Het kind is keizer

EEN TYPISCH GEZELSCHAP in een Chinees familierestaurant bestaat uit zeven personen: vier grootouders, twee ouders en hun (klein)zoon of -dochter. Over de vraag wie de centrale figuur aan tafel is, kan niet de minste twijfel bestaan. Dat is niet de vader of de grootvader, maar het kleine keizertje of keizerinnetje. Zijn of haar willetje is ook aan tafel wet. In China hebben de kinderen de macht overgenomen, niet dankzij hun aantal maar juist dankzij hun schaarste. Wat is er van het confucianistische patriarchaat geworden?
Een paar millennia lang is de familiestructuur in China praktisch ongewijzigd gebleven. Totdat Mao kwam. Hij probeerde de familie ondergeschikt te maken aan het collectief, maar hakte niet in het kindertal. Integendeel, de grandeur van China en de behoefte aan kanonnenvlees waren volgens de Grote Stuurman reden om iedere vorm van gezinsplanning te verbieden. Daarmee sloot de beeldenbestormer Mao naadloos aan bij China’s traditie. Chinese ouders hebben immers altijd veel kinderen gewild, vooral jongens. Als die de slachting van de kindersterfte hadden overleefd, moesten ze helpen op het land, en later het boerenbedrijf overnemen en hun ouders verzorgen als die niet meer konden werken.
Dankzij een enorme sprong voorwaarts op het gebied van de gezondheidszorg nam onder Mao de bevolking toe als nooit tevoren: van 550 miljoen aan het begin van de jaren vijftig tot een miljard in 1980. De Kleine Stuurman Deng Xiaoping wilde aan die bevolkingsexplosie een radicaal eind maken, omdat ze onverenigbaar was met zijn project voor een economische revolutie. Rijk worden is glorieus, zo luidde het nieuwe dogma, maar hoe konden de Chinezen rijk worden als ze zo veel monden moesten voeden?

En zo begon de meest drastische bevolkingspolitiek die de wereld ooit gekend heeft. Stedelingen mochten voortaan nog maar één kind hebben en plattelanders maximaal twee als het eerste kind een meisje was; alleen etnische minderheden mochten zich een grotere kinderweelde permitteren. Daardoor heeft China, zo beweren de autoriteiten, zichzelf en de wereld tot nu toe vierhonderd miljoen mensen bespaard. Anders zou China geen 1,3 miljard inwoners hebben, maar 1,7 miljard.
Prima voor de groei van de Chinese economie, maar op andere gebieden heeft de geboortebeperking, nog afgezien van de uitwassen, onvoorziene en vaak ongewenste gevolgen gehad. In één generatie tijd is er van de oude familiestructuur weinig meer overgebleven, en in de steden van de oude Spartaanse seksuele moraal evenmin. Echtscheiding, vroeger een schande en alleen mogelijk na toestemming van de Communistische Partij, is opgerukt, en ongetrouwd blijven levert niet meer het oude stigma op.
Het lijkt alsof de autoriteiten zich nog altijd niet volop bewust zijn van de copernicaanse consequenties van hun bevolkingspolitiek. Op het enige kind ligt vanaf zijn vroegste jeugd een enorme druk, uitgeoefend door zes volwassenen van de twee generaties boven hem: druk om te presteren, druk om in alles de beste te zijn, druk om de uitgedunde familie een mannelijke telg te schenken, druk om later de (groot)ouders te verzorgen. In ruil daarvoor wordt het enige kind nooit iets ontzegd, wat vaak aan de omvang van zijn taille duidelijk is af te lezen. Kinderen die alles krijgen wat hun hartje begeert en nooit eens nee horen, denken al snel dat ze het centrum van het universum zijn. De assertiviteit – om het niet arrogantie te noemen – van de jonge generatie van de Chinese stedelijke middenklasse vloekt dan ook met de klassieke bescheidenheid.
Vroeger woonden er vier generaties onder één dak. In de huizen van tegenwoordig is er net plaats voor twee generaties: de ouders en hun enige kind. Doordeweeks wordt dat kind vaak bij de grootouders gestald omdat de ouders het allebei te druk hebben met hun baan. Iets dergelijks komt ook vaak voor op het platteland, wanneer beide ouders wegtrekken om in de steden naar werk te zoeken. Hun kroost laten ze meestal achter bij de grootouders. In totaal zijn dat nu zo’n 58 miljoen kinderen. Vaak zien ouders en kinderen elkaar maar één keer per jaar, wanneer de migranten met Chinees Nieuwjaar teruggaan naar hun dorp. Een onderzoek naar de fysieke en psychische toestand van deze ouderloze kinderen had een droevig, maar niet verrassend resultaat. De aanbeveling om voor hen crèches, kleuterscholen of kostscholen te bouwen, stuit op gebrek aan geld en politieke onwil.
Het éénkindbeleid botst steeds meer met de confucianistische kinderplicht om te zorgen voor bejaarde ouders. Het enige kind kan die zorg vaak niet opbrengen en heeft thuis ook niet voldoende ruimte. Mensen die het betalen kunnen, stoppen hun ouders in bejaardenhuizen, maar daarvan zijn er veel te weinig. Bovendien kleeft aan die huizen een oud odium: ze zijn er alleen voor de beklagenswaardige lieden die geen kinderen hebben kunnen krijgen.
Door de vermindering van het aantal geboortes en een verdere terugdringing van de kindersterfte wordt de gemiddelde Chinees steeds ouder. Wat dat betreft is er geen verschil met de gemiddelde Nederlander. Maar er is wel een enorm financieel verschil: bejaarden in Nederland hebben een AOW-uitkering en een pensioen, terwijl honderden miljoenen Chinezen niets hebben behalve hun kinderen. China wordt het eerste land van de wereld dat eerder grijs wordt dan rijk. Het aantal Chinese zestig-plussers zal toenemen van 140 miljoen nu tot 400 miljoen in 2050. Intussen neemt het aantal personen in de productieve leeftijd in dezelfde mate af en begint een economische, sociale en politieke tijdbom te tikken. Een algemeen pensioenstelsel dat het tikken kan doen stoppen, is nog nergens te bekennen.

Er zijn andere, niet minder ernstige consequenties van het drastische bevolkingsbeleid, zoals de toenemende wanverhouding tussen het aantal jongens en meisjes. Het oude idee dat je aan een meisje weinig hebt, leeft hardnekkig voort, vooral op het platteland. Het strenge geboortebeperkingsbeleid maakt dat veel ouders niet het risico willen lopen dat ze een dochter krijgen. De massale moord op meisjesbaby’s uit vroeger tijden heeft plaatsgemaakt voor abortus op niet minder massale schaal. Als een scan uitmaakt dat er een baby van het ongewenste geslacht op komst is, is de ingreep snel uitgevoerd.
In 1979, het jaar dat de éénkindpolitiek begon, had een gemiddeld Chinees echtpaar bijna zes kinderen. Tegenwoordig zijn dat er officieel 1,8, met de aantekening dat de geboorte van een onbekend aantal kinderen niet wordt aangegeven omdat het meisjes zijn, of omdat hun bestaan in strijd is met het maximaal toegestane kinderaantal, of omdat de papieren van hun ouders niet in orde zijn. Rijke Chinezen hebben vaak ook meer kinderen dan officieel mag, want ze kunnen met gemak de boete betalen. In die kringen is de waarde van een kind in één generatie tijd radicaal veranderd: van kanonnenvlees tot statussymbool.