Hoofdcommentaar: Onderwijs

Het kistje van Wallage

Wie herinnert zich nog het schoolzwemmen, die gelijktijdige sprong in het diepe van tienduizenden kwetterende lagere-school leerlingen? Ongeacht fysiek of afkomst leerden ze zich binnen een half jaar handhaven in het element waaruit alle leven op aarde is ontstaan en waarin niettemin geen mens op natuurlijke wijze kan overleven. Het was een collectieve en individuele overwinning op de materie, voor velen de eerste die ze in hun jonge leven behaalden, en nog wel in een enkel lesuurtje per week. Niettegenstaande de verhalen over pedofiele badmeesters, vieze kleedhokjes en gesmokkel bij het watertrappelen, was het schoolzwemmen een instituut waarvan de beschavende werking niet onderdeed voor die van het stoplicht of de AOW.

Welnu, het schoolzwemmen is wegbezuinigd en de particuliere opleidingen die ervoor in de plaats kwamen, zijn een aanfluiting in de slechtste traditie van het polderkapitalisme. Een jaar zwemles kost al gauw duizend gulden en je mag als ouder blij zijn als het binnen dat jaar gepiept is. De lessen zijn zodanig geprofessionaliseerd, ge-outsourced en ge-quality-cycled dat kinderen er een eeuwigheid over doen om de eindtermen te halen, áls ze die al halen. In tijdrovende en uiteraard peperdure modules worden ze «vertrouwd gemaakt» met het water, ze leren in hun eigen tempo hun «lichaam kennen» en zelfs het watertrappelen is opgewaardeerd tot een holistische ervaring die het kind met het kind in zichzelf confronteert. Kortom, zwemles is een luxe geworden waar steeds meer (vooral allochtone) leerlingen niet aan toekomen.

De teloorgang van het schoolzwemmen is exemplarisch voor alles wat er sinds de jaren tachtig is misgegaan met ons onderwijs. En er is veel misgegaan door een combinatie van hervormingsdwang, misplaatste bezuinigingsdrift en winstgestuurde professionalisering. In plaats van het ons voorgespiegelde no nonsense-beleid kregen we een onderwijsbeleid van louter nonsens, met als enige voordeel dat het grotendeels bestond uit papieren nonsens waarvan de meeste scholen zich niets aantrokken. Nu de Onderwijsraad de tussenstand van tien jaar basisvorming heeft opgemaakt, blijkt het resultaat meer dan bedroevend te zijn, het is zelfs ronduit grievend voor een steenrijke, hoogopgeleide natie als Nederland.

De basisvorming is failliet, zoveel maakt het rapport ondanks verhullend taalgebruik duidelijk. Van de ambitieuze doelstellingen is er niet één bereikt. Van een verhoging van het lesniveau is niets terechtgekomen, de kennis en vaardigheid van de leerlingen in de eerste twee à drie jaar van de middelbare school zijn zelfs teruggelopen. Het aanbieden van vijftien vakken op hetzelfde niveau aan alle leerlingen, ongeacht hun eigen niveau en de mogelijkheden van hun school, is onhaalbaar gebleken. Het heeft geleid tot versnippering van de leerstof en verwildering in de curricula. Scholen werken gemiddeld iets meer dan de helft van het verplichte lesprogramma af. Op scholen voor het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) is dat niet meer dan veertig procent. Nieuwe vakken als verzorging en techniek sloegen niet aan op vwo-niveau. De lessen in drie moderne talen leidden in het vbo tot zoveel verwarring bij de leerlingen dat de leraren er al gauw de brui aan gaven. De uniforme toetsing van alle leerlingen is derhalve ook mislukt.

De basisvorming was een politiek compromis tussen de voorvechters van de middenschool en aanhangers van de aloude categorale school. Het was een bestuurlijk gedrocht zonder kop of staart. Maar Jacques Wallage, als staats secretaris van Onderwijs in 1993 verantwoordelijk voor de invoering, liet vorige week weten dat hij het zo weer zou doen. Waarom in hemelsnaam? «De basisvorming was bedoeld als gereedschapskistje voor het leven», orakelde hij. Dat zal best, maar het kistje is akelig leeg gebleven en de leerlingen die het dragen, raken door alle verwarring en versnippering soms net zo overspannen als hun leraren. Voor zover de onderwijsinspectie kan beoordelen, is er in de praktijk geen sprake van de beoogde individualisering van leertrajecten, vakkenintegratie, studiehuis, actief leren en al dat moois wat ons in opeenvolgende nota’s is beloofd. Het pijnlijkst is nog wel dat de leerlingen uit het vbo, die het meest van de basisvorming hadden moeten profiteren, over de hele linie slechter zijn gaan presteren.

De invoering van de basisvorming viel bovendien samen met een vergaande sanering van de overheidsfinanciën. De strikte budgettering van scholen, de reorganisatie en schaalvergroting, de strafkortingen en salarisachterstanden fnuikten alle hervormingslust bij onderwijzend personeel en schoolbesturen. Van de weeromstuit gingen scholen op aandrang van draagkrachtige ouders aparte lesprogramma’s invoeren, zoals de vwo-plus-programma’s, waardoor sociale verschillen worden geaccentueerd. Ook de schoolkeuze is niet vertraagd. Ouders zien erop toe dat hun kind het hoogst haalbare onderwijsniveau krijgt, de scholen passen zich daarbij aan. En neem het ze eens kwalijk.

De Onderwijsraad stelt nu voor het aantal verplichte vakken terug te brengen tot acht en deze te doceren op drie verschillende niveaus. Dat is geen stap vooruit, het is hooguit een bevestiging van de praktijk waarop de overheid allang de greep kwijt is. Maar Den Haag vindt dat geen schande, onze politici verschuilen zich immers al jaren achter de «beleidsvrijheid» van scholen. Het is een terugkeer naar de maatschappelijke verhoudingen van de negentiende eeuw, toen de opleiding van kinderen afhankelijk was van de sociale positie van hun ouders en straatjongens nog gewoon verdronken wanneer ze in de gracht vielen.