Ook het bedrijfsleven heeft

Het klimaat is big business

In navolging van milieuactivisten en politici heeft nu ook het bedrijfsleven «Kyoto» ontdekt.

Westelijk Afrika gaat gebukt onder de grootste sprink hanenplaag in tientallen jaren. De staat Florida werd deze maand «lamgelegd» door de orkanen Frances en Charley, terwijl Ivan maar liefst twee miljoen Amerikanen dwong tot evacuatie. In Australië heersen ongebruikelijke windhozen, in China veroorzaken de slagregens van de laatste weken de «grootste overstroming in de laatste honderd jaar» en op Haïti eist orkaan Jeanne zeshonderd levens.
Berichten over uitzonderlijke weersomstandigheden zijn zo oud als de Zondvloed, maar de laatste jaren zijn «meteorologische rampen» steeds vaker voorpaginanieuws. Een oppervlakkige telling leert dat vijf Europese kwaliteitskranten de laatste vier weken in totaal meer dan tweehonderd berichten over «afwijkende» weers omstandigheden op hun voorpagina plaatsten. Zelfs het dagelijkse weerbericht staat tegenwoordig in het teken van meteorologische records en afwijkende weerbeelden. Dit meteorologische rampnieuws ontwikkelt zich tot een apart journalistiek genre met zijn eigen tek stuele en fotografische gemeenplaatsen.
Wat die laatste betreft is het opmerkelijk dat foto’s van windhozen en overstromingen steeds minder de onbeheersbaarheid van de betrokken natuurkrachten benadrukken en steeds vaker het slachtofferschap van de getroffen mensen, als ging het om slachtoffers van een burgeroorlog of ander kwaadaardig menselijk handelen. Zodoende ondersteunen ze de tekstuele gemeenplaats dat de mens schuldig is aan de verstoring van het weer en derhalve zulke rampen over zichzelf afroept. De BBC heeft al een deel van zijn website gewijd aan reportages van de meteorologische frontlinie, inclusief foto’s van doorweekte Chinezen, dichtgetimmerde Cubaanse strandhuizen en een jammerende boer in Andalusië, een provincie die volgens de verslaggever binnen enkele jaren door temperatuurstijging in een onleefbare «stofkom» zal veranderen.
Al die aandacht voor uitzonderlijke weersverschijnselen wordt intussen niet gerechtvaardigd door de feiten. Het is de laatste vijf jaar bijvoorbeeld «rustig» geweest aan het orkaanfront, zo valt in specialistische tijdschriften te lezen. Sterker nog, in de afgelopen honderd jaar is er geen sprake geweest van een toename van het aantal orkanen of van de heftigheid van de gemiddelde orkaan. Hoogstens is de menselijke en financiële schade als gevolg van orkanen toegenomen omdat de mens in die periode in hoog tempo gronden in risicogebieden heeft ontgonnen en bebouwd. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor schade door overstromingen, vulkaan uitbarstingen en zelfs sprinkhanenplagen (die des te groter zijn naarmate de diertjes meer te eten vinden).
Deze keerzijde van het verhaal komt in nieuwsberichten zelden aan de orde, om maar te zwijgen van de nuances van het wetenschappelijke klimaatdebat. Uit de gegevens van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de Verenigde Naties, de voornaamste wetenschappelijke denktank op klimaatgebied, blijkt bijvoorbeeld dat de gemiddelde temperatuur in de wereld tussen 1930 en 1975 is gedaald, terwijl de wereldwijde industrialisering in die periode explosief was. Van een lineair verband tussen de uitstoot van broeikasgassen en de stijging van de temperatuur in de atmosfeer is dus geen sprake. Naarmate de modellen van het IPCC verfijnder worden, komen er steeds meer nieuwe, onvermoede factoren in beeld en worden de onzekerheden in de berekeningen groter.
Hoe dit ook zij, door zijn aard en omvang is het meteorologische rampnieuws al lang niet meer neutraal, zoals de brengers beweren. Er gaat een suggestie van uit dat de natuur de kluts kwijt is. Nog niet zo lang geleden zou die suggestie door wetenschappers, politieke gezagsdragers en andere autoriteiten met klem zijn tegengesproken, al was het maar vanuit de positivistische (en geruststellende) gedachte dat de mens in toenemende mate de natuur leert begrijpen en beheersen. Tegenwoordig lijkt het wel alsof politici met elkaar en de media wedijveren in meteorologisch fatalisme, vaak verbonden met die andere gemeenplaats over de menselijke schuld. Ze beschikken over een reusachtig klankbord. De milieubeweging, niet gehinderd door beleidsverantwoordelijkheid of wetenschappelijke verantwoordingsplicht, presenteert de zwartste klimaatscenario’s. Weermannen over de hele wereld hebben het woord «broeikasgas» voor in de mond liggen, reclamespots tonen afbrekende ijskappen en een Hollywood-film als The Day After Tomorrow wordt ondanks alle ironie en grappen die erin doorsijpelen toch gepresenteerd als een «boodschap» aan de mensheid; de film is geen sciencefiction maar «science fact», aldus producent Mark Gordon.
Geen wonder dat functionarissen op alle niveaus gebruik maken van de meteorologische paniek om aandacht en fondsen op te eisen. Onderdirecteur John Powell van het Wereld Voedselprogramma eiste onlangs meer geld met het argument dat tientallen miljoenen armen in de wereld worden bedreigd door «een ongekende golf van afwijkend en extreem weer». In werkelijkheid is het natuurlijk de ongekende bevolkingsexplosie die de armsten in de wereld extra kwetsbaar maakt voor weersverschijnselen die op zichzelf niet bijzonder zijn. Verwijzingen naar het veranderende klimaat zijn een standaardformule voor beleidsmakers geworden. Volgens de Britse wetenschapsjournalist John Gillott is hier sprake van kwaadaardige opzet.
In een bijlage van het webtijdschrift Sp!ked, gewijd aan de discussie over opwarming van de aarde, schrijft hij: «Europese politici, milieuactivisten en de media kunnen geen weerstand bieden aan de verleiding om uitzonderlijke weers omstandigheden in de wereld van vandaag te verbinden met de opwarming van de aarde, ook al is daar weinig of geen bewijs voor. En dat weten ze.» Om niettemin die link te kunnen leggen, nemen ze hun toevlucht tot retorische trucs. In een peperdure, op kunstdrukpapier uitgegeven brochure van de terugtredende Europese commissaris voor Milieu Margot Wallström staat bijvoorbeeld te lezen dat het klimaat tegen het einde van de twintigste eeuw steeds «onvoorspelbaarder» is geworden. Niettemin doet de brochure een hele reeks tot ver achter de komma nauwkeurige noodlotsvoorspellingen voor de komende honderd jaar, uiteenlopend van mondiale temperatuurstijgingen tot stijgingen van de zeewaterspiegel, als gevolg van ons buitensporige consumptiepatroon.

Hoe is deze omslag te verklaren? Een groot verschil met enkele jaren geleden is dat in navolging van milieuactivisten en politici nu ook het bedrijfsleven «Kyoto» heeft ontdekt. De publieke verontrusting over de opwarming van de aarde, terecht of niet, is een ideale gangmaker voor nieuwe projecten waarin bedrijven samenwerken met de overheid. Het «groenwassen» van het bedrijfslogo blijkt te lonen en er zit een enorme groei in de markt voor aangepaste technologie, marketing van «groene» producten en nieuwe financiële diensten. Zo maakt de EU als gevolg van het klimaatverdrag van Kyoto grote kans het centrum te worden van de mondiale handel in emissierechten, de (verhandelbare) rechten van bedrijven om een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten.
Die ontwikkeling is al vóór het verdrag van Kyoto (1997) door de Europese industrie zelf in gang gezet. De Amerikaanse energieproducenten en vervoersfirma’s verzetten zich in die tijd met hand en tand tegen een verdrag en richtten daarvoor een aparte lobby op, de Global Climate Coalition (GCC), die voor dertien miljoen dollar een publiekscampagne tegen «Kyoto» voerde. De strekking daarvan was dezelfde die nu nog altijd wordt verdedigd door de regering-Bush, namelijk dat het onzin is om maatregelen te nemen zolang het menselijke aandeel in de klimaatverandering niet wetenschappelijk is vastgesteld. Daarentegen liet directeur John Brown van British Petroleum zich in mei 1997 heel anders uit: «Het moment om de beleidsimplicaties van klimaatverandering onder ogen te zien is niet afhankelijk van het wetenschappelijk bewijs, maar van de mate waarin de ons omringende samenleving de kwestie serieus neemt.» Populair gezegd: het publiek vraagt en wij draaien. Toen BP eind 1997 uit de GCC was gestapt, volgden binnen de kortste keren andere Europese en ten slotte ook Amerikaanse bedrijven als Shell, Ford en General Motors vanuit de gedachte dat het klimaat wel eens big business kon worden.
En zo ver is het inmiddels. In Groot-Brittannië is deze ontwikkeling om diverse redenen het verst voortgeschreden. Een belangrijke factor is dat premier Tony Blair een groot voorstander van het verdrag van Kyoto is. Eerder dit jaar werd op zijn initiatief de Climate Group opgericht, een «onafhankelijke liefdadigheidsinstelling» waarin de Britse regering, grote bedrijven als BP, Shell en Marks & Spencer, de milieubeweging en wetenschappers samenwerken om de klimaatdiscussie «politiek momentum» te geven en maatregelen voor te bereiden die verder gaan dan het Kyoto-verdrag. De oprichting ging gepaard met toespraken van onder anderen Blairs wetenschappelijke adviseur, David King, die het standpunt huldigt dat klimaatverandering het «grootste probleem is waarmee de wereld van vandaag kampt, ernstiger dan de dreiging van terrorisme».
De milieubeweging juicht zulke initiatieven toe omdat ze bewijzen dat de zorg om het milieu op alle beleidsniveaus is doorgedrongen terwijl «groene» producten en duurzame productie methoden eindelijk ook commercieel aantrekkelijk lijken te worden. De keerzijde is dat het «aangepaste» beleid wordt gemaakt door overheden en bedrijven die niet noodzakelijk het welzijn van de mens of de liefde voor de natuur voor ogen hebben. En naarmate de consensus dat er «iets moet gebeuren» sterker wordt, zal het beleid dieper ingrijpen in ons dagelijks bestaan, wellicht op een manier die velen zal doen terugverlangen naar de tijd dat onze duurzaamheidsplicht niet verder reikte dan de wekelijkse afvalscheiding en de gang naar de glasbak.
Nu de klimaatkwestie de milieubeweging uit handen dreigt te worden genomen, rijst ook de vraag wie de zeggenschap krijgt over verschillende aspecten van het duurzaamheidsbeleid: overheden of bedrijven? Afhankelijk van het antwoord op die vraag kan het beleid verschillende richtingen op gaan, variërend van repressief (overeenkomstig de beheersdrift die over heden eigen is) tot geheel geprivatiseerd. Die laatste mogelijkheid wordt ten onrechte onderschat. De productie van zonnepanelen bijvoorbeeld, ooit een idealistische mini-industrie, is uitgegroeid tot een volwassen branche. Uitgerekend British Petroleum is hier in korte tijd marktleider geworden met een jaaromzet van anderhalf miljard dollar. Hoe snel de privatisering van het milieubeleid kan toeslaan, bewijst de krachtige lobby in ons land voor het volbouwen van de territoriale wateren met windmolenparken, die behalve schone energie ook een ongekende horizonvervuiling opleveren.

De repressieve variant is zo mogelijk nog verontrustender. Ook hier hebben de Britten onder aansporing van de regering-Blair het voortouw genomen. Nadat eerder dit jaar een alarmerend overheidsrapport stelde dat miljoenen Britten de komende vijftig jaar worden bedreigd door overstromingen als gevolg van klimaatverandering gaat de ruimtelijke ordening van verschillende kustgebieden en rivierlandschappen drastisch op de schop. Het milieubureau van de stad Londen eist nu reeds vier miljard pond om overstroming van de Theems als gevolg van de zeespiegelstijging te voorkomen. Verzekeringen grijpen het rapport aan om nieuwe bouwvoorschriften en veiligheidsmaatregelen te eisen van particulieren en overheid.
Vandaar is het nog maar een kleine stap naar gedwongen gedragsveranderingen van de burgers in naam van het klimaat. Het groene neefje van Big Brother steekt namelijk al her en der de kop op. Een staatssecretaris heeft zich zelfs laten ontvallen dat gebroken gezinnen een extra belasting van het milieu betekenen. De genoemde BBC-website somt een hele reeks maatregelen op die «noodzakelijk zullen zijn om ons aan te passen aan klimaatverandering», variërend van het verzamelen van regenwater tot het sluiten van de gordijnen na zonsondergang. Opmerkelijk is dat bijna alle gedragsaanpassingen die hier worden genoemd arbeidsintensief zijn en volledig voor rekening van de individuele burger komen. Niet de industrie moet schoner en zuiniger produceren; nee, de burger moet schoner en zuiniger consumeren, tal van nieuwe regels aanvaarden en in het algemeen op zijn tellen passen. Zo dreigt de politieke dimensie uit het klimaatdebat te verdwijnen. Wat overblijft is een eeuwenoud gegeven: schuld en boete.