Geïmproviseerde muziek zonder subsidie

Het kleine circuit

Er komen steeds meer kleine podia voor geïmproviseerde muziek. De afhankelijkheid van geldschieters beu, nemen musici het heft in eigen handen. Het is ‘een ziekte’ om altijd subsidie aan te vragen.

Als paddestoelen zijn ze het afgelopen jaar uit de grond geschoten: kleine podia voor geïmproviseerde muziek. Musici hebben genoeg van de rompslomp rond subsidiesystemen en gaan in toenemende mate zelf op zoek naar plekken waar ze muziek kunnen maken: een buurthuis, een kraakpand of een internetcafé. Zonder geld, maar gedreven door muzikale ambities zetten ze hun eigen serie op, waarbij internet als een snel en kosteloos publiciteitsmiddel fungeert. ‘Als muzikant wil je gewoon spelen’, zo verwoordt trompettist Eric Boeren het algemene gevoel. De mogelijkheden voor improviserende musici om op te treden worden steeds spaarzamer. Door veranderingen binnen de Stichting Jazz en Improvisatiemuziek Nederland en het MuziekTheaterNetwerk reserveren steeds minder zalen een substantieel deel van hun budget voor muziek. En de podia die geheel zijn toegesneden op jazz en geïmproviseerde muziek, zoals het Amsterdamse Bimhuis, gaan ervan uit dat iedereen een keer aan de beurt moet komen. Dus met een of twee optredens per seizoen is de koek op. Zeker voor een beginnende groep is het moeilijk om een concert in het officiële circuit te krijgen. Toch zijn het bepaald geen beginnelingen die nu hebben besloten een eigen speelplek te creëren. Fluitiste Anne LaBerge is 45 jaar en kan bogen op een gedegen carrière in de moderne muziek. Toen ze geïnteresseerd raakte in het werken met elektronica, stuitte ze op een praktisch probleem. LaBerge: 'Er is in Amsterdam geen podium voor elektro-akoestische muziek. Voor een vrouwelijke fluitist die met effect wil spelen – ik speel geen sax of een G3-computer – is geen plaats. Maar als ik die elektro-akoestische kant wil ontwikkelen moet ik veel spelen.’ Na enige omzwervingen kwam LaBerge, samen met toetsenist Cor Fuhler en slagwerker Steve Heather, in de Kalenderpanden aan het Amsterdamse Entrepotdok terecht. In dit kraakpand werd ze welwillend ontvangen. LaBerge: 'Ze hebben een goede geschiedenis van rock en underground. Het is niet gezellig, maar het is een plek waar je alles kunt doen. Je kunt er heel hard spelen. Of zonder risico iets uitproberen.’ Het is vochtig en kil in dit bouwvallige pand waar LaBerge sinds het najaar elke woensdag Kraakgeluiden in de binnenstad organiseert. Verrassend genoeg herbergt de duistere ruimte een piepklein theaterzaaltje compleet met rode, pluchen stoelen. De knalblauwe muren, een paar levensgrote schilderijen en de kale peertjes geven het geheel een vreemde allure. Deze avond treedt Grand Mal op, waarbij de akoestische percussie van Justin Bennett zich mengt met de elektronica van Anne Wellmer en de vervormde stemgeluiden van zangeres Stephie Buttrich. Elektronische geluidsgolven worden ingevuld met subtiele slagwerkgeluidjes terwijl de zangeres een vervaarlijk gegrom laat horen, om even later als Nina Hagen tekeer te gaan. Na een tijdje voegt Matthew Ostrowski zich bij hen met een laptop-optreden. Op zijn computer bespeelt hij samples die zowel stemmen, abstract gebliep als ondefinieerbare klanken bevatten. De elektronica is de bindende factor in Kraakgeluiden in de binnenstad, zegt LaBerge. 'Dit podium is bedoeld voor professionele muzikanten die relatief ver in hun ontwikkeling zijn en iets willen uitproberen.’ Iets willen uitproberen, dat is het credo in de scene van kleine podia. Fluitist Ned McGowan noemt zijn concertserie in De Badcuyp in de Amsterdamse Pijp zelfs onomwonden een 'laboratorium’. In The Karnatic Lab onderzoekt hij muzieksoorten die overeenkomsten vertonen met de Karnatische muziek, een tweeduizend jaar oude traditie uit India. McGowan: 'Het is ons doel om via die traditie iets te leren over onze westerse muziek. Juist omdat het om abstracte concepten gaat, is onze muziek niet stijlgebonden. Er wordt tijdens onze concerten jazz, middeleeuwse en hedendaagse muziek gespeeld.’ De avonden zijn educatief van opzet, benadrukt McGowan. Maar dankzij de ontspannen sfeer, leuke zaal en het gratis entree trekt The Karnatic Lab soms honderd man publiek. Te midden van deze nieuwe organisatoren is Eric Boeren een oude rot in het vak. Eind 1994 begon hij in ph31 een serie voor geïmproviseerde muziek. Toen dat kraakpand tegen de vlakte ging vond hij onderdak in Zaal 100 in Amsterdam-West. Sinds vier jaar stelt hij met trombonist Joost Buis een goedlopende serie samen. Boeren windt er geen doekjes om dat hij vooral zelf veel wil kunnen spelen. Zijn voorbeelden zijn Thelonious Monk en Ornette Coleman. Boeren: 'Coleman speelde anderhalf jaar lang avond aan avond op één podium. In die tijd heeft hij tachtig liedjes op de plaat gezet. Die musici konden zo goed worden doordat ze zo regelmatig speelden. Over geïmproviseerde muziek bestaat nog altijd het misverstand dat je een paar toonladders op en neer ragt of dat je iets uit het hoofd speelt. Onzin. Improviseren moet je vaak doen om er goed in te worden.’ De avonden in Zaal 100 trekken wekelijks dertig à veertig man en op de avond dat violiste Iva Bittova en slagwerkster Katrien Ex spelen, is de huiskamerachtige ruimte afgeladen. De Tsjechische Bittova, die onlangs met het Nederlands Blazers Ensemble in een uitverkocht Paradiso stond, is even intrigerend om naar te kijken als om naar te luisteren. Haar tengere gestalte en kortgeknipte koppie komen goed overeen met haar breekbare, poëtische muziek. Met de ogen gesloten maakt ze kleine introverte geluiden: zacht geneurie, ritmisch geklak en afgemeten zuchtjes. Ze begeleidt zichzelf op viool. Ondertussen staat het publiek tot in de deuropening vastgeklemd om een glimp van het gebeuren op te vangen. Katrien Ex is lid van punkband The Ex. Zij betuigt zich eveneens een stemkunstenares, terwijl ze zichzelf op een Afrikaanse trom begeleidt. Een nauwelijks hoorbaar geveeg over het vel bouwt ze uit naar opzwepend getrommel. Over de artistieke merites van Zaal 100 is Boeren uitgesproken. Boeren: 'Mijn spel is erg vooruitgegaan. Ook andere musici hebben hier de messen kunnen sslijpen. Neem bassist Wilbert de Joode die nooit meer versterkt contrabas speelt. In Zaal 100 heeft hij een manier ontwikkeld om altijd hoorbaar te blijven en sindsdien speelt hij alleen nog akoestisch. Ik ben tegenwoordig met dempers in de weer. Het samenspel heeft zich meer kunnen verdiepen dan ooit. Je hebt veel meer vertrouwen in elkaar waardoor je meer risico’s kunt nemen en altijd weer de draad kunt oppakken.’ Boeren wordt overspoeld met verzoeken van musici die in Zaal 100 willen spelen, maar zijn criteria zijn streng. 'Het is geen jamsessie, geen try-outpodium of repetitieruimte. Improviseren is de kern. Een groep die hier stukjes wil spelen is niet welkom. En als er toevallig een fantastische tablaspeler in de stad is – pech gehad. Zangeres Jodi Gilbert en haar kwartet treden hier vier keer op. De teksten blijven constant, maar muzikaal proberen ze steeds iets anders. In het Bimhuis zou zoiets niet kunnen.’ Hoewel alle betrokkenen benadrukken dat hun podium een aanvulling is op de bestaande muziekwereld, klinkt er ook een zekere kritiek op de officiële podia door. 'De IJsbreker richt zich op de established music, zoals het Arditti Kwartet’, zegt McGowan. 'Dat is fantastisch, maar het is niet een plek om iets nieuws te ontwikkelen.’ Een stuk feller is Rob Armus die sinds kort in de Second Floor in Amsterdam-West concerten met jazz en geïmproviseerde muziek organiseert. Armus: 'Het Bimhuis is na twintig, dertig jaar een gesloten scene geworden. Ik speel er wel eens met andere bands, maar met mijn eigen band kom ik er niet tussen. Het schijnt dat directeur Huub van Riel sinds zijn cd-speler kapot is niet meer luistert. Hij programmeert wat hij al kent: zijn vrienden, zoals Misha Mengelberg, en grote namen uit het buitenland.’ In Second Floor programmeert de Canadese Armus op donderdagavond 'creatieve en originele’ geïmproviseerde muziek. Iedereen is welkom, van de linkse alternatieve scene tot de meer gesettelde jazzmusici. Ook Armus staat voor ogen dat nieuwe bands hun ideeën kunnen uitproberen, maar hij wil eveneens ruimte bieden aan een Afrikaanse master-drummer die toevallig in Amsterdam verblijft. Second Floor, gevestigd in een snookercentrum, is een lekker 'foute’ zaal. Smakeloos meubilair en een glitterende discobal; voor bruiloften en partijen. Een beetje Amerikaans, zo typeert Armus de ruimte. Het is pas de tweede avond die hij houdt en het handjevol publiek verzuipt in de grote zaal. Onduidelijk is of het publiek de virtuoze toeren die trompettist Felicity Provan op haar demper uithaalt, kan waarderen. Het duo dat zij met keyboardspeler Walter Lampe vormt, is behoorlijk grillig en experimenteel. Dat geldt minder voor Antonio Grippi’s Electronic Project die korte freaky passages afwisselt met swingende muziek. Saxofonist Jorrit Dijkstra heeft zich door Amerika laten inspireren. Dijkstra: 'Mensen daar organiseren zelf hun optredens. Ze gaan gewoon spelen in een café of platenzaak. In Boston krijg je dagelijks een lijst toegestuurd van de concerten met geïmproviseerde muziek.’ Sinds februari organiseert Dijkstra elke zondagmiddag een optreden in het Ascii-café onder boekhandel Het fort van Sjakoo. De sleutelwoorden bij Dijkstra zijn elektronica, ambient, improvisatie en elektro-akoestiek. Hij vindt de alternatieve sfeer van het internetcafé belangrijk ('Wij maken extreme muziek en daar hoort extreem publiek bij’). De concerten in het aftandse Ascii-café zijn ongetwijfeld het meest bizar van alle kleine podia. Ingeklemd tussen toetsenborden, computerschermen en internettende nerds zetten de musici hun beste beentje voor. Op een druilerige paasmiddag speelt Dijkstra samen met slagwerker Steve Heather. Dijkstra heeft zijn sax aangesloten op een sampler en een effectapparaat, Heather tovert ook zonder elektronica de meest wonderbaarlijke klanken uit zijn drumstel. Op de saxofoon zet Dijkstra een paar lange lijnen uit die een ambientsfeer oproepen. Het is de basis voor een inventief spel met klanken en patronen, soms klein en subtiel, soms zo uitbundig dat de internetters zich onmogelijk kunnen concentreren. Wat kleine podia bindt is de argwaan tegenover de reguliere subsidiekanalen. Armus verwoordt dit ongemak het meest direct: 'Als je helemaal van subsidie afhankelijk bent, ga je spelen wat zo’n commissie graag wil horen: de nieuwste mode.’ Dijkstra noemt het 'een ziekte’ om altijd eerst subsidie aan te vragen. 'Ik vind het verfrissend om gewoon iets te beginnen en te kijken wat het artistiek oplevert, in plaats van een heel concept te ontwikkelen, subsidie aan te vragen en af te wachten of het doorgaat. In de geïmproviseerde muziek gebeurt het regelmatig dat zo’n band goedbetaald bij elkaar komt en dat de combinatie van musici vervolgens niet blijkt te werken. Ik hou ervan op een organische manier een groep te beginnen.’ Ook Anne LaBerge is bang dat de 'frisheid’ van de concertserie in het geding komt zodra er sprake is van subsidie: 'Zolang je buiten het officiële circuit blijft kun je het inrichten zoals je wilt. Bij ons heeft publiek bijvoorbeeld geen prioriteit. Dat zou een fonds niet accepteren.’ De grootste angst van Eric Boeren is om 'zaalboer’ te worden, want als musici weten dat er geld is, willen ze allemaal in Zaal 100 optreden. 'Zodra je geld hebt ontstaat er kinnesinne’, zegt hij. 'Wie speelt er en hoe vaak? In dat soort gezeik heb ik helemaal geen zin. Ik wil onze onafhankelijkheid behouden.’