Het kippenei debat

De nieuwe spelling heeft veel rumoer veroorzaakt. Talloze kranten bogen zich over de vraag of ‘kippenei’ nu zo veel beter is dan ‘kippeei’. Zelden werd echter de politieke kant aangeroerd. Dat gebeurt wel door de vijf mensen die De Groene voor een debat uitnodigde. ‘De kwestie van het Groene Boekje lijkt verdacht veel op de paspoort-affaire!’
NEE, ER WERD niet alleen gekankerd op het nieuwe Groene Boekje. In het begin van het gesprek waren de meeste deelnemers best bereid enige milde woorden te wijden aan de in december door staatssecretaris Aad Nuis gelanceerde Woordenlijst Nederlandse taal. Han van Gessel, eindredacteur van de Volkskrant-bijlage Folio, mede-auteur van het Volkskrant-stijlboek en samensteller van het Groot Dictee der Nederlandse Taal: ‘Eindelijk is het naast elkaar bestaan van een voorkeurspelling en een toegelaten spelling afgeschaft.’ ‘Mee eens’, zegt Maarten Asscher, directeur van uitgeverij Meulenhoff.

‘Dat akwarel met kw eruit is, vind ik alleen al vanuit esthetisch oogpunt absoluut een winst.’ Ludo Permentier, redacteur van de Vlaamse krant De Standaard: 'Dat er een eenheidsspelling zou komen, is wat we altijd verlangd hebben.’ En Rik Smits, van huis uit taalkundige, nu freelance journalist voor onder andere NRC Handelsblad en Kijk: 'Voor wie aan taalkunde doet, is dit vermakelijke kost.’ Alleen uit de mond van taalkundige Liesbeth Koenen, die samen met Rik Smits in de NRC het spellingdebat in Nederland aanzwengelde, valt geen goed woord over het Groene Boekje op te tekenen: 'Het had er nooit mogen komen. De regels voor de tussen-n en het trema zijn totaal onbruikbaar.’
Degene voor wie er het meest op het spel staat, is onmiskenbaar Ludo Permentier. 'Wij weten verdomd goed wat het betekent om geen officiele spelling te hebben. Wij hebben er vijftig jaar last mee gehad.’ Bij De Standaard hanteert men nu nog de zogeheten 'progressieve’ spelling, dat wil zeggen dat men kiest voor de meest vernederlandste variant van een woord, mits die wordt toegestaan door het Groene Boekje van 1954 of door Van Dale. 'Aanvankelijk dacht men in de Vlaamse pers nog dat de progressieve spelling een kans had om evenwaardig te worden aan de voorkeurspelling. De meeste kranten hebben in de jaren vijftig die progressieve spelling aangenomen. Maar dat is afgebrokkeld. Ze zijn bijna allemaal op de voorkeurspelling overgegaan. Zelfs Humo, dat enkele jaren geleden nog uit een allegaartje aan alle mogelijke spellingen bestond, is een jaar geleden op de voorkeurspelling overgegaan. Door al dat gedoe zijn we ons maar al te bewust van wat het voordeel is van een eenheidsspelling.’
Maar nu die eenheidsspelling er eindelijk is, zit Permentier met de handen in het haar: 'Ze hebben het verknoeid. Ze hebben misverstand op misverstand gestapeld. Een compleet gemiste kans.’
Bijval, veel bijval. 'Het was een kans’, zegt Van Gessel, 'om eindelijk eens een normaal hanteerbare en goed leerbare spelling te creeren. Je moet bedenken - en dat is een stokpaardje van mij - dat er in onze samenleving allemaal nieuwkomers zijn die de taal moeten leren. Maar de samenstellers hebben daar geen rekening mee gehouden, ze zijn weer op de oude voet verder gegaan, met gehakketak hier en gehakketak daar, jij dit en ik dat. Een ontzettend gemiste kans.’
Asscher: 'Leerbaarheid vind ik overigens een twijfelachtige deugd, ik vind het belangrijker dat de regels aansluiten bij de common sense. Woorden als ruggengraat, ladekast - het kan wel leerbaar zijn, maar het strookt niet met het gevoel.’
Smits: 'Het is vooral een gemiste kans in die zin dat er niet eerst eens goed is nagedacht over de vraag: waar praten we eigenlijk over? Ik hoor ook hier weer allerlei termen vallen als “eenvoudig” en “goed leerbaar”, maar we weten helemaal niet wat er in iemands hoofd omgaat als hij een spelling leert, als hij leest en als hij schrijft. Het resultaat is dat men met dezelfde natte vinger is gaan werken als De Vries en Te Winkel in de vorige eeuw. De argumenten die men hanteert, of het nu politieke, culturele, taalkundige of gemaksargumenten zijn, berusten op vooroordelen en niet op kennis.’
Permentier zal het debat geregeld 'stofferen’ met voorbeelden van die willekeur, hard lachend en met de vinger op het betreffende zere woord in het Groene Boekje: 'scheepvaartkringen - ja, dat woord staat erin - weten jullie waar je dat moet zoeken? Bij de i van in scheepvaartkringen!’
'WAT MIJ DAN ook zo opvalt’, vervolgt Smits, de kat op het spek bindend, 'is dat de wereld van het gedrukte woord - de uitgeverijen, de kranten - zo braaf achter het Groene Boekje aanholt, terwijl men er helemaal niet zo gelukkig mee is. Maar er is niemand die ze daarom vraagt, de spellingwet schrijft helemaal niets voor.’
Ja, hoe zit dat eigenlijk, wat gaan de krantenmakers en de uitgevers doen? 'Het ANP’, meldt Van Gessel, 'heeft besloten per 1 maart over te gaan op de nieuwe spelling. Nu hebben alle hoofdredacteuren de vraag voorgelegd gekregen: gaan jullie mee? Die vraag is wat de Volkskrant betreft bij mij terechtgekomen. En dan zeg ik: dat lijkt me rijkelijk vroeg, er zitten nog veel, wat dan heet, “implementatieproblemen” aan vast. En daar komt bij dat journalisten niet als de meest leergierige lieden te boek staan als het om dit soort kwesties gaat, die zeggen al gauw: dat is allemaal maar gezeur, typisch iets voor eindredacteuren.’
'Persoonlijk vind ik’, zo voegt 'dicteetor’ Van Gessel er nog aan toe, 'dat dit een goed moment is voor alle redacties van kranten om de collega’s weer eens met nadruk te wijzen op het belang van de verzorging van een tekst, met name wat betreft de spelling. Dat is tevens in het belang van het grotere publiek, dat wat de spelling betreft in de krant een soort ijkpunt zou moeten kunnen vinden.’
Asscher: 'Ook een uitgeverij, vind ik, heeft een zekere verantwoordelijkheid - jegens auteurs, jegens lezers, jegens de taal zelf. Juist die verantwoordelijkheid leidt mij er toe te zeggen dat we zeker niet ogenblikkelijk, en absoluut niet zoals het ANP per 1 maart, het Groene Boekje gaan invoeren. Het lijkt me verstandig om eerst nog eens een jaartje te wachten.’
'Ik heb overigens’, herneemt Van Gessel, 'in het Groene Boekje een paar punten ontdekt, waarvan ik bij ons ga voorstellen om die niet te volgen. Zoals de regel dat je woorden als bruinebonensoep aan elkaar moet gaan schrijven. Dat leidt tot veel te lange woordbeelden en die leveren rare effecten op in de kolommen. En we zouden minister en staatssecretaris in het ene geval met een hoofdletter en in het andere geval zonder moeten gaan schrijven, iets wat ongetwijfeld door ambtelijke kringen is ingegeven, maar wij hanteren de richtlijn: zo min mogelijk hoofdletters. Dat zijn dingen waarvan ik zeg: dat kunnen ze nou wel roepen, maar voor de tekstpraktijk gaat dat te ver.’
Asscher: 'De vraag is allereerst hoe je als uitgever met spelling omgaat. Er zijn natuurlijk auteurs die niets willen weten van spellingregels. Of je daarin meegaat, hangt van de autoriteit van de schrijver af. En wat deze nieuwe spellingregels betreft, zijn er woorden waarmee ik grote moeite heb. Neem nou novellebundel - dat is dermate strijdig met wat het is, namelijk een bundel novellen, dat het ondenkbaar is dat ik dat ga gebruiken. En zo zit het Groene Boekje vol met misbaksels. Dat leidt alleen maar tot de erosie van het gezag van de spelling, wat ik ontzettend betreur. Op het laatst krijg je de situatie dat kranten en uitgeverijen de spelling als te ingewikkeld afwijzen en allemaal een eigen huisstijl gaan creeren.’
'En trouwens’, zegt hij terwijl hij schalks een boek uit zijn tas te voorschijn tovert, 'wat moet ik hiermee?’ We lezen Paardejam, het nieuwe boek van Charlotte Mutsaers.
De meeste haast lijkt, ondanks zijn geharnaste kritiek, Permentier te hebben. Maar dat komt waarschijnlijk omdat hij de totstandkoming van de nieuwe spelling als een ware misdaadverslaggever op de voet heeft gevolgd. Hij was steeds als eerste op de hoogte van iedere wijziging, las alle verslagen en rapporten, hing voortdurend bij de betrokkenen aan de telefoon, tot de dag waarop hij, niet zonder trots, bij zijn hoofdredacteur binnen kon stappen met de mededeling dat hij in staat was binnen twee weken een volledig overzicht van de nieuwe spelling op te stellen. 'Hij verklaarde me voor gek, maar ik heb het gedaan. Niet in twee weken maar in twee maanden. Want wat ik allemaal niet ontdekte, je gelooft het niet. Wat er in de loop van de onderhandelingen met sommige woorden is gebeurd, daar stond ik versteld van.’
Op 11 december vorig jaar, vrijwel gelijktijdig met het Groene Boekje, verscheen De Standaard der Spelling, een bijlage waarin de nieuwe spelling in eenvoudige taal werd uitgelegd, compleet met lange reeksen voorbeelden. Nogal wiedes dat Permentier zijn voorsprong op spellend Vlaanderen en Nederland wilde vieren met een snelle invoering. Maar 1 januari werd 1 februari, 1 februari werd 1 maart. 'En nu hebben we besloten om op 1 april - ja, enige ironie kun je ons niet ontzeggen - op de nieuwe spelling over te gaan. Dat heeft technische redenen, maar ook politieke, omdat we door dat uitstel enige ruimte kunnen geven aan het debat dat nu toch onverwacht weer opnieuw is begonnen. Persoonlijk denk ik niet dat het veel zal uithalen, maar we wilden toch het gebaar maken.’
Haalt het debat over de nieuwe spelling echt niets meer uit? Valt er aan de officiele invoering van de spelling - september 1997 wordt zij verplicht voor overheid en onderwijs - niet meer te ontkomen? De stemming daarover zou tijdens het gesprek langzaam opschuiven. De verbazing en verontwaardiging over hoe het nieuwe Groene Boekje tot stand is gekomen, namen allengs toe.
WAAROM WORDT het Nederlandse taalgebied eigenlijk zo geplaagd door de ene spellingoorlog na de andere?
Rik Smits weet het: 'Dat is juist het gevolg van de neiging het allemaal zo strak te regelen. In de landen om ons heen is dat wel anders. Daar kennen ze geen spellingwet; daar laten ze het over aan een of ander gerenommeerd instituut dat bijna nooit zijn mond opendoet, of aan woordenboekenmakers die gewoon opschrijven hoe het is. Dat er bij ons zo veel rumoer over ontstaat, komt omdat de geschiedenis van de spelling in feite een geschiedenis van emancipatie is, van het verheffen van de arbeidersklasse. In Nederland was de taalkunde al in de negentiende eeuw het domein van onderwijzers, en niet van universiteiten zoals elders. Die onderwijzers zaten met een bevolking die nog in de middeleeuwen leefde en moest leren lezen en schrijven. Daarom zijn ze met zo'n typische sociale, didactische blik spellingen gaan ontwikkelen. Terwijl in de omringende landen de spelling een kwestie bleef van wat de heersende klasse nu eenmaal deed.’
Koenen: 'Ja, maar daar zaten ze ook niet met twee landen, zoals wij, twee landen die vinden dat ze moeten samenwerken. En daarom is die Taalunie er gekomen, een door en door politiek orgaan.’
'Zou het dan niet beter zijn’, oppert Van Gessel voorzichtig, 'wanneer Vlaanderen en Nederland ieder voor zichzelf een spellinggids zouden maken? Ik heb namelijk het idee - Ludo weet daar vast meer van - dat in het onderlinge contact tussen Vlamingen en Nederlanders dingen meespelen die niets meer met de oplosbaarheid van de problemen te maken hebben, maar met politiek en prestige.’
Permentier: 'Het punt is, de grens loopt al lang niet meer tussen Belgie en Nederland. In de jaren vijftig liep die nog wel tussen beide landen. Toen had je in de spellingcommissie nog de strijd tussen Vlamingen en Nederlanders. Ze kwamen allebei uit de Tweede Wereldoorlog. Nederland wilde vooral geen spelling die te veel op de Duitse zou lijken. Het Vlaamse bewustzijn zat in de lift en dus vonden zij de spellingkwestie bij uitstek een gelegenheid om zich af te keren van Franse invloeden. Maar die discussie is inmiddels afgelopen, die argumenten tellen niet meer.’
Smits: 'De reden waarom het hier ook sinds 1954, toen het eerste Groene Boekje verscheen, niet meer rustig is geweest, heeft te maken met het feit dat in Nederland de spelling echt een overheidsgebeuren is geworden. En dat betekent dat er ambtenaren zijn die hoe dan ook iets doen, of het nodig is of niet. Je moet een rapport hebben dat je aan je minister kunt geven, anders heb je geen recht van bestaan.’
Asscher: 'Wordt het geen tijd dat we gaan inzien dat al die opeenvolgende ellendemomenten niet anders zijn dan de laatste stuiptrekkingen van een Europese minderheidstaal die langzaam maar zeker plaats gaat maken voor een echte grote taal?’
Koenen: 'Hou toch op.’
Van Gessel: 'Moeten we soms terug naar het Latijn?’
Asscher: 'Maar waarom hebben de grote wereldtalen als het Engels, Frans, Spaans, Chinees dan al dit gedonder niet?’
Permentier: 'Dat hebben ze wel! Onlangs in Duitsland nog, en een jaar eerder in Frankrijk - wat een herrie over het afschaffen van een simpel dakje!’
Smits: 'Dat zijn incidenten. Wat we hier hebben is een continue, doorlopende strijd. Het houdt nooit op.’
HET IS DE OVERHEID - daar zijn de aanwezigen het over eens - die verantwoordelijk moet worden gehouden voor het rumoer dat nu is ontstaan. Ruim twee jaar geleden namen de ministers in de Taalunie het besluit dat in december 1995 een nieuw Groen Boekje moest verschijnen, een boekje dat kracht van wet zou krijgen. Maar toen de unie dat besluit nam, wist ze nog niet eens welke hervormingen ze zou gaan doorvoeren. De commissie-Geerts was nog druk bezig. In februari 1994 werden de voorstellen van Geerts echter van tafel geveegd. 'Waarom heeft’, vraagt Ludo Permentier zich verontwaardigd af, 'op dat moment de Taalunie niet besloten om dan maar niet in 1995 met een Groen Boekje te komen? Dat was beter geweest dan er zoals nu met de karwats een spelling door te jagen waar de hele bevolking ongelukkig van wordt. Dat is een politieke blunder geweest. En als de unie nu zegt: Van Dale zadelt ons uit commercieel eigenbelang op met een heleboel verwarring door met een nieuw woordenboek en een nieuwe spellinggids uit te komen die afwijken van het Groene Boekje, dan zeg ik: het is juist de Taalunie geweest die ons, al evenzeer uit commerciele motieven, met die verwarring heeft opgezadeld.’
'Inderdaad’, vult Smits aan, 'want dat is er eigenaardig aan toegegaan, met dat gunnen van de order voor het Groene Boekje aan de Sdu, de voormalige staatsuitgeverij. Dat is in feite een politiek schandaal!’
'Maar er is destijds wel degelijk door andere uitgevers tegen geprotesteerd’, weet Maarten Asscher tot ieders verrassing te melden. 'Bij monde van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond hebben ze bezwaar aangetekend tegen de exclusieve gunning van de opdracht aan de Sdu. Vanaf dat moment is het materiaal dat de Taalunie afscheidde, toegestuurd aan alle uitgevers die daarin geinteresseerd waren, zodat ook zij op de order zouden kunnen intekenen.’
Permentier: 'En bedenk daarbij eens dat de Sdu eigenlijk al een slechte reputatie had door dat vorige Groene Boekje, die Herziene Woordenlijst uit 1990.’
Koenen: 'Het meest hybride, krankzinnige produkt aller tijden! Daar zijn er driehonderdtachtigduizend van verkocht, terwijl het niet eens een officiele status had! Toch heette het ook het Groene Boekje en zag het er precies zo uit. De Taalunie is er niet voor niets woedend over geweest.’
Permentier: 'Je zou dan toch denken: als de Taalunie enig schaamtegevoel heeft, zou de Sdu de laatste moeten zijn om de order te krijgen.’
Asscher: 'Al was het alleen maar omdat ik nu, bij het nieuwe boekje, een loep nodig heb die zestien maal vergroot om te kunnen vaststellen dat jeuig zonder trema is en smeuig met.’
Smits: 'Het gaat hier om een kwestie van de nodige importantie. Het gaat om een overheidsopdracht en daar zijn in Europa regels voor. Internationale orders boven de twee miljoen moeten openbaar worden aanbesteed. En om zo'n opdracht gaat het hier. Het gaat om een internationale order - Nederland en Belgie! - waarvan de omzet gegarandeerd veel groter is dan twee miljoen. Door het niet openbaar en internationaal aan te besteden, overtreedt de overheid de Europese regels. Maar geen kamerlid dat vragen stelt. Dat is toch raar. Dat is achterkamertjespolitiek.’
IS DE ORDERKWESTIE al een kamerdiscussie waard, dat geldt misschien nog meer voor de kwaliteit van het uiteindelijke produkt. 'Als je ziet welke taalkundige onderbouwing het Groene Boekje heeft’, zegt Smits, 'ja, neem me niet kwalijk, maar dat is semi-taalkunde van de kouwe grond, hoor.’
Koenen: 'Het is nog erger: de taalkundigen van de commissie-Geerts zeiden zelf al: vergeef ons, want we weten niet wat we doen. In de rapporten staat: we moeten nodig eens wat spellingonderzoek gaan doen en daar instituten voor oprichten, want we weten er niet genoeg van. En dan toch met eindvoorstellen komen, dat kan niet.’
Van Gessel: 'Moet je ook eens zien hoe dat is gegaan met die tussen-n in Koninginnedag. Dat had volgens de nieuwe regels Koninginnendag moeten worden. Maar dan zegt de minister: dat kan niet. Dus gaat de deur op een kier en wordt er een uitzondering gemaakt. Vervolgens gaat de deur wijd open en komt iedereen binnen met: ja, maar dan moet het ook zonnestelsel zijn en geen zonnenstelsel. Zo gaat dat.’
Permentier: 'Paddestoel is een beter voorbeeld. Men wilde absoluut niet paddenstoel gaan schrijven, hoewel dat tot 1954 gebeurd is. Ik heb nogal wat brieven kunnen inkijken tussen minister Weckx en Geerts, de voorzitter van de spellingcommissie. Daarin speelde ook paddestoel een grote rol. We moeten, zo staat er te lezen, ervoor zorgen dat we geen “vreemde woordbeelden” krijgen…’
Smits: 'Maar er is helemaal niets vreemd aan paddenstoel!’
Permentier: 'Op een bepaald ogenblik moesten de ministers, op een bijeenkomst in Breda, gaan beslissen over enkele uitzonderingscategorieen die de Taaladviescommissie had voorgsteld. In Breda hadden de ministers een lijstje liggen en daar stonden, als ik me niet vergis, zes categorieen op. Na afloop van de vergadering belde ik minister Van den Bossche op en ik vraag hem wat er is besloten. Al de adviezen zijn opgevolgd, zegt hij. Allemaal? Nou ja, op een paar details na. Kunt u mij dat faxen? Ja, dat zal ik doen. Mag ik u daarna terugbellen? Ja, dat mag u.
Afijn, ik krijg een fax met die uitzonderingscategorieen en rond een paar daarvan zijn kringetjes getrokken en andere zijn doorgestreept. Tot mijn verbijstering zie ik daar een regel staan die zegt: als het eerste deel van een samengesteld woord een dier is, en het geheel is een plant, dan gaat de tussen-n niet door. Ik bel Van den Bossche op en zeg: betekent dat nu dat we twee kattestaarten krijgen: de staart van een kat, gespeld: kattenstaart, en een plant, gespeld kattestaart. Nee, zegt hij, dat kan niet de bedoeling zijn, we wilden nu juist van de dubbelspellingen af. Maar er staat een kringetje rond, zeg ik. Ja, maar dat moet nog opnieuw geformuleerd worden.
De volgende tekst die ik zie, meldt: er komt geen tussen-n wanneer het eerste deel een dier is en het tweede een plant. Ik bel deze keer Van Hoorde op, projectleider bij de Taalunie. Ik zeg: als ik het goed begrijp gaat paddestoel daar niet meer onder vallen en wordt het dus paddenstoel. Toch wel, zegt hij. Dan begrijp ik er helemaal niets meer van, zeg ik. Nee, zegt hij, de bedoeling is: het eerste deel is een dier, het tweede een plant en het geheel is een plant - zo moet je het interpreteren. Dus uiteindelijk valt paddestoel er wel onder en paardenvijg niet.
Ik heb bij de presentatie van het nieuwe Groene Boekje in Den Haag aan Maarten van den Toorn, hoogleraar taalkunde en voorzitter van de Taaladviescommissie, gevraagd waarom een woord met een dier en een plant per se geen tussen-n mag hebben, want er zijn zo veel gekke woorden met een n ontstaan, zoals pannenkoek. Hij zei mij toen letterlijk: ik begrijp er ook helemaal niets van, de ministers hebben dat zo gewild. Je zou net zo goed, zei hij, een uitzonderingscategorie kunnen verzinnen van samenstellingen van een persoon en een fietsonderdeel, bijvoorbeeld: herezadel. En dan moeten die miljoenen schoolkinderen denken: o ja, een persoon, een fiets, oppassen! Het heeft even veel en even weinig zin. Ik heb in de krant gezet dat hij dat voorbeeld gaf, toen werd de Taalunie heel boos.’
Weer is het Rik Smits die het vuur opstookt. 'Als je nu ziet hoe het er allemaal aan is toegegaan, denk ik dat je tot de conclusie moet komen dat de zaak verdacht veel lijkt op de paspoort-affaire hier in Nederland. Daar ging het ook om een ondeugdelijke order en een ondeugdelijk produkt. En daar hebben ze de verantwoordelijke man voor aan de hoogste boom geknoopt. Ik vind dat meneer Nuis een heleboel heeft uit te leggen. En dan mag het er gerust over gaan of de hele operatie nog wel moet doorgaan.’
'We zouden om te beginnen’, stelt Han van Gessel plotseling voor, 'het ANP moeten verzoeken om nog even te wachten met de nieuwe spelling. Want als de kranten hun gezag aan de nieuwe spelling gaan verlenen, dan ben je je troeven kwijt.’
Vanaf dat moment neemt het debat definitief een politieke wending, meer nog: het begint op een regelrechte samenzwering te lijken, waarbij meer dan eens het verzoek klinkt de band even stil te zetten. De aanwezigen informeren bij elkaar of ze zijn benaderd door hetzij Sdu, hetzij Van Dale Lexicografie. Of hun is gevraagd om de ene dan wel de andere variant van de nieuwe spelling bij hun krant aan te bevelen. Dat blijkt namelijk te gebeuren. Men informeert of de verschillende hoofdredacteuren al een standpunt hebben. En welk dan wel. Vooral De Standaard is erg nieuwsgierig naar wat de Nederlandse kranten gaan doen. 'En dan zit ik vooral met twee vragen’, zegt Permentier. 'Ten eerste: heeft het zin dat we allemaal wachten, en zo ja, waarop wachten we dan? Ten tweede: als jullie overstappen, zeggen jullie dan: wij volgen gewoon de officiele spelling, hoe krankzinnig die ook is? Of zijn jullie van plan te bricoleren en te zeggen: in deze gevallen doen we dit en in die dat?’
Van Gessel: 'Wij hebben er intern nog niet over gesproken, want de sleutelfiguur in het geheel, Bert Vuijsje, gaat ons verlaten, en dus is er een interimperiode. Maar als het niet lukt om het ANP te bewegen de invoering nog even uit te stellen, dan ben ik ervoor op 1 april of 1 mei mee te gaan.’
Permentier: 'Ik denk echt dat het heel zinvol is om dat samen te doen, althans op z'n minst met de grote kranten. Dat ze dezelfde streep trekken tussen wat ze wel en niet overnemen.’
Koenen: 'Nou, wat de NRC betreft, ik heb sterk de indruk dat er in de hoofdredactie nog niet over is gepraat, laat staan gedacht. En van de eindredactie vernam ik dat ze gewoon hun eigen lijn gaan volgen: woorden die er gek uitzien, komen niet in de krant.’
Permentier: 'Maar vergis je niet hoor, als wij met onze drie kranten zeggen: het gaat niet door, dan gaat het niet door. En dat weet men verdomd goed, bij de Taalunie zowel als bij de Sdu en bij Van Dale. De kranten hebben ontzettend veel macht in deze zaak. Maar laten we in ieder geval geen beslissing nemen van de kwaliteit die beslissingen in deze zaak tot nu toe hebben gehad. Zeker niets improviseren. Hoewel - als wij hier met z'n zevenen een avond doorpraten, hebben wij een betere spelling dan de Taalunie heeft bedacht.’
SMITS EN KOENEN vinden het wel mooi als de kranten de koppen bij elkaar steken, maar dat is voor hen nog niet genoeg. Zij willen Nuis! 'Er zijn al een heleboel mensen die geld geinvesteerd hebben in dat nieuwe Groene Boekje, en die hebben alle reden om zich bekocht te voelen. Dat is een probleem, daar moet een antwoord op komen van Nuis.’
Koenen: 'Ik kreeg een brief van Anneke Reinders - dat is een vertaalster die ook een van de redacteuren is van Van Dales Engelse woordenboek - waarin ze zegt: volgens mij is er maar een ding mogelijk en dat is dat die hele zaak gewoon niet doorgaat. Zij wil een soort van handtekeningen- annex briefkaarten- annex fax-actie starten om Nuis onder druk te zetten. Gewoon een actie van: wij willen geen nieuwe spelling. En dat is in principe natuurlijk ook nog steeds een mogelijkheid. Iedereen doet wel alsof die er niet is, maar dat is niet waar. Zij vroeg ook of ik uberhaupt iemand kende die ervoor is. Nou, ik ken helemaal niemand. Alle reacties die ik krijg - en mensen spreken me er nogal eens op aan - zijn van: ik kan het absoluut niet volgen. En allemaal komen ze tot de conclusie: ik blijf het maar gewoon doen zoals ik het altijd gedaan heb.’
Permentier: 'Ook ik ben nog niemand tegengekomen die dit een goede zaak vind. Ik krijg dagelijks telefoons en brieven van mensen die zeggen: zou je niet een campagne tegen de nieuwe spelling willen starten? Deze week verschijnt in onze krant een oproep van Eugene Berode, een man met een reputatie in Vlaanderen, die in De Standaard een taalrubriek heeft en tevens de taaladviseur is van de BRTN…’
Van Gessel: 'Die heeft mooi niet gewonnen, toen we hem bij het Dictee hadden!’
Permentier: 'Maar toen had hij schrijfkramp! Hij is zijn leven lang al bezig met spelling, hij heeft miljoenen problemen moeten oplossen…’
Smits: 'Wat een treurigheid!’
Koenen: 'Wat een leven!’
Asscher: 'Wat een verschrikking!’
Van Gessel: 'Die man moet helemaal doorgespeld zijn!’
Permentier: 'Die man doet een oproep in onze krant aan de parlementsleden om dit niet te laten doorgaan. Het is de eerste echte oproep die ik ken van iemand met gezag.’
Van Gessel: 'Maar waarom gaan jullie dan per 1 april op de nieuwe spelling over? Ik zit ook erg in onzekerheid. Het gonst. Niemand is er blij mee. Moet er niet iets gebeuren? Beter tien jaar verlies dan nu overhaast iets invoeren dat je over tien jaar weer moet zien recht te breien. Echt, iedereen verkeert in onzekerheid.’
Permentier: 'Waarom wij op de nieuwe spelling overgaan, is omdat we alles bij elkaar toch vasthouden aan die eenheid. Als krant die vijftig jaar in een minderheidspositie heeft gezeten, willen we daar nu wel eens vanaf. Wij vinden dit geen goede spelling, maar de eenheid in de spelling is ons toch liever dan tien jaar doormodderen.’
Maar Smits en Koenen geven niet op. Ze werpen het argument in de strijd dat het Groene Boekje welbeschouwd illegaal is, een argument dat ze eerder al in de NRC en Onze Taal in stelling brachten. 'De autoriteit van het Groene Boekje berust op een leugen’, betoogt Smits, 'namelijk op de bewering dat het een correcte weergave is van het officiele spellingbesluit. Dat is niet het geval. Het Groene Boekje wijkt daar op een aantal punten, onder andere op dat van de tussen-n, heel duidelijk van af.’
Permentier valt hem bij: 'Het Groene Boekje is even wettelijk als de Van Dale - namelijk niet. Wettelijk is alleen het spellingbesluit, en daarin staan heel andere dingen dan in het Groene Boekje. En er is nog een ander punt waarop de woordenlijst zich in de illegaliteit begeeft, en dat is het woordgeslacht. Ze hebben daar ontzettend mee zitten rommelen, en dat terwijl noch de spellingcommissie, noch de taaladviescommissie, noch de samenstellers van het Groene Boekje bevoegd waren er ook maar iets aan te doen.’
Koenen: 'Hier in het noorden ben je inmiddels achterlijk als je met zij verwijst naar een de-woord, behalve als het uitdrukkelijk om vrouwtjes gaat. Maar er is wel een categorie van woorden aan het ontstaan, woorden die naar instellingen zoals commissies en regeringen verwijzen, die men vrouwelijk vindt. En dan krijg je dus: het kabinet en haar beslissingen. Instanties voelen we als vrouwelijk. We zijn een beetje zijerig geworden.’
Permentier: 'De Vlamingen denken dat de Hollanders collectief de trappers kwijt zijn als het over het geslacht gaat. Zelf denk ik wel eens dat er een illegaal komplot gaande is van een groep Nederlanders tegen een heel hoofdstuk uit de grammatica, het hoofdstuk over het woordgeslacht. Terwijl, als je in Vlaanderen zegt: de stad, hij is mooi, dan wordt dat als even fout aangevoeld als wanneer je zegt: ik worden.’
TOT SLOT: wanneer gaan de aanwezigen zelf volgens de nieuwe spelling schrijven?
Drie, vier mensen door elkaar heen: 'Niet!’ 'Niet!’ 'Niet!’
Van Gessel: 'Ach, ik vind sommige nieuwe regels wel aardig. Maar voor mij is het grootste probleem: hoe krijg je een krant zo'n brug over?’
Maar persoonlijk?
Van Gessel: 'Ik schrijf niet zo veel prive.’
Smits: 'Ik ga het niet doen, zelfs niet in artikelen. Als ze het bij de krant anders willen, dan doen ze het zelf maar. Maar ach, waarschijnlijk zullen ze de verschillen niet eens zien.’
Asscher: 'Als er, zoals nu blijkt, geen overtuigend extern gezag is dat mij vertelt dat ik anders moet spellen, dan vertrouw ik gewoon op mijn eigen gezag.’
Permentier: 'Weet je dat ik momenteel spel in drie verschillende systemen? Als ik op het balkon zit bij het Groot Dictee, doe ik de voorkeurspelling. Op de krant spel ik progressief. En in mijn stukjes erover probeer ik de nieuwe spelling te hanteren. Maar wat het nu allemaal voorstelt? Ach, er is nog niemand geweest die mij vanwege de kwestie op straat heeft gemolesteerd.’