Bilal Sahin, coördinator Vadercentrum Adam

Het kleine gebaar van Bilal Sahin, coördinator Vadercentrum Adam

In Vadercentrum Adam is iedereen welkom, ook vrouwen en jongeren. Maar de cursussen zijn er speciaal voor de vaders.

‘Vrouwenemancipatie is populair, maar de mannen worden een beetje vergeten. Hier in het Laakkwartier werken de vaders vaak als bouwvakker of in de tuinbouw. Ze zijn doodop als ze thuiskomen. Intussen worden hun vrouwen steeds slimmer door wat ze leren in al die vrouwencentra. “We hebben hulp nodig”, zeiden ze. “We willen onze vrouwen kunnen bijbenen.” We zijn nu negentien jaar bezig. We hebben 152 vrijwilligers. De meesten geven cursussen, of bijles aan buurtgenoten.

De deur staat altijd open. Iedereen is welkom. Er komen hier meer dan vijftig nationaliteiten. Vooral Turken, Marokkanen en Hindoestanen. Vrouwen zijn welkom in onze ontmoetingsruimte. Jongeren ook, als hun vader, oom of een andere begeleider aanwezig is. Maar de cursussen, die zijn alleen voor vaders. Ze kosten vijftig cent per les. We ontvangen elke week zo’n zevenhonderd cursisten. Je kunt leren lassen, of leren werken met een computertaal. Er zijn internetcursussen en taalcursussen. Onze naaicursus is heel populair. Daar leren vaders om zelf hun kleding te verstellen, en hoe ze een overhemd naaien of een broek.

‘Als we het idee van de vaders loslaten, nemen de vrouwen het over. En juist de mannen hebben dit zo nodig’

Het gaat veel beter met Laak dan vroeger. Dat is mede te danken aan de buurtvaders die vanuit ons centrum door de wijk trekken. Nu zijn het Marokkaanse mannen – de vaders en ooms van de jongens op straat – maar we kunnen dat makkelijk uitbreiden naar andere culturen. Laatst vertelde de chef van het politiebureau dat hij bij een opstootje twijfelde: de Mobiele Eenheid erbij halen of de buurtvaders inzetten. Hij koos voor de buurtvaders, en het probleem werd opgelost. In onze wijk werken uniformen provocerend. Dat merk je ook bij het sportcomplex hier vlakbij. Daar hingen jongens rond die opgefokt deden, er werd drugs gebruikt en er werden vernielingen aangericht. Maar dat is voorbij sinds de beveiligers zijn weggehaald en wij er de boel in de gaten houden.

Ik ben coördinator van het Vadercentrum. Ik ben hier altijd, ik werk zeven dagen, tachtig uur per week. Een deel van die uren krijg ik betaald. Alle anderen zijn vrijwilligers, maar er heerst hier geen hiërarchie. Het is belangrijk dat we het Vadercentrum runnen vanuit ons hart en dat kan niet als iemand je opdraagt om dingen te doen. Alles draait hier om gelijkwaardigheid en contact. Daarom krijgen de vrijwilligers hier elke avond een gratis maaltijd. Samen eten is belangrijk.

Ik kan heel veel dingen niet, maar één ding kan ik best goed, en dat is mensen met elkaar verbinden; zien waar hun sterke punten liggen en die koppelen aan de talenten van anderen. Iedereen kan wel iets dat goed is voor hemzelf en voor onze samenleving. Wij proberen dat talent hier te vinden en in te zetten.

Vrouwen kunnen ook opdringerig zijn. Als je ze de deur uitwerkt, komen ze via het dak weer binnen. Ze roepen dat ze door het centrum gediscrimineerd worden. Ze willen óók deelnemen aan de cursussen. Kijk, dat is logisch. Vrouwen zitten anders in elkaar dan mannen. Ze hebben meer discipline. Maar als we het idee van de vaders loslaten, nemen de vrouwen het over. En juist de mannen hebben dit zo nodig. We moeten vaak achter ze aan bellen: Hé, waar ben je? Je zou toch naar de cursus komen? Als straks hun vrouwen ook naar de cursussen komen, haken ze af. Dus dat gaan we niet doen.’