Het kippensnot

Een gedicht van Astrid Lampe haal je er zo uit. Haar teksten bestaan over het algemeen uit een opeenhoping van zinnen en uitroepen. Die zijn dikwijls gevat, verrassend, of lijken vaagweg bekend omdat ze doen denken aan gemeenplaatsen. Lampe’s zinnen zouden het prima doen als raadselachtige tweets of tegendraadse Instagram-poëzie. Soms via een éénregelig gedicht, zoals ‘dood is dood’ uit Rouw met diertjes. Of juist met een onnavolgbare regel zoals ‘jas de ja-knikker er in en stuit per toeval op// dit fors accent’ uit Spuit je ralkleur.

Ook in Zusterstad 2.0 kun je veel gedichten opdelen in perfect geïsoleerde tekstblokjes. Een willekeurige greep: ‘de taxichauffeur wil mij/ zijn Ambi Pur opdringen’; ‘google earth/ licht ons bij in de nacht’, of:

de fysieke winkelstraat moet zich behelpen
met stille airco’s en luchtgordijnen die
optimaal communiceren
met het buitenklimaat

Geen titels, geen interpunctie, geen inhoudsopgave; zoals in Rouw met diertjes en De taiga zwijntjes vertelt Lampe ook in deze bundel een min of meer doorlopend verhaal, dat weliswaar in hoge mate associatief is – de betekenisdichtheid is hoog – maar steeds zwaait de deur even open en staat het herkenbare glimlachend op de stoep. Deze poëzie is niet bang zeer hedendaags en actueel te zijn. ‘Aldi’, ‘Kruidvat’, ‘hipsterbaard’, ‘twitterstorm’, ‘crowdfunding’, ‘bierfietsen’, ‘Air-bnb’, ‘Nijntje-botaniseertrommel’, ‘tuintegeltaks’ – iemand die over honderd jaar op Zusterstad 2.0 stuit, heeft er nog een flinke kluif aan.

Het ‘verhaal’ dat Lampe ondertussen vertelt, heeft niets te maken met taalfetisjisme of taalacrobatiek. Dat is al op te maken uit de titel, die je met een beetje wil zou kunnen vertalen als ‘Internationale verhoudingen nieuwe stijl’, al zou dat natuurlijk een foeilelijke titel zijn. De bundel blijkt aanvankelijk een poëtisch logboek van een roadtrip te zijn van een groep dichters op reis die in den vreemde optreedt:

met de officiële uitnodiging op zak
surfen wij op onze woorden
– de resorts draaien overuren –
of we laten ons per taxi vervoeren
naar podia die licht spuiten
tot diep in het stoffige achterland

‘de lach van de schoolmeisjes overvleugelt de lach van de schooljongens’

Alles staat ‘voor de duur van een lenteoffensief’ in het teken van ‘de muzische driehoek/ poëzie zang dans’. Het decor is exotisch en niet moeilijk te situeren, afgaande op ‘halfafgemaakt Koranschooltje’, ‘Sahara’, ‘palmbladeren’, de ‘Hoge Tatra’ en ‘de Lage Tatra’. Het poëtische bedrijf zorgt bij avond voor vertier, terwijl overdag flink geschreven en gereflecteerd wordt, ‘heen en weer geschud op de achterbank/ van de Magical Mystery Poetry Tour-tourbus’. Intussen wordt, wanneer mogelijk, informatie ingewonnen over de nieuwe bestemming, het doel van de reis: ‘zodra er bereik is wordt/ de stedenband aangehaald’. In een gedicht waarin een optreden van een jeugdkoor wordt beschreven (‘de lach van de schoolmeisjes overvleugelt/ de lach van de schooljongens’), lees je impliciet de typisch westerse verbazing en bewondering terug:

de energie van het koor en de girlpower
wordt geenszins fossiel opgewekt
pontificaal met hun durfkapitaal op de selfie
(hier en daar nog een hoofddoek verschikkend)
proberen trotse moeders
buiten de Wereldbank om
terrein op de Sahara terug te winnen

Het lyrische is hier doordrenkt van schaamte, levenslust, schuldvragen en twijfel. Wat een luxe, gesubsidieerd op reis, proeven van andere, vreemde culturen in naam van de kunst! Maar wat doe je met je indrukken als Nederlandse dichter en wat moet de kúnst met al die indrukken? Moet je wellicht opnieuw leren dichten, of anders gaan kijken naar de rol van kunst en literatuur, die op zoveel plekken in de wereld nu eenmaal kritischer is en vanzelfsprekend politiek-bewust? Hoe duid ik een frase als ‘je vermogen/ aan lokaal geweven Hollands laken/ in te ruilen voor/ Berbergefluister’? Dat ook op microniveau de neokoloniale verhoudingen springlevend zijn? Dat we ondanks de neergang hoop moeten houden, tegen beter weten in?

Bij terugkeer wordt ook het bekende vreemd, potsierlijk en futiel. Hier liggen ‘de antecedenten van suïcidepoëten’ op straat, hier wordt gelezen ‘met veel ruis’, staat de tv hard en gaan we ‘mee/ in de euforie van de Nederlandse voetbalvrouwen/ in de hysterie van een sportzomer’. Hier ‘haalt de geschiedenis ons in’:

een koloniaal verleden
buikt uit de grootverpakking
de lekkende inhoud van blikconserven
neemt de kleur aan
van fout karma.

Zusterstad 2.0 is daarmee ook een reflectie op de poëzie, getuige regels als ‘bij een gedicht dat niet een-twee-drie mooi is/ krijg je het notenschrift erbij’ en ‘poëzie verkent/ de alternatieve aanvliegroutes’. De centrale vraag achter deze geweldige bundel is: hoe verenig je als bevoorrecht kunstenaar het onverenigbare, de absurde contrasten, in dat wat je maakt? In cynisme blijven steken is geen oplossing, want te lui – maar wat dan? Werkt kunst het best wanneer het tijdloos is en enkel schoonheid voorstelt, zoals ‘de Stier van Potter’ of ‘het Meisje met de Parel’, die ‘zonlicht mijden’ en ‘politiek/ te allen tijden’ langs zich af laten glijden?

‘Hoe lees ik dit?’ noteert de dichter ergens bij het zien van al dat vanzelfsprekende wezensvreemde. Het is alsof Lampe hier mijn gedachten raadt. Ondertussen trakteert ze mij op de ene na de andere oneliner, waardoor ik bijna tóch maar een Twitter-account wil openen: ‘Dagobert Duck kan het kippensnot krijgen’!

we slaan een jas over een jas
in de casco tempel
onze gedichten zijn af alleen de Taliban
is nog niet opgeleverd
muurkanker omarmt de slapende cel
de trilspin weeft warrige bidmatjes
de sleutelkoning van de hakkenbar
blijft in gebed
cultuur trekt zich op
aan deze faunapassage
waar het frisse groen
tegen de muren opjojoot
we kennen geen winterstop
dieren op doortocht spuiten hun graffiti
alle kleuren girlpower van je land
duiken tijdelijk onder in dit duinhagedisje
dat van identiteit haar beroep gaat maken
viriel zon zoekt