blz., € 17,05