Afrika wordt snel gezonder

Het klaart op op het donkere continent

De ebola-epidemie bevestigt ons beeld van een dramatisch Afrika. Toch worden Afrikanen steeds gezonder, stijgt de levensverwachting fors en daalt het aantal dodelijke ziektes. Tijd voor een nieuw verhaal.

In Guinee en Sierra Leone is de ebola-epidemie nog niet voorbij. En wat we ervan zien, past perfect in ons idee van Afrika. Alom doodzieke en stervende mensen, tragisch achtergelaten langs de modderige straten van Freetown. Eerder al zagen we een even bange als onnozele bevolking, die maar doorging met het wassen van lijken en affakkelen van gezondheidsklinieken. En we hoorden over een volstrekt falende Wereldgezondheidsorganisatie, die pas in actie kwam toen de epidemie al niet meer te beheersen viel.

Vanaf onze driezitsbank zagen we het gebeuren en we voelden met de slachtoffers mee. Het zal je maar overkomen. Je wordt geboren in zo’n getto als Westpoint, Sierra Leone. Je hebt geen opleiding, een minuscuul inkomen en zo goed als geen kans om iets van je leven te maken. En dan komt er zo’n vreselijke epidemie overheen.

Maar we voelden niet alleen met de slachtoffers mee, we dachten er ook van alles bij. Hoe was het in godsnaam mogelijk dat er nooit iets veranderde in sub-Sahara-Afrika? Dat er zo’n rechte lijn liep tussen, pak ’m beet, de hongersnood in Ethiopië in 1985 en deze ramp, op de kop af dertig jaar later. En wat gebeurde er in al die tijd met het vele ontwikkelingsgeld bestemd voor ziekenhuizen, opleidingen van artsen en vaccinaties? Met die honderden miljarden die naar het Zuiden stroomden, bedoeld om drama’s als ebola voorgoed onmogelijk te maken?

Eerst het sombere verhaal, het verhaal dat we allemaal kennen, dat dag in, dag uit wordt uitgevent en dat uiteindelijk even beperkend als demotiverend zal blijken te zijn. Dit verhaal is er een van stagnatie, zo niet van achteruitgang. En het is een verhaal waarin Afrika één op één wordt vergeleken met Europa en de Verenigde Staten.

Dat verhaal gaat als volgt. Vergeleken met de gezondheid van de doorsnee Europeaan staat die van de Afrikaan er ronduit beroerd voor. Vier banale, want vermijdbare, ziektes zijn voor het gros van alle ellende verantwoordelijk. Op de eerste plaats staat hiv/aids. Inmiddels stierven in Afrika meer dan dertig miljoen mensen aan de gevolgen van hiv. Vandaag lopen nog 24,7 miljoen Afrikanen met de infectie rond, waarvan er jaarlijks 1,1 miljoen overlijden.

Op nummer twee staan luchtwegaandoeningen als longontsteking, tuberculose en bronchitis. Het zijn ziektes die mogelijk worden gemaakt door de zwakke gezondheid van de gemiddelde Afrikaan en de rokerige houtvuurtjes waarop de meeste Afrikanen hun eten koken en kleren wassen. Deze, zogenaamde ‘lower respiratory tract infections’ nemen jaarlijks 820.000 Afrikaanse doden voor hun rekening.

Dan, op drie, staat de grote moordenaar van kleine kinderen: diarree, met 640.000 doden per jaar. Op vier ten slotte komt malaria, jaarlijks goed voor 524.000 dode Afrikanen. Opgeteld zijn dat ruim 3,1 miljoen Afrikaanse begrafenissen per jaar, een aantal dat zo ongeveer gelijk staat aan het jaarlijks neerstorten van 6200 volle jumbojets.

Al deze mensen hadden niet hoeven sterven. Hiv/aids had kunnen worden teruggedrongen met betere voorlichting, voorbehoedsmiddelen en aidsremmers. Aan luchtweginfecties had een einde kunnen worden gemaakt met moderne energievoorzieningen en antibiotica. Diarree had kunnen worden gestopt door schoon drinkwater en ors. Malaria had effectief kunnen worden bevochten met muskietennetten, insecticiden, het droogleggen van broeiplaatsen van muggen en, wederom, met medicijnen.

Terwijl in Europa per duizend geboorten twaalf kinderen voor hun vijfde levensjaar overlijden, zijn dat er in Afrika negentig. Geen wonder dat de levensverwachting van een Afrikaans jongetje dat vandaag wordt geboren maar zestig jaar is, terwijl een Europees jongetje op 76 jaar mag rekenen. Meisjes die in Europa worden geboren, mogen inmiddels op 82 jaar rekenen, meisjes in Afrika op 63 jaar.

Van alle 58 Afrikaanse landen heeft er maar één een algemene ziektekostenverzekering. Dat is het in alles vooruitstrevende Rwanda. In Ghana heeft de helft van de bevolking zo’n verzekering. In Kenia een vijfde. Dat was het dan.

Een avondje met chirurg Frans Zoetmulder maakt het er niet vrolijker op. Zoetmulder (68) werkte lang in het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis en stopte ermee op zijn zestigste. Vervolgens begon hij als UN-Volunteer in het Zomba Central Hospital in het Afrikaanse Malawi. Zomba Central is een verwijs-ziekenhuis voor een gebied met 3,8 miljoen mensen; dokter Zoetmulder is er nu hoofd chirurgie.

Zomba Hospital in Malawi is een afdeling uit Dante’s hel, maar er worden ook forse stappen vooruit gezet

Een beter land om de dramatische staat van de Afrikaanse gezondheid te beschrijven dan Malawi is moeilijk denkbaar. De Wereldbank classificeerde Malawi half februari als het allerarmste land ter wereld. Wanneer je het bruto binnenlands product van Malawi omslaat per hoofd van de bevolking, dan is de gemiddelde Malawiaan goed voor 226 dollar. Wat dat betreft staan zelfs notoire oorlogslanden als Congo en Somalië er een stuk beter voor. Malawi is het armste land onder de armste landen. Ter vergelijk: het ‘bbp per capita’ van de gemiddelde Nederlander is 51.060 dollar.

Omdat Malawi en Nederland ongeveer evenveel inwoners tellen, is het interessant om ook de gezondheidszorg in beide landen te vergelijken. Zo leidt Malawi jaarlijks rond de zestig artsen op. Nederland produceert er jaarlijks zo’n tweeduizend. Terwijl een Nederlandse dokter werkt voor zo’n 320 patiënten mag zijn Malawiaanse collega opdraven voor meer dan vijftigduizend mensen. Terwijl in het straatarme Malawi niet meer dan 83 doller per persoon per jaar wordt uitgegeven aan gezondheidszorg spendeert het puissant rijke Nederland zo’n 5400 dollar per persoon per jaar aan gezondheidszorg. Dat is maar liefst 65 keer zo veel.

En nu zitten we op de veranda van Zoetmulders prachtige huis, een kwartier rijden van zijn hospitaal. Twee grote honden liggen aan zijn voeten. Met een Carlsberg Green in de hand kijken we naar de zonsondergang over de majestueuze Rift-vallei.

‘Geneeskunde in Malawi is dramatisch’, zegt Zoetmulder. ‘In Zomba Central sterven acht mensen per dag, dat zijn er bijna drieduizend per jaar. Wanneer in een groot Nederlands ziekenhuis vijf patiënten per week sterven, is iedereen ervan ondersteboven. In het Antoni van Leeuwenhoek, waar negentig procent van de patiënten uiteindelijk doodgaat, sterven 150 mensen per jaar. En het zijn niet alleen bejaarden die in Zomba Central sterven. Integendeel, het zijn heel veel kinderen, heel veel leeftijdgenoten van de jonge artsen en co-assistenten. Dode baby’s worden gewoon in de hoek gelegd, om later te worden opgehaald. Daar moet je tegen kunnen.’

Ik kan me er veel bij voorstellen. Een bezoek aan een groot Malawiaans ziekenhuis is niet minder dan een aanslag op alles wat we in Nederland als vanzelfsprekend veronderstellen. Het is een aanslag op ons idee van menswaardigheid. Wie zo’n ziekenhuis voor het eerst binnenwandelt, wordt onmiddellijk getroffen door ellende. Niet in de laatste plaats door verdrietige families die hun doden zelf van de zalen halen en deze vervolgens onder hartverscheurend huilen door de lange gangen naar het mortuarium rollen.

Vervolgens is er de geur, een combinatie van schoonmaakmiddelen en de stank van urine en diarree. Dan zijn er de groezelige toiletten en de douches met maar amper water. Er zijn patiënten die samen een bed moeten delen. Ook in hun moment van sterven. Onder, naast en voor deze bedden liggen nog meer doodzieke mensen die hun dagen doorbrengen op doorgelegen matrassen op de kale vloer. Grote Malawiaanse ziekenhuizen zijn de hel.

Vanochtend boog Zoetmulder zich over een man met buikklachten. ‘Toen we er een naald in staken, kwam er pus uit.’ Hij diagnosticeerde ‘nicrotiserende illiitis’, een merkwaardige aandoening, waarover in de literatuur weinig te vinden is en waarbij delen van darmen afsterven. ‘We hebben er een meter dunne darm uitgehaald en de rest weer aan mekaar geknoopt. Morgen zullen we zien of hij het heeft gehaald.’ Het zijn dit soort abcessen en ontstoken wonden, gevolgd door dysenterie, tyfus, bilharzia, tbc en malaria waar Zoetmulder zich voor het grootste deel mee bezighoudt. Zoetmulder ziet in Malawi ook veel meer kinderen met waterhoofden en andere aangeboren afwijkingen.

‘Feitelijk kom je hier veel ziektes tegen uit het achttiende- en negentiende-eeuwse Europa. Sommige aandoeningen zijn zo voortgeschreden dat ze ronduit spectaculair zijn. In het Antoni van Leeuwenhoek wordt sinds 1914 bijgehouden hoe groot tumoren bij borstkanker zijn op het moment dat ze worden geopereerd. In 1914 waren ze gemiddeld 5,5 centimeter groot, vandaag zijn ze 1,5 centimeter. Maar in Malawi zijn het tumoren van maar liefst 8,5 centimeter. Dat is middeleeuws.’

Hoogste tijd nu voor een optimistisch verhaal. Voor een verhaal dat maar amper wordt gehoord en dat veel vaker zou moeten worden verteld. Niet alleen omdat het krachtiger en breder is, ook omdat het ons kan aanmoedigen om nog een tandje bij te zetten. Het is een verhaal van vooruitgang. Het is een verhaal waarin Afrika niet doorlopend wordt vergeleken met Europa of de Verenigde Staten, maar met zijn eigen verleden. Het is een verhaal dat nogal wat van onze vooroordelen ter discussie stelt, dat gemakkelijke waarheden over een stagnerend Afrika, over falende ontwikkelingshulp, of een niet-maakbare samenleving onderuit haalt.

Ook dit verhaal zou kunnen beginnen in Zomba Central Hospital. Het ziekenhuis is behalve een afdeling uit Dante’s hel ook een plek waar forse stappen vooruit worden gezet. In plaats van almaar te beginnen bij het schrijnende gebrek aan artsen zouden we ditmaal kunnen starten met een zeer geslaagde aanzet van de Malawiaanse overheid om dit probleem op te lossen. En deze oplossing loopt vandaag gewoon in Zomba Central rond.

Want Malawi biedt sinds 2004 stevige opleidingen aan voor zijn Clinical Officers. In de vorige eeuw hadden deze ‘gezondheids-functionarissen’ nauwelijks meer dan een middelbareschooldiploma. De afgelopen tien jaar zijn de Clinical Officers echter getransformeerd tot een soort ‘hbo-artsen’. In ziekenhuizen als Zomba Central doen zij nu de bulk van al het werk, inclusief een aantal chirurgische ingrepen. Volgens Zoetmulder zijn deze Clinical Officers doorgaans zeer getalenteerde mensen die om financiële redenen geen universitaire artsenopleidingen konden volgen. ‘Hadden ze die kans wel gehad, dan sneden ze nu de sterren van de hemel.’

Door het massaal vaccineren van kinderen tegen mazelen, tetanus en difterie halveerde de kindersterfte in Afrika

Het verhaal zou ook kunnen beginnen door niet langer te focussen op de ‘kwantiteit’ van Malawiaanse artsen. We zouden ons ook kunnen richten op de kwaliteit van deze artsen die tegenwoordig allemaal worden opgeleid aan Afrikaanse universiteiten. Deze kwaliteit is er in de afgelopen decennia enorm op vooruit gegaan. De Afrikaanse artsen die in Zomba rondlopen zijn volgens Zoetmulder stuk voor stuk van ‘zéér hoge kwaliteit’ en ‘zéér ervaren’. Blanke artsen zijn in Malawi dan ook sterk op hun retour. In Zomba is Frans Zoetmulder nog de enige.

Geen wonder dat er in het recente verleden nogal wat van deze artsen verkasten naar veel beter betalende landen in het Britse Gemenebest. Ook hier zou een optimistisch verhaal kunnen beginnen: want deze braindrain is vrijwel verleden tijd. Wie nu in Engeland of Australië wil gaan werken wordt verplicht eerst een aantal cursussen te volgen in Zuid-Afrika. De kans om daar te worden ingeloot is echter zo klein dat maar weinig Malawiaanse artsen er nog aan beginnen.

Een optimistisch verhaal begint hoe dan ook met de erkenning van het feit dat Afrika met zeer beperkte middelen steeds innovatiever te werk gaat. ‘Er is ontzettend veel dat wij, in vergelijking met Nederland, niet kunnen’, zegt Frans Zoetmulder. ‘Maar wat we wél kunnen, met maar één-65ste van het Nederlandse budget, is meer dan indrukwekkend.’

Wie serieus wil weten hoe het ervoor staat met de gezondheid van Afrika laat de beelden van de ebola-epidemie links liggen en oriënteert zich op de ‘Millennium Development Goals’, de mdg’s. Want van de acht millenniumdoelen, vastgelegd in 2000, zijn er drie gericht op de gezondheid van mensen. Zo wil millenniumdoel 4 de ‘kindersterfte terugdringen’. Doel 5 wil een ‘betere gezondheid voor moeders’. En doel 6 zet in op de ‘bestrijding van hiv/aids, malaria en andere dodelijke ziektes’. Om deze doelen te bereiken, werd de afgelopen jaren veel geld vrijgemaakt. Dit ontwikkelingsgeld wordt sinds de jaren negentig voor een belangrijk deel ingezet om het leven van concrete mensen te verbeteren. Daar zit een heldere gedachte achter. Alleen mensen die niet langer onderworpen zijn aan ziektes, analfabetisme en extreme armoede kunnen zichzelf ontwikkelen en vervolgens ook een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van hun land. En dat was geen gekke gedachte, gezien het feit dat Afrika steeds mooiere groeicijfers haalt.

Wat de mdg’s zo interessant maakt, is dat sinds de jaren negentig een heel leger van wetenschappers onderzoekt of er op deze terreinen daadwerkelijk vooruitgang wordt geboekt. De millenniumdoelen verschaffen ons daarmee een scala van gegevens die het mogelijk maken om verder te kijken dan de gruwelijke beelden uit West-Afrika.

Om te beginnen met mdg 6: hoe dodelijk ook, hiv/aids is een van de terreinen waarop in Afrika enorme vooruitgang werd geboekt. Vergeleken met 2001, het jaar waarin de aidsepidemie de meeste slachtoffers maakte, nam het aantal nieuwe infecties met meer dan een derde af. Wanneer het aantal hivinfecties nog ergens stijgt, dan is dat al lang niet meer in Afrika maar in landen als Rusland en Indonesië. Ook starten vandaag veel meer mensen met een anti-aidsbehandeling dan er besmet raken. Tegen ongeveer twee miljoen nieuwe besmettingen in 2014 ontvingen vorig jaar ongeveer drie miljoen patiënten een ‘anti-retrovirale therapie’. Deze therapie zet het dodelijke aids om in een chronische ziekte waaraan nog maar weinigen overlijden. Deze ontwikkelingen zijn meteen zichtbaar in een sterk dalend aantal aidsdoden. In 2014 stierven weliswaar nog 1,1 miljoen Afrikanen aan hiv/aids, maar in 2005 waren dat er nog 1,8 miljoen. Dat is een daling van 39 procent in minder dan tien jaar.

Ook in de bestrijding van malaria tekent zich een hoopvolle verbetering af. Want de 524.000 Afrikanen die in 2014 overleden aan malaria vormen 54 procent van de 1,13 miljoen die in 2000 nog stierven aan de prik van een malariamug. De resultaten van mdg’s 4 en 5 zijn al even indrukwekkend. Met name door het massaal vaccineren van kleine kinderen tegen ziektes als mazelen, tetanus en difterie halveerde de kindersterfte in Afrika. In het Malawi van dokter Zoetmulder liep het aantal kleine kinderen dat werd begraven nog veel sneller terug. In 1990 overleden in het dramatisch arme land nog 240 op de duizend kinderen onder de vijf jaar. Vorig jaar waren dat er 75. Dat is een daling van bijna zeventig procent.

Hetzelfde geldt voor moedersterfte. In 1990 lieten 870 Afrikaanse vrouwen op de honderdduizend het leven tijdens het dragen of baren van hun kind. En ook hier werd met ontwikkelingsgeld een wonder verricht: moedersterfte daalde in Afrika tot 450 per honderdduizend in 2013. Dit aantal is nog steeds ontstellend hoog, vergeleken met Europa, waar twaalf op de honderdduizend vrouwen hun zwangerschap niet overleven. Tegelijkertijd is zo’n daling van 47 procent in 25 jaar ook bijzonder hoopgevend. Wanneer deze trend doorzet, sterven over twintig jaar niet méér Afrikaanse vrouwen op hun kraambed dan vandaag in Europa.

De enorme verbeteringen in de gezondheidszorg in Afrika van de afgelopen vijftien jaar vertalen zich inmiddels in een flink stijgende levensverwachting. Nergens ter wereld groeit de levensverwachting op dit moment zo snel als in sub-Sahara-Afrika. Zo steeg de levensverwachting van westerse kinderen tussen 1990 en 2012 met zes jaar; die van Afrikaanse kinderen steeg in die periode maar liefst met negen jaar. En dat ondanks alle hiv/aids, malaria, tbc, dysenterie, tyfus, bilharzia, waterhoofden en andere aangeboren afwijkingen uit de pathologische catalogus van dokter Zoetmulder.

Tot zo ver de even optimistische als koele cijfers. Maar mérk je er nu ook iets van in Afrika? Nou en of. Loop maar eens binnen bij de doodskistenfabriekjes op Ndirande Ring Road in Blantyre, Malawi. Ndirande is de grootste sloppenwijk van het land en de Ring Road bestaat uit een onafzienbare verzameling winkeltjes, take-away-restaurants, sloopbedrijven, houtzagerijen, blikslagers en coffin makers.

De Afrikaanse gezondheid verbetert tegen een fractie van de kosten die Europa ooit voor deze vooruitgang betaalde

Ik steek mijn licht op bij Loka. De gespierde man in T-shirt en slippers is een van de vele kleinschalige producenten van lijkkisten aan de Ringweg. Onder een afdakje van vodden en plastic zakken wachten zes kisten op een koper. Achter een schotje van karton schaaft Loka aan nummer zeven. Zoals het een Malawiaan betaamt, toont Loka zich goedgemutst. Vervolgens klaagt hij steen en been. Ooit gingen de zaken zoveel beter. Vandaag zit de klad erin. ‘Misschien is er te veel concurrentie hier’, peinst hij. ‘Al heb ik ook de indruk dat er minder mensen doodgaan.’

Wie gaan er dan minder dood? Loka twijfelt. ‘Minder jonge mensen. Minder jonge vrouwen. Veel minder kinderen. Alleen ouderen gaan nog dood zoals vroeger.’

Ik hoor het ook uit de mond van vrienden. ‘Tien jaar geleden hadden we wel twee keer per week een begrafenis’, zegt Veronica Kuchikonde. ‘Toen gingen dagelijks mensen dood aan “this disease”.’ Ik weet dat Veronica aids bedoelt wanneer ze het over ‘die ziekte’ heeft. ‘Nu ga ik nog maar zelden naar een begrafenis. Alleen wie zijn medicijnen niet goed gebruikt, gaat nog dood. Of wie zich niet wil laten testen.’ Zelfs al is vandaag één op de zeven Malawianen met hiv besmet, toch is aids steeds minder een probleem nu overal in Malawi gratis testfaciliteiten, condooms en aidsmedicijnen beschikbaar zijn.

En ik zie nog iets opmerkelijks. Ik zie het bij steeds meer jonge vrouwen, althans in de grote steden. Ik zie een kleine langwerpige verdikking in de bovenarm. Daaronder, zo weet ik, verbergt zich een staafje met het voorbehoedsmiddel Implanon. Met twee of drie kinderen vinden deze vrouwen het nu welletjes. Ooit gingen Afrikaanse stellen voor vijf of zes kinderen. Dat deden ze in de hoop er twee of drie over te houden die later voor hen zouden kunnen zorgen. Nu almaar minder kinderen sterven, is die noodzaak fors afgenomen en zijn de Implanon-staafjes in opmars.

Wie Afrika één-op-één met Europa vergelijkt, kán inderdaad niet anders dan een somber verhaal vertellen. De gezondheidszorg in de Europese Unie ontwikkelt zich zo snel, en er gaat zo enorm veel geld in om, dat de ontwikkelingen in Afrika per definitie ver achterblijven. Maar wie de vooruitgang in Europa afzet op dezelfde tijdlijn als die in Afrika kan niet anders dan constateren dat Afrika in sneltreinvaart vooruit schiet. Op gezondheidsgebied is de ongelijkheid tussen beide continenten een heel stuk kleiner geworden. Bovendien verbetert de Afrikaanse gezondheid nu tegen een fractie van de kosten die Europa ooit voor deze vooruitgang betaalde.

Nog één keer de cijfers. In Afrika sterven vandaag de dag negentig kleine kinderen op de honderdduizend, in Europa zijn dat er twaalf. Nog maar anderhalve eeuw geleden, in 1860, stierven in een willekeurige Europese stad als Liverpool maar liefst 460 kinderen op de honderdduizend. En dat terwijl het inkomen van de gemiddelde inwoner van Liverpool op dat moment zo’n drieduizend dollar was. Dat was bijna twee keer zo veel als de zeventienhonderd dollar van de gemiddelde Afrikaan vandaag. Blijkbaar was het in het dubbel zo rijke Europa van 1860 vijf keer moeilijker om kinderen in leven te houden dan in het Afrika van 2015.

Het is een gegeven om even op te kauwen. Het is te vinden in een fascinerend boek van de Deense statisticus Bjorn Lomborg, How Much Have Global Problems Cost the World? A Scorecard from 1900 to 2050. Lomborg nodigde een aantal collega’s uit om in kaart te brengen hoe duur het in 1900 wás, hoe duur het vandaag ís, en hoe duur het waarschijnlijk in 2050 zal wórden om grote, wereldomspannende problemen op te lossen. Wat kostte het ons, en wat gaat het ons kosten, om, bijvoorbeeld, luchtverontreiniging, gewelddadige conflicten of de neergang van de biodiversiteit terug te dringen?

De uitkomsten van Lomborgs onderzoek zijn intrigerend: sinds 1900 dalen de kosten van vrijwel al deze problemen. Het wordt almaar goedkoper en daarmee gemakkelijker om mondiale problemen op te vangen of op te lossen. En dat geldt ook voor de ongezondheid en korte levensverwachting van Afrikanen.

Dat zit zo. In de jaren nadat Edward Jenner in 1798 het vaccin tegen pokken had uitgevonden, kon het nog maar in kleine hoeveelheden worden geproduceerd en was de prijs relatief hoog. Bovendien ondervond Jenner zware tegenstand van zowel de kerken als van de gevestigde medische orde. Die voorzag een inkomstenprobleem wanneer mensen door preventieve maatregelen als een vaccinatie niet meer ziek zouden worden. Dat is allemaal verleden tijd. In de loop van de twintigste eeuw kon het pokkenvaccin op grote schaal worden vervaardigd, waardoor ook de prijs fors daalde en het beschikbaar werd voor iedereen die het nodig had.

Dat geldt ook voor het antiserum tegen difterie door Emil Adolf Behring in 1890, voor de antibiotica door Alexander Fleming in 1931, voor het vaccin tegen mazelen door John Franklin Enders in 1954 of de eerste combinatietherapie tegen hiv/aids in 1996.

Tussen Jenner en de aidsremmers zat tweehonderd jaar. De westerse wereld maakte dan ook stapje voor stapje kennis met al deze middelen. En ze zag stapje voor stapje haar gezondheid en daarmee de levensverwachting toenemen. Afrika bleef tot ver in de twintigste eeuw van al deze uitvindingen verstoken – om nu een reuzenstap te zetten. Vergeleken met factoren als onderwijs, economische groei of de sterk verbeterde positie van vrouwen lijkt vooral deze almaar goedkoper wordende technologie het verschil te maken. Waarschijnlijk zal technologie dat ook in de toekomst gaan doen.

Het lijkt erop dat Afrika het laatste continent is dat aanhaakt bij de moderne, geglobaliseerde economie

Met technologie wordt dan alles bedoeld wat mensen bedenken en produceren om specifieke problemen mee te lijf te gaan. Technologie, dat zijn zowel antibiotica als muskietennetten, aidsremmers én het massaal produceren en verspreiden van condooms. Technologie is het miljoenenvoudig vaccineren van kinderen, het isoleren van mensen met een besmettelijke ziekte én het aanleggen van toiletten.

De meest fascinerende toepassing van technologie in het elimineren van een dodelijke ziekte is nog wel de aanpak van pokken door de Wereldgezondheidsorganisatie (who) tussen 1967 en 1979. We zijn het al lang weer vergeten. Maar pokken was een van de meest gevreesde ziektes van de twintigste eeuw. Hoewel het door Jenner ontwikkelde vaccin al bijna honderd jaar werd gebruikt in het Westen stierven elders ter wereld tussen 1900 en 1979 niet minder dan driehonderd miljoen mensen aan pokken. Dat waren er beduidend meer dan de slachtoffers van beide wereldoorlogen samen.

Halverwege de jaren zestig besloot de who om er in een spectaculaire campagne een definitief einde aan te maken. De vooruitzichten waren goed. Voordat de who in 1968 aan haar campagne begon, werden wereldwijd al tientallen miljoenen mensen ingeënt en begon het aantal sterfgevallen al stevig te dalen. Vanaf 1968 werd het aantal kindervaccinaties tegen pokken sterk opgevoerd. Speciale teams begonnen in landen als India, Pakistan, Ethiopië en Somalië met huis-aan-huis-bezoeken om slachtoffers van pokken op te sporen en in quarantaine te plaatsen. Vervolgens werd iedereen gevaccineerd die mogelijk met deze zieken in contact was gekomen. Daarmee schiepen de pokkenteams rondom de slachtoffers ‘ringen’ van mensen die niet meer besmet konden worden. Twaalf jaar na het begin van de ringvaccinaties verklaarde de who de wereld pokken-vrij. De hele actie had driehonderd miljoen dollar gekost.

Er is volop reden om aan te nemen dat de gezondheidsrevolutie in Afrika verder doorzet. Natuurlijk zijn er ook critici, zoals dokter Zoetmulder uit Zomba Central Hospital. Hij wijst op de nadelen van de oplopende levensverwachting. Vijftig jaar geleden woonden er 3,5 miljoen mensen in Malawi, nu zijn het er zestien miljoen en dat aantal zou nog wel eens kunnen verdubbelen. Hij meent dat het land deze toename niet aankan en vreest dat miljoenen mensen de oversteek naar Europa zullen wagen, terwijl achterblijvers een leven wacht in bittere ellende. Toch lijkt het erop dat Afrika simpelweg het laatste continent is dat aanhaakt bij de moderne, industriële, geglobaliseerde economie die de rijkdom, de veiligheid en de levensverwachting van steeds meer mensen opdrijft. Het is een proces dat via de millenniumdoelen werd versneld met miljarden aan ontwikkelingshulp. En het is een proces dat met miljarden aan ontwikkelingshulp opnieuw kan worden versneld.

De huidige millenniumdoelen lopen echter op hun eind. In september van dit jaar wordt tijdens een speciale vergadering van de Verenigde Naties een heel nieuw pakket ontwikkelingsdoelen vastgesteld, de ‘Sustainable Development Goals’, sdg’s. En waren er acht mdg’s, nu komen er zeventien ‘duurzame ontwikkelingsdoelen’. Bovendien wordt armoedebestrijding in de sdg’s gekoppeld aan milieubehoud en het opvangen van de klimaatverandering.

Vooralsnog blijft de bestrijding van armoede ook bij de sdg’s het hoofddoel. De formulering is bovendien radicaler dan ooit. Zo draait het in sdg 1 onomwonden om het ‘beëindigen van armoede, in al zijn verschijningsvormen, overal ter wereld’. Concreet betekent dit dat in 2030 ook het laatste miljard extreem arme mensen een menswaardig leven moet kunnen leiden. sdg 3 laat evenmin ruimte voor onduidelijkheid. Zo moet in 2030 de wereldwijde moedersterfte zijn gedaald tot zeventig op de honderdduizend vrouwen. En in 2030 mag géén kind meer sterven aan een vermijdbare ziekte. Bovendien moet in 2030 een einde zijn gekomen aan epidemieën als aids, tbc en malaria. Klinkt dit allemaal meer dan sprookjesachtig, sdg 3 pleit ook nog eens voor een ziektekostenverzekering voor iedereen, waar ter wereld hij of zij ook woont.

De nieuwe sdg’s zullen komende zomer een forse discussie gaan losmaken. Waarschijnlijk zal de inzet van het debat prozaïsch zijn. Want een ambitieus programma als de duurzame ontwikkelingsdoelen kost handenvol geld. Vooralsnog zijn de signalen hoopvol. Terwijl een paar landen, waaronder Nederland, de afgelopen jaren stevig bezuinigden op ontwikkelingssamenwerking hoestte de wereldgemeenschap in 2014 maar liefst 130 miljard dollar op aan ontwikkelingsgeld. Dat is meer dan ooit tevoren in de geschiedenis van de hulp.

Eind januari kwam op initiatief van de Duitse kanselier Angela Merkel een aantal rijke landen samen om geld bijeen te brengen voor gavi, de Global Vaccines Alliance. Deze organisatie, gebaseerd in Genève, vaccineerde inmiddels honderden miljoenen kinderen in het armste deel van de wereld tegen onder meer mazelen, rode hond, difterie, tetanus en polio. Daarmee redde gavi de levens van ruim zes miljoen mensen en speelde zo een hoofdrol in het terugdringen van kindersterfte in Afrika. gavi maakt zich op om nog eens driehonderd miljoen kinderen tegen ziektes als polio en mazelen in te enten.

De opbrengst van de Berlijnse donorconferentie was de hoogste ooit: 7,5 miljard dollar sleepte gavi binnen. Daaronder 1,55 miljard van de Gates-stichting, 1,57 miljard van de Britse regering, 969 miljoen van Noorwegen en achthonderd miljoen van de Verenigde Staten. Ook de Nederlandse minister Lilianne Ploumen was in Berlijn. Zij zegde 250 miljoen toe.

En dan is er nog ebola. Na een aanvankelijke daling in januari lijkt de epidemie in Guinee en Sierra Leone weer aan te trekken. Van gavi kunnen we ook hier veel verwachten. Ze maakt inmiddels 390 miljoen dollar vrij voor de ontwikkeling en verspreiding van een anti-ebolavaccin. De organisatie is ervan overtuigd dat dit jaar nog een goed werkend middel zal worden ontwikkeld. Op dit moment zijn verscheidene farmaceutische concerns – GlaxoSmithKline, Merck, Johnson Johnson, Bavarian Nordic – bezig met het produceren van middelen tegen ebola. De markt voor deze producten is immens. Sinds vorig jaar wil geen enkele Afrikaanse overheid nog het risico lopen dat haar land zo zwaar getroffen wordt als Liberia, Sierra Leone en Guinee. Wanneer de nu geteste vaccins bevredigende resultaten opleveren, zouden de middelen in de herfst van 2016 op grote schaal kunnen worden verspreid – veertig jaar nadat ebola voor het eerst werd beschreven.

De ziekte kreeg in 1976 zijn naam toen een verpleegster ziek werd in een dorp niet ver van de Congolese Ebola-rivier. In de veertig jaar die volgden vonden over een groot deel van Afrika 24 uitbraken plaats en stierven iets meer dan zeventienhonderd mensen. Tot ebola zich in de zomer van 2014 massaal begon te verspreiden in West-Afrika waren maar weinig farmaceutische concerns serieus met de ziekte bezig. Met een gemiddelde van rond de veertig doden per jaar, verspreid over een gebied groter dan de Europese Unie en India samen, en met een virus dat zich in verschillende varianten openbaarde, was de commerciële en intellectuele uitdaging om er iets aan te doen simpelweg niet groot genoeg. Dat veranderde door 25.000 zieken en bijna tienduizend doden in West-Afrika, gevolgd door paniek in het Westen dat de ziekte zich ook hier zou kunnen verspreiden.

Als het lukt om inderdaad voor het einde van 2016 te beginnen met het massaal vaccineren tegen ebola en deze ellende in de loop van 2017 voorgoed de wereld uit te helpen, zou dat een prestatie van formaat zijn. Terwijl de internationale gemeenschap er in de jaren zestig en zeventig nog twaalf jaar over deed om een definitief einde te maken aan pokken, is het denkbaar dat ze over ebola niet meer dan drie jaar zal doen.

Voorlopig wijst alles erop dat dit nog zou kunnen lukken ook.


Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Postcode Loterij Fonds van Free Press Unlimited


Beeld: (1) Vrouwen wachten met hun baby’s op een polio- en mazelenvaccinatie in Kitahurira, Oeganda (Andrew Aitch ison / Corbis / HH); (2) Malawi. Everine Khondeni krijgt thuis een aidstest (Clare Kendall Eyevine / HH)