Het kind in de grot

Vrouwen leren al vroeg boeken te lezen met mannelijke hoofdpersonages. Andersom is dat niet zo. Ziedaar de kiem van ‘de vrouwenkwestie’ in de literatuur.

Een van de eerste keren dat ik me bewust liet meeslepen door een bedacht personage, was ik een jaar of vijf. Ik zat naast een vriendje op de houten banken van het buurtgebouw en staarde gefascineerd naar het filmdoek. Bij mijn vriendje voelde ik dezelfde spanning en opwinding als bij mezelf. De film speelde zich grotendeels af in een grot waar een kind dapper standhield tegen het dreigende gevaar. Na afloop renden we, zonder een woord te wisselen, zo hard als we konden naar het huis van mijn vriendje om in de keuken aan zijn moeder verslag te doen. We buitelden over elkaar heen met vertellen. Plotseling, midden in ons verhaal, vielen we alle twee stil en keken elkaar aan. Mijn vriendje sprak over een ‘hij’, terwijl ik het over een ‘zij’ had. Kennelijk had hij de hele film naar een jongen zitten kijken, terwijl ik toch zeker wist dat het een meisje betrof. Beduusd liep ik naar huis. De prettige verbondenheid van de gedeelde ervaring was verdwenen. Natuurlijk doet het er niet wezenlijk toe of het kind in de duistere filmgrot een jongen of een meisje was. Wat ertoe doet, is dat je kennelijk van nature geneigd bent je te identificeren met iemand van je eigen sekse.

Ik weet niet hoe de ontwikkelingspsychologen erover denken, maar mijn stellige indruk is dat er in die periode van de kleutertijd sprake is van een groot vrouwelijk bewustzijn. Meisjeskleuters tooien zich in prinsessenjurken, voelen zich de koningin van het universum en ervaren een vanzelfsprekend overwicht op jongens, die ze met enige meewarigheid aanschouwen. Dat de grotemensenwereld door mannen gedomineerd wordt, staat zo ver van ze af en contrasteert zo met hun zelfbeeld dat het niet eens voorstelbaar is.

Maar dan komt de kennismaking met het fictieve personage op papier. En daar hebben we mogelijk het beginpunt te pakken van wat ik gemakshalve maar ‘de kwestie’ noem. Een van de eerste keren dat een Nederlands kind tegenwoordig in aanraking komt met verhaalpersonages is via de vermaarde Bobo, het peuter- en kleuterblad waar iedere zichzelf respecterende ouder zijn kind op abonneert. Opgewonden bracht mijn dochter het tijdschrift acht jaar geleden mee naar huis. De eerste getekende verhaaltjes die ze zelf kon ‘lezen’. Maar terwijl ik haar gadesloeg bespeurde ik verwarring en ook een vleugje teleurstelling. Bladerend door de Bobo ontdekte ik de mogelijke oorzaak: er stonden bijna alleen maar jongetjes in. Ook de dierenfiguren waren duidelijk van mannelijke kunne.

Als je de figuurtjes telde, kwam je uit op een zestigtal personages, waarvan er niet meer dan pakweg tien een meisje waren. En dan ook nog in een dramatisch oninteressante rol. Goed voor een bijrol, maar meer ook niet. En daar begint het dan: de harde training die meisjes ondergaan om te leren zich in te leven in en te identificeren met het mannelijke personage. Om zo via zijn ogen de fictieve wereld te betreden en het verhaal in te gaan. Ze zullen wel moeten: als ze hun neus ervoor ophalen, gaat er veel moois aan diezelfde neus voorbij. Jongens wordt vanaf het begin in boeken, films, strips et cetera een keur aan interessante mannelijke personages geboden en die paar interessante meiden in de hoofdrol kunnen ze (ogenschijnlijk) probleemloos links laten liggen. Dit gegeven zou verregaande gevolgen kunnen hebben. Als je niet gewend bent je te verplaatsen in het vrouwelijke personage en haar niet te zien als een mens zoals jijzelf, als archetype, als product van de literaire verbeelding die het hele spectrum aan potentiële menselijke eigenschappen kan verbeelden, wat moet je dan op volwassen leeftijd aan met romans over een vrouwelijk personage? De kans bestaat dat zij voor deze ongeoefenden nooit meer dan een buitencategorie zal zijn.

Wie herinnert zich niet de wereld der smurfen? Je had de bange smurf, de dichtsmurf, de ijdele smurf, de lolsmurf, de verliefde smurf, de driftige smurf en ga zo maar door. En dan, als je het al niet meer verwachtte, kwam er het smurfinnetje. Niet alleen was de smurfin een buitencategorie, ze was ook leeg en passief. Ik herinner me de schok toen ik het als zevenjarige las. Moest ik dan die smurfin zijn, gemaakt door Gargamel de tovenaar en louter geschapen om de smurfen het hoofd op hol te brengen?

De training van een zevenjarig meisje gaat door, alle Annie M.G. Schmidts en Astrid Lindgrens ten spijt. Natuurlijk wist J.K. Rowling heel goed wat ze deed toen ze van Harry Potter een jongetje maakte. Had ze er een meisje van gemaakt, dan was ze wereldwijd een groot deel van de jongenslezers al bij voorbaat kwijt. En de meisjeslezers? Die zijn er op die leeftijd toch al voldoende in getraind zich te verplaatsen in de andere kunne.

Dan, op twaalfjarige leeftijd, kan er aan ‘de kwestie’ nog een nieuwe dimensie worden toegevoegd. Mijn dochter, die boeken verslindt, kwam op een dag thuis uit school en meldde met enige verontwaardiging dat de leraar niet méér meidenboeken in de klas wilde dan de paar die er in de kast stonden. Ze moesten goede boeken lezen, échte boeken. Dat wat men vroeger misschien jongensboeken zou hebben genoemd, werd nu aangeduid als ‘gewone boeken’. Dat wil zeggen dat er voornamelijk jongenspersonages in opereerden die avonturen beleefden. In het gemarginaliseerde plukje ‘meidenboeken’ opereerden meiden in de hoofdrol en speelden de avonturen zich af in de sociale sfeer. Het stempel was gezet, en nog wel door de hooggewaardeerde meester en literatuurkenner: er zijn échte boeken en slechte boeken. Van nu af aan was het niet alleen lastig om via een vrouwelijk personage het literaire verhaal te beleven, het was ook van minder niveau.

Ik weet, het is een generalisatie en er zijn schitterende uitzonderingen, maar volwassen mannen lezen niet zo snel boeken over vrouwen. Gezien het bovenstaande is dat eigenlijk niet zo vreemd. In de ontwikkeling van zijn leesgedrag heeft de mannelijke lezer zich niet keer op keer gedwongen of verleid gevoeld via een vrouwelijk personage de verhaalwereld te bezien. Voor hem is een vrouwelijk personage nooit die universele mens geworden met wie hij zich kan vereenzelvigen. Zij is altijd een buitencategorie gebleven. En laten we wel wezen, ook voor de vrouwelijke lezer kan het op den duur vreemd aandoen het vrouwelijke personage als dusdanig te bezien.

Ik ben van mening dat de Nederlandse literatuur lijdt aan schaarste aan sterke vrouwelijke personages. En dan bedoel ik sterk in de zin van dramatisch sterk, iemand die in staat is een hele verhaallijn te dragen, strevend, liefst met archetypische kwaliteiten. Het is niet onwaarschijnlijk dat het bovenstaande daar debet aan is. Dat zou betekenen dat er maar één ding op zit: meer en meer sterke vrouwelijke personages creëren, liefst een hele Olympus vol. Zodat er een heuse traditie ontstaat, om – ook als auteur (m/v) – uit te kunnen putten en door te laten inspireren. Maar bovenal moet het vrouwelijke personage natuurlijk iets afdwingen, en dat is: gelezen willen worden.

Mirjam Boelsums is socioloog, schrijver en documentairemaker. Haar debuutroman Slangen aaien (1998) werd bekroond met de Debutantenprijs. Vorig jaar verscheen haar tweede roman, In zeven dagen_. Haar werk verschijnt bij uitgeverij Augustus_