Het knaapje dat er niet toe doet

Peter van Gestel, Lieve Claire. Uitgeverij Fontein, 172 blz., f27,50
Lieve Claire heet Peter van Gestels nieuwe jeugdroman, maar over de aangesproken jongedame komen we alleen te weten dat ze haar voeten graag in een teil met sop steekt en dat ze langdurig in Griekenland met vakantie is. Bij de werkelijke hoofdpersoon heeft ze binnen vijf minuten de liefde doen ontvlammen en met haar chique naam dient ze slechts als geadresseerde voor een lange, steeds verder uit de hand lopende brief.

De schrijver daarvan is de vijftienjarige Bo. In de aanhef klaagt hij nog over Claires gebrek aan belangstelling voor zijn persoon, maar al gauw verschuift de aandacht naar andere turbulenties in zijn bestaan. Centraal daarin staat Thea, het stiefzusje van Bo’s moeder dat als achtjarig weeskind op raadselachtige wijze in de familie is terechtgekomen, via een slippertje van opa. Met deze slechts zeven jaar oudere en buitengewoon onconventionele ‘tante’ is Bo vanaf zijn prille jeugd hecht verbonden. Hij volgt haar grillen en amoureuze escapades en is als enige op de hoogte van Thea’s hardnekkige verlangen haar echte vader te leren kennen, een verlangen dat eindigt in de confrontatie met een benepen en agressieve dorpsgemeenschap. Het levensverhaal van Thea is ingewikkeld en geeft zich niet gemakkelijk prijs. De lezer moet het door middel van de flarden heden en verleden in Bo’s brief zelf reconstrueren.
Die briefvorm is nogal gezocht, want dat je aan iemand die je nauwelijks kent en zonder enige reactie van de andere partij zoveel van jezelf laat zien, is niet echt waarschijnlijk. Die vorm bepaalt wel de luchtige toon van het geheel - voor mij hier en daar te joviaal met 'ouwe, goeie, daro, allenig, het is je gerajen’ - en benadrukt vooral de aard van wie die brief aan het schrijven is. Om hem draait het uiteindelijk. Uit wat en hoe hij schrijft over de sores van anderen verrijst het beeld van een introverte, intelligente en kwetsbare puber. De poezen beziet hij met liefde, zijn voornamelijk op zichzelf geconcentreerde ouders met een mengeling van mededogen en treurigheid: 'een goeie vader die er niets aan kan doen dat ik de verkeerde zoon ben’.
Een oude man zal hij volgens Thea nooit worden, want 'jij bent al een ouwe man’. Voor haar is Bo altijd 'het knaapje dat er niet toe doet’ geweest, een broertjesachtig, toegewijd klein mens, dat haar eenzaamheid deelt en haar voeten warmt: 'Daarom mocht ik mee, omdat ik “jij bent het maar” ben.’ Dat hij uiteindelijk een nacht lang haar broertje helemaal niet is, is eigenlijk vanzelfsprekend, want voortvloeiend uit jarenlange vertrouwelijkheid en lijfelijke intimiteit.
Net als in de verhalen over Ko Kruier (1984) en in Boze Soe (1990) heeft Van Gestel opnieuw een ontroerend puberportret geschilderd, vooral schitterend in de weerbarstige, droog-komische dialogen. Daar zijn twee nogal zonderlinge individuen in de slag - soms tegen elkaar, soms met elkaar - om vorm te geven aan hun niet zo eenvoudige bestaan. En de auteur gunt hen de steun van een ongewone relatie, die niet als in het doorsnee jeugdboek gestoffeerd is met obligate seks of rozengeur en maneschijn, maar wel van vitaal belang is om zich in het leven staande te houden.