Het kleine gebaar van universitair docent Aernout van Lynden

Veel studenten hebben moeite om het overlijden van hun ouders een plek te geven, merkte Aernout van Lynden.

‘Mijn vrouw overleed negen jaar geleden aan alvleesklierkanker en twee van mijn dochters studeerden toen. Ze werden destijds totaal niet geholpen door hun universiteit, terwijl ze gewoon door wilden studeren maar dan mét ondersteuning. Op een gegeven moment hoorde ik aan de universiteit waar ik doceer ook verhalen van studenten wier ouders stervende of zojuist overleden waren. Toen dacht ik eigenlijk: hier moet ik wat mee doen.

We hebben geen taboes meer, maar de dood is er nog één. Ik heb heel veel dood meegemaakt in mijn leven. Als voormalig oorlogscorrespondent zijn veel van mijn collegae overleden. Mijn broer heeft zelfmoord gepleegd, en mijn moeder is als gevolg daarvan overleden. De meeste mensen vinden de dood doodeng. Sommige mensen maakten bijvoorbeeld ongemakkelijke opmerkingen of ontweken mij toen mijn vrouw overleed.

Al snel na mijn aanstelling bij University College in Den Haag merkte ik dat jongeren die hiernaartoe komen vanuit de hele wereld soms ondersteuning nodig hadden. Zes jaar geleden zette ik dan ook een soort systeem op om deze studenten op te vangen bij hun problemen. In die periode kreeg ik ook te maken met studenten wier ouders stervende of recentelijk overleden waren.

‘We hebben geen taboes meer, maar de dood is er nog één’

Een aantal studenten maakte bijvoorbeeld het overlijden van hun vader of moeder mee tijdens hun puberteit, in het midden van hun existentiële vragen vol onzekerheden. En als er dan zoiets gebeurt, sluiten ze zich vaak op.

Twee jaar later zette ik dan ook dit initiatief op om studenten die de dood van zo dichtbij hebben meegemaakt, bij elkaar te brengen, want ze begrijpen elkaar. In eerste instantie nodigde ik een groep van acht studenten uit om bij mij te eten. Ik heb een ronde eetkamertafel, waar iedereen elkaar kan zien. En toen heeft iedereen zijn verhaal verteld. Ik doe tijdens zo’n avond mijn best om het geheel in goede banen te leiden. In eerste instantie zijn de deelnemers, vooral de jongens, gesloten. Zij komen dan en vertellen een oppervlakkig verhaal: “Ja, dit gebeurde en toen was mijn vader dood.” En vanaf de tweede keer krijg je een heel ander verhaal te horen, dan beginnen ze te praten. Als het gesprek uiteindelijk op gang komt, vertellen ze soms dingen die ze nooit aan anderen hebben verteld en dat werkt therapeutisch. Iemand vertelde bijvoorbeeld over wat hij achteraf over zijn ouder te weten was gekomen. Dat kan heel pijnlijk zijn.

Inmiddels gaan ze ook naar elkaar toe op slechte dagen: eigenlijk ontstaat er dus een informeel ondersteuningsnetwerk. Het is dus slechts in beperkte mate afhankelijk van mij.

Zo’n avond kan uitlopen tot laat in de nacht en wil ik altijd beëindigen op een manier waarop niemand meer in tranen is. Dan worden er ook grappen gemaakt, vaak donkere humor. Aan het einde van de eerste meeting, zeiden ze: “Ja, we moeten wel een groepsnaam hebben.” En toen kwamen zij, niet ik, met de naam: The Dead Parents Society. En daar moesten ze allemaal heel erg om lachen. Als je het aan andere mensen vertelt, schrikken ze daarvan. Maar er zit ook een zekere houding in van such is life.

Na zo’n avond ben ik doodop, maar als ik naar bed ga, ben ik elke keer weer getroffen door de ongelooflijke empathie tussen de studenten onderling, die toch allemaal anders zijn en uit verschillende plekken van de wereld komen.’