Hoofdcommentaar

Het kind van Rouvoet

reageer online

De aanpak van kindermishandeling is een van de meest complexe issues van nu. Niet omdat iemand voorstander zal zijn van het jaarlijks geestelijk en lichamelijk mollen van zo’n honderdduizend minderjarigen. Kindermishandeling neemt de laatste jaren ook niet rap toe, het wordt alleen zichtbaarder. Dat komt omdat dit kabinet de aanpak ervan – terecht – hoog op de agenda heeft gezet.
Wat dit onderwerp zo lastig maakt, is de vraag wie wanneer en hoe moet ingrijpen. Het antwoord lijkt bij deze onomstreden misstand relatief gemakkelijk. Maar dat is niet zo. De aanpak onder minister Rouvoet getuigt van een dwingende cultuuromslag van een te vrijblijvende (beroeps)houding naar meer (verplichte) verantwoordelijkheid ten aanzien van kinderen in nood. Deze tendens raakt aan een breder maatschappelijk fenomeen: het afkalven van onze privacy en het risico op misbruik van antecedenten, vastgelegd in gekoppelde digitale bestanden.
Twee recente voorstellen laten zien dat vrijblijvendheid bij ernstige gezinsproblemen niet langer wordt getolereerd. Vorige week maakte de artsenvereniging KNMG bekend dat artsen bij een vermoeden van kindermishandeling verplicht melding moeten doen bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). De zorgplicht voor het kind weegt zwaarder dan het beroepsgeheim, aldus de nieuwe meldcode. Artsen mogen zich niet meer verschuilen achter angst dat ouders hun mishandelde kind dan niet meer brengen en het op de bank thuis laten bijkomen van de klappen.
Het andere plan heeft betrekking op de sociale omgeving. Deze week presenteren de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en de Raad voor Volksgezondheid en Zorg een advies aan minister Rouvoet van Jeugd en Gezinszaken. Daarin staat dat ouders andere ouders moeten aanspreken op de opvoeding van de kinderen. De onderzoekers vinden dat de overheid kindermishandeling ook kan voorkomen door geld te investeren ‘in informele netwerken, sociale verbanden en contacten tussen gezinnen’. Dat is volgens hen minstens zo belangrijk als miljoenen euro’s besteden aan kinddossiers, verwijsindexen, risicotaxatie en ambtelijke overlegstructuren. Dit advies is voor de minister de basis voor zijn Gezinsnota, waaraan hij op dit moment werkt.
Beide voorstellen zijn goed, maar dragen ook risico’s in zich van grensvervaging. Artsen staan er niet om bekend modieus te reageren op maatschappelijke tendensen. Het voorstel van de KNMG is ingegeven door gruwelijke praktijkervaringen. Tegelijk heerst op de werkvloer een terughoudende meldcultuur. Jaarlijks zijn van de zeventienduizend aangemelde kinderen slechts 350 door een arts geïnitieerd. Terecht vindt de KNMG dat veel te weinig.
Melden betekent overigens niet meteen een overvalwagen voor de deur om het kind met zwaailichten naar Jeugdzorg af te voeren. Er wordt eerst een huisbezoek afgelegd. Vaak blijkt dat ouders opgelucht zijn en kan met gezinshulp – tegenwoordig niet meer vrijblijvend – escalatie worden voorkomen. Bij structurele mishandeling zet het echter geen zoden aan de dijk.
Het argument dat bij verplichte melding ouders niet meer naar de eerste hulp komen, is ongeldig. Ze blijven nu ook al op grote schaal weg. Wat artsen wél op de eerste hulp zien, is het spreekwoordelijke topje van de ijsberg. Die gevallen zijn hartverscheurend en de verklaringen van de ouders doorgaans onverdraaglijk. Een stuiptrekkende baby die ‘per ongeluk van de commode is gevallen’, bij wie op de röntgenfoto blijkt dat de schedel vol zit met oude fracturen. Een kleuter vol bloeduitstortingen die ‘zo stom is geweest om al weer van de trap te vallen’. Een meisje uit groep 3 met een verregaande geslachtsziekte – het zijn geen uitzonderlijke cases die ouders meestal ‘slinks’ in weekenddiensten binnenbrengen. Hiervoor werkt een kinddossier met de medische historie heel adequaat.
Waar wél kanttekeningen bij geplaatst moeten worden is een protocol dat begin deze zomer in alle Haagse ziekenhuizen werd ingevoerd. Er is een checklist ontwikkeld voor volwassenen die in verdachte omstandigheden binnenkomen. Is er sprake van bijvoorbeeld drugsverslaving, ernstige psychiatrie of huiselijk geweld en blijken zij kinderen te hebben, dan worden die kinderen standaard gemeld. Daarop volgt een huisbezoek. Het privé-leven wordt aangemerkt als een risicofactor – en deze bemoeienis gaat wel erg ver. Rouvoet wil dit protocol na evaluatie waarschijnlijk landelijk invoeren.
Het idee achter het andere voorstel – bemoeienis met andermans kind – lijkt goed. Oude informele netwerken nieuw leven inblazen, zoals een huisbezoek van leerkrachten, zou volgens de onderzoekers juist het steeds hardere overheidsingrijpen in de opvoeding moeten voorkomen. Het wegvallen van deze sociale verbanden heeft de weg vrijgemaakt voor verregaande geïnstitutionaliseerde bemoeizorg. Het is natuurlijk altijd beter dat een buurvrouw een handje komt helpen en informeert hoe het gaat. Alleen, de dorpspompcultuur van weleer betekende ook afkeurend geroddel.
Met bemoeizorg en bemoeiburen kan kindermishandeling niet worden voorkomen. Maar om daar nu hysterisch helemaal tegen te zijn is te gemakkelijk. Daarvoor is kindermishandeling te ernstig. Een samenleving is verplicht om op zoek te gaan naar nieuwe vormen van preventie en aanpak. Uitwassen als de dood van Savana en ‘het meisje van Nulde’ zijn nodig geweest om aan te tonen hoe een kind letterlijk kan sneuvelen in langs elkaar heen werkende, veel te vrijblijvend handelende hulpverleners en zorginstanties. Ze laten tevens zien dat heil niet te veel mag worden verwacht van gedigitaliseerde instanties. Vrijheid mag nooit worden verward met vrijblijvendheid – het is bij kindermishandeling een wankel evenwicht.