Het virtuele proletariaat

Het knagende digitale ego

In de digitale revolutie heeft de industrialisering van de arbeid plaatsgemaakt voor de industrialisering van de geest. Langzaam dringt door dat de digitale utopie totalitaire trekken begint te vertonen.

Medium virtueel ego

Hoewel Karl Marx een Kritische beschouwing over de economie hield, zoals de ondertitel van Het kapitaal luidt, moeten zijn werk en engagement begrepen worden vanuit de technologische horizon die in de negentiende eeuw opdoemde. Inzet: de waardigheid van de mens, zijn autonomie en vrijheid in relatie tot de macht van de machine-industrie.

Dat de vraag naar techniek tot een ideologische strijd leidde, lag voor de hand. De industriële revolutie ploegde de bestaande wereld om. De grond waarop die rustte en waar ze eeuwenlang haar zingeving aan ontleende, veranderde rigoureus van samenstelling. Met de transformatie van traditioneel, kleinschalig gebruik van techniek – huisnijverheid, kleine ambachtslieden – naar moderne en grootschalige techniektoepassingen – massaproductie, fabrieksarbeid – kwamen gangbare ideeën en lang bestaande verhoudingen op losse schroeven te staan.

De gevolgen van industriële massaproductie reikten verder dan vervuiling en ellendige werk- en leefomstandigheden alleen. De maat van de machines legde ook een ander levensritme op. De nieuwe cadans was afgemeten, symmetrisch en monotoon. Het denken en het handelen voegden zich hiernaar en kwamen in het teken te staan van berekenbaarheid, efficiëntie en controle. De producten die uit deze geest voortkwamen waren eenvormig, uitwisselbaar en onpersoonlijk. Dit proces van verregaande rationalisering werd door een van de aartsvaders van de moderne sociologie, Max Weber, aangeduid als de ‘onttovering van de wereld’.

De vraag is nu: hoe verhoudt de huidige door techniek aangedreven revolutie zich tot de vorige? Marx’ proletariaat raakte in de ban van een productieproces waarin het de binding met het eindproduct verloor. Is het denkbaar dat er een eigentijdse Marx opstaat die een al even eigentijds proletariaat aanwijst? Die bijvoorbeeld al die werkmieren die 24 uur per dag en zeven dagen per week in touw zijn om alle informatie- en communicatiestromen te verwerken oproept om in opstand te komen? Bestaat er ruimte voor reactionaire denkers die het concept vervreemding of de notie van menselijke waardigheid nieuw leven inblazen en in verband brengen met de digitale revolutie? Die wijzen op de mogelijke keerzijden of Verelendung die de digitalisering van de werkelijkheid met zich meebrengt?

Ja, die ruimte bestaat en ze wordt ook opgeëist. Hacktivistische groeperingen als Anonymous, de free software-beweging of het open source-initiatief geven Marx’ toe-eigeningsstrijd een geheel eigentijdse en praktische invulling. Hier kruisen de wegen van oude en nieuwe proletariërs elkaar en wordt het gevecht om het bezit van de hedendaagse productiemiddelen (lees: de genetwerkte informatiemens en ‘zijn’ machines) gevoerd. Wereldwijd gloort het inzicht dat bedrijven als Google en Facebook de open en sociale dynamiek van het digitale netwerk hebben ingelijfd en de gemiddelde gebruiker ervan hebben gereduceerd tot een welwillende systeemslaaf in dienst van het technocratisch grootkapitaal. Voor het schenken van oude proletarische wijn in nieuwe proletarische zakken hoeft men beslist geen verstokte neomarxist te zijn. Het in ogenschouw nemen van onze huidige geknechte conditie biedt voldoende grond voor deze exercitie.

Nu de avant-gardistische hippies van weleer – internetpioniers van het eerste uur, opgegroeid in Silicon Valley – de systeem bevestigende krachten van vandaag zijn geworden, vallen sommige leden van de revolutionaire voorhoede van hun geloof en ontpoppen zich tot geduchte contrarevolutionairen van de digitale revolutie. Bekend voorbeeld hiervan is whizzkid Jaron Lanier, op wiens conto de popularisering van de term virtual reality wordt geschreven. Deze digitale utopist en invloedrijke Silicon Valley-goeroe rekende in een geruchtmakend essay, getiteld Digital Maoism, af met het cyberspace-utopisme van zijn voormalige kameraden. Onder veelzeggende titels als You Are Not a Gadget (2010) en Who Ownes the Future? (2013) waarschuwt hij voor de averechtse effecten van de Silicon Valley-ideologie. Wie evenmin onvermeld mag blijven is Evgeny Morozov. Van bevlogen internetoptimist ontwikkelde hij zich tot een van de vurigste criticasters van het medium. In The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom (2011) en To Save Everything, Click Here (2013), prikt hij een groot aantal internetillusies door.

In de academische wereld is socioloog en klinisch psycholoog Sherry Turkle een ander goed voorbeeld van iemand die door voortschrijdend inzicht tot een sceptische houding is gekomen. Als hoogleraar sociologie van wetenschap en technologie aan het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology onderzoekt zij al ruim dertig jaar hoe technologie het menselijke denken en doen beïnvloedt. Aanvankelijk optimistisch over de mogelijkheden van de nieuwe technologie werd zij steeds somberder over de schaduwzijden van wat ze de ‘draagbare revolutie’ noemt. In Alone Together: Why We Expect More from Technology and Less from Each Other (2011) tekende zij haar nieuwe inzichten op.

De gemiddelde gebruiker van het digitale netwerk is gereduceerd tot een welwillende systeemslaaf in dienst van het technocratisch grootkapitaal

Onlangs voegde zich nog een andere interessante bekeerling aan het gezelschap van internetsceptici toe: Viktor Mayer-Schönberger, hoogleraar aan het Oxford Internet Institute. Zijn eerdere enthousiasme over de big-datarevolutie, die volgens hem veel van onze problemen zou oplossen, is behoorlijk getemperd. Nu rept de wetenschapper zelfs over metadata die levensgevaarlijk zouden zijn.

Het dringt kortom bij veel cybervoorvechters van het eerste uur door dat het verblijf in de virtuele biotoop evengoed een valstrik is, ons opsluit in virtuele verblijven waar zachte vormen van tirannie de maatstaf zijn. Het beeld dat we onze ziel en zaligheid uitleveren aan internetgiganten als Google en Facebook en verstrikt raken in allerlei vormen van digitale dwingelandij is een terugkerend thema bij diegenen die de misstanden van de genetwerkte informatiesamenleving aan de kaak stellen.

***

In de suggestie dat we onze zelfbeschikking uit handen geven en slaafs overdragen aan de machinaties van internetindustrieën komt een grondgedachte tot uiting die verwantschap vertoont met de denkbeelden van Marx. De Franse techniekfilosoof Bernard Stiegler spreekt zelfs van ‘totale proletarisering’. Na de industrialisering van het lichaam met behulp van machines zou er nu een industrialisering van de geest plaatsvinden met behulp van analoge en digitale media. Bemiddeld door massamedia als tv en internet en aangejaagd door de zakelijke belangen van multinationals vindt er volgens hem een totale mobilisatie van de menselijke energie en een even totale inlijving van de aandacht plaats. Na de spierkracht in het industriële tijdperk wordt in het digitale tijdperk de denk- en verbeeldingskracht opgenomen in het productieproces en onderworpen aan de wetten van de markt, een onderwerping die feitelijk neerkomt op de industrialisatie van ons hele bewustzijn.

Het manipuleren van de menselijke geest en zijn verlangens staat of valt met de succesvolle toeëigening van zijn tijd en aandacht. Geestestechnologieën – het industriële complex van informatie- en communicatietechnologieën (ict) – slagen daar wonderwel in. De beschikbare breintijd van de gemiddelde burger wordt er steeds langer en vaker door in beslag genomen, zeker nu cyberspace een mobiele, altijd aanwezige metgezel is geworden. Voeg daaraan toe dat digitale controletechnologieën als personal data tracking en user profiling (het traceren van individueel internetgedrag om met behulp van algoritmen voorkeuren en verlangens in kaart te brengen) zich discreet toegang weten te verschaffen tot onze binnenwereld, dan wordt begrijpelijk dat het sturen en controleren van de burger als consument-klant steeds doelgerichter en dus effectiever wordt.

Een verontrustend voorbeeld hiervan is het internationaal opererende marketingbedrijf phd. Uit eigen onderzoek van deze firma zou blijken dat vrouwen zichzelf op maandagochtend het onzekerst voelen over hun lichaam en algehele voorkomen. En dus, legt het bedrijf op zijn website uit, is maandagochtend het moment om deze doelgroep aan te moedigen tot instant beauty/fashion fixes. Voor eigen gewin de intieme leefsfeer van een ander binnendringen en irrationele privé-gevoelens exploiteren: dat is niets anders dan een combinatie van digitale huisvredebreuk en emotionele chantage. Gezien de te behalen synergievoordelen tussen ‘subtiele’, op de persoon gerichte marketingstrategieën en geavanceerde digitale technologieën zullen dergelijke guerrillatactieken ongetwijfeld verder verfijnd worden en uitwaaieren over alle andere potentiële koopdoelgroepen.

Dat mentale manipulatie ter stimulering van koopgedrag geen vrijblijvende bezigheid is en diep kan ingrijpen in de sfeer van vertrouwelijkheid en integriteit bleek uit een opzienbarende reportage in The New York Times. De journalist Charles Duhigg deed daarin verslag van de wijze waarop de Amerikaanse discountketen Target zijn naam eer aandoet door zwangere vrouwen te ‘targeten’ via hun aankooppatronen. Het bedrijf identificeerde een lijst van producten die het in staat stelde een zwangerschapsvoorspelling te berekenen die vrij nauwkeurig de datum van bevalling kon inschatten. Daarmee kon de prijsvechter in ieder stadium van de zwangerschap met gerichte aanbiedingen komen. En zo kon het gebeuren dat op een goede dag een boze man verhaal kwam halen waarom hij kortingsbonnen voor rompertjes en wiegjes kreeg opgestuurd. Uiteraard hadden de gegevensanalisten van de marketingafdeling het bij het rechte eind. Zij onthulden een geheim waarin deze klant nog niet gekend was: zijn tienerdochter bleek zwanger. >

Wat deze en andere vormen van annexatie van particuliere leefwerelden gemeen hebben, is dat zij grotendeels in het teken staan van het mobiliseren van primaire impulsen om de consumptie aan te sporen, oftewel de reductie van het bestaan tot het niveau van driftmatige behoeftebevrediging. Is de mens daar eenmaal aanbeland, dan blijft hem weinig anders over dan een afgericht dier te zijn waarvan de voornaamste rijkdom bestaat uit zijn vermogen tot voortplanting. Iemand die volledig overgeleverd is aan manipulatieve, conditionerende krachten en die nog slechts zeggenschap heeft over zijn biologische reproductie: dat is de proletariër in optima forma, een woord dat zijn betekenis immers dankt aan het Latijnse proles, oftewel nakomelingschap. Ziehier de contouren van het nieuwe proletariaat.

Achter ieder linkje of icoontje schuilt de belofte dat dromen geen bedrog zijn en dat fantasieën bestaan bij de gratie van hun verwez­enlijking

Het maatschappelijk debat over de digitale samenleving beperkt zich echter veelal tot privacykwesties. Vanzelfsprekend is het een belangrijk onderwerp, maar zelden wordt het probleem van het privacyverlies in een bredere context geplaatst. Zodra het gaat over de implicaties van de digitalisering voor ons mens- en wereldbeeld komt men meestal niet veel verder dan de sleetse mededeling dat we in een netwerksamenleving leven waarin alles om informatie draait. En krijgt de nieuwe werkelijkheid wél een politiek gezicht, dan verschijnt ze in de gedaante van piratenpartijen: kritiekloze aanhangers van de waarden van het wereldwijde web, die de democratische rechtsstaat het liefst in een internetvrijstaat willen veranderen. Democratische tekorten zijn volgens hen het best op te lossen door de echte wereld te modelleren naar de wetten van de digitale wereld. De algemene neiging zich naadloos te voegen naar de logica van het digitale universum komt misschien nog het treffendst tot uitdrukking in de veelgehoorde dooddoener dat ‘digitale ontwikkelingen toch niet te stoppen’ zijn.

Medium virtueel ego vlag
***

Dat er nauwelijks bezwaar wordt geuit tegen de digitale mal die het leven meer en meer modelleert, is niet zo gek. En dat er nauwelijks een internetgebruiker te vinden is die zichzelf als proletariër ziet of die zijn verblijf in de virtuele ruimte als een ‘onttovering van de wereld’ ervaart, hoeft evenmin te verbazen. Wie het woord ‘virtueel’ in Van Dale opzoekt, krijgt meteen een aanwijzing waarom de sirenenzang van de virtuele nimf zo verleidelijk is: ‘Als mogelijkheid of vermogen aanwezig, in werkelijkheid of werkzaamheid kunnende treden.’ De lokroep van cyberspace is dat elke mogelijkheid er werkelijkheid kan worden. Achter ieder linkje of icoontje schuilt de belofte dat dromen geen bedrog zijn en dat fantasieën bestaan bij de gratie van hun verwezenlijking. In dit tot in het oneindige uitdijende universum ligt de waarheid voor het grijpen, is op elke vraag een antwoord te vinden, wacht de ware liefde, lonkt de virtuele vervulling van elke denkbare seksfantasie en is men slechts een muisklik verwijderd van eeuwige roem.

Wie de virtuele werkelijkheid binnenstapt, laat de weerbarstige wereld van de real life-feiten achter zich en betreedt een tijdloze realiteit waar fictie bewoonbaar is geworden. Het oxymoron virtual reality verwijst naar een postgeografische ruimte waar de beperkingen van ruimte en tijd zijn opgeheven, waar de wereld binnen muisklikbereik ligt en waar de mens zich laaft aan zijn nieuwe hoedanigheid als downloadsubject. Die subjectiviteit is speels, associatief, spontaan en experimenteel. Het hypermoderne ik leeft in een dimensie waar de wrijving tussen hemzelf en zijn omgeving is opgeheven. In cyberspace is de wereld geen afmattende werkplaats meer waar resultaten bevochten moeten worden, maar een speelveld waar men tegen resultaten aan loopt en ermee jongleert. Starre ideologieën hebben er plaatsgemaakt voor persoonsgebonden verhalen die continu in ontwikkeling zijn. In die verhalen staat niet het karakter centraal dat gedurende een leven veroverd moet worden, maar de leefstijlen die men zich gaandeweg en spelenderwijs aanmeet (en daar waar nodig weer aflegt).

Deze nieuwe netwerkwereld – immaterieel, grenzeloos en voor iedereen toegankelijk – staat in schril contrast met de oude industriewereld die materialistisch, hiërarchisch en slechts voor weinigen toegankelijk was. De virtuele machine legt op zijn beurt een ander levensritme op. De nieuwe cadans is vloeibaar, asymmetrisch en veeltonig. Het denken en handelen voegt zich hiernaar en komt in het teken te staan van speelsheid, mobiliteit en emotie. De producten die uit deze geest voortkomen zijn beeldend, hybride en persoonlijk. Dit proces van digitalisering zou ik willen karakteriseren als een spektakelstuk zonder begin of eind, waarin de virtuele enscenering van de wereld en het zelf centraal staat.

De vraag blijft evenwel: wie bepaalt de mise-en-scène van dit theaterstuk? Is dit een voorstelling die de acteurs improviserenderwijs zelf maken of vindt de productie elders plaats? Zoveel is zeker: Shakespeare’s ‘all the world’s a stage’ heeft meer zeggingskracht dan ooit. Of om de filosoof Jos de Mul te parafraseren: de onttovering van de ruimte gedurende het industriële tijdperk slaat nu om in een digitale herbetovering. Volgens De Mul is cyberspace overigens niet alleen een ontologische machine die allerlei mogelijke werelden en zijnswijzen produceert (‘assembleert’ is waarschijnlijk een beter woord), maar tevens een uitdrukking ‘van het verlangen van de eindige mens om zijn begrensdheid in ruimte en tijd te overschrijden’. Als dat zo is, dan beantwoordt ons virtuele onderkomen tevens aan een diepgewortelde menselijke behoefte ‘to boldly go where no man has gone before’, zoals het motto van de populaire sciencefictionserie Star Trek luidde.

Er is kortom weinig aanleiding te geloven dat de netwerkmens zich ongemakkelijk zou voelen in zijn virtuele technotoop – theater en oneindigheidsfantasie ineen. Wie zou er niet in deze heerlijke nieuwe wereld willen wonen? Allicht reageert men stekelig wanneer iemand wijst op de mogelijke keerzijden van overvloedig surf- en swipegedrag (‘azijnzeiker!’). Vanzelfsprekend roept een kritische benadering van de gadgetmens en zijn extensies vijandige reflexen op (‘cultuurpessimist!’). Zeurkousen die de feestvreugde verstoren maken zich immers zelden geliefd (‘zuurpruim!’).

‘In de huidige tijd, waarin ons nagenoeg alles ter beschikking staat, maar eigenlijk niets ons werkelijk raakt, wordt een diepe verveling manifest’

Maar een dergelijke lezing van het misnoegen waarmee feestverstoorders bejegend worden, schiet te kort. Ergens verraden de gepikeerde reacties van de cyberfeestgangers, waarvan de felheid mij meer dan eens verrast heeft, een onderhuidse overgevoeligheid, een sensitiviteit over iets wat wringt; misschien zelfs een latente gewetenswroeging. Dat schurende gevoel lijkt een uitweg te zoeken door techniekkritiek persoonlijk op te vatten en door niet de boodschap maar de boodschapper te desavoueren. Was het niet Sigmund Freud die het aanvallen van de boodschapper als een soort afweermechanisme opvatte voor wat schrijnend of ondraaglijk is? En interpreteerde hij deze ‘shoot the messenger’-reflex niet als een compensatie voor een gevoel van machteloosheid?

Het spreekwoord dat ‘kermisgaan een geseling waard is’, zou wel eens ter ondersteuning kunnen dienen van mijn vermoeden dat het gedigitaliseerde superego begint te knagen. Is het misschien zo dat de opofferingen die men zich getroost voor het virtuele vertier en comfort een zeker pijnlijk ongemak oproepen? Begint het de kermisklanten misschien te dagen dat ze in een digitale achtbaan zitten waar de wagentjes ‘vrijheid’ en ‘autonomie’ met hoge snelheid omhoog en omlaag roetsjen zonder dat iemand invloed heeft op de baan of de vaart ervan? Worden ze zich langzaam bewust van het feit dat ze ingeschreven staan in een script dat hen zowel beschrijft als, in voorkomende gevallen, afschrijft? Voor die indruk bestaat voldoende aanleiding Al was het maar omdat de aanzwellende internetkritiek het geweten op scherp zet en het ontvankelijk maakt voor ongerijmdheden. Bovendien, en om alvast wat op de zaken vooruit te lopen: de digitale dwangbuis is zelfverkozen, en juist dat maakt het zo vernederend.

Instinctief zal men de irritatie over deze zelfonderwerping afwentelen op diegene die de afhankelijkheidsrelatie te berde brengt. Een bekende vertaling van dit gevoel luidt als volgt: ‘Het zijn niet wapens die mensen doden, maar mensen die mensen doden’, een mantra vooral populair onder wapenlobbyisten in de Verenigde Staten. Dat is natuurlijk maar de halve waarheid, want wapentuig is in aanleg moordtuig. Ieder ding roept een specifiek gebruik op, heeft zijn eigen doelgerichtheid. Zo wordt de gebruiker van een hamer aangemoedigd om te hameren en de gebruiker van schiettuig aangemoedigd om te schieten. Elk object vraagt erom op een bepaalde wijze aangewend te worden en is dus allerminst een neutraal instrument. En wat voor wapens geldt, geldt even goed voor het instrumentarium dat ons verleidt tot gebruik van de digitale snelweg.

Aan de zogenoemde ‘instrumentele visie’ op de techniek ligt de (kantiaanse) overtuiging ten grondslag dat de mens tot het rijk der doelen behoort, en zijn techniek tot het rijk der middelen. Wie aan dit antropocentrische wereldbeeld begint te knagen, knaagt aan de waardigheid van het autonome subject zelf. Om zijn zorgvuldig geconstrueerde zelfbeeld te redden verbant het individu ontwrichtende berichten die zijn status-quo ondermijnen naar de randen van zijn bewustzijn (of het zet als de egel zijn stekels op). Verdringing noemt men een dergelijke overlevingsstrategie in de analytische psychologie.

***

Een interessant geval diende zich eind 2013 aan in het vpro-programma Tegenlicht. In een interview met hoofdredacteur Ben Hammersley van het maandblad Wired UK, een toonaangevend tijdschrift met als belangrijkste onderwerp de maatschappelijke impact van techniek, voltrok zich een opvallende sfeerwisseling. De hippieachtige Hammersley – blootsvoets en in kleermakerszit – maakte de kijker deelgenoot van de wijze waarop hij zijn geheugen uitbesteedde aan digitale instrumenten. Hij noemde zijn smartphone ‘mijn robotbrein’. Niet alleen nuttig om telefoonnummers te onthouden, maar ook belangrijk om de chronologie van zijn bestaan in op te slaan. Dit offloaden van mental tasks, zoals Hammersley het noemde, bleek geen overbodige luxe. Doordat hij zoveel reisde had hij naar eigen zeggen geen tijdlijn meer in zijn hoofd. Gelukkig beschikte hij nu over een keur van digitale diensten die hem hielpen bij het archiveren van zijn herinneringen.

Toen de interviewster vroeg of dergelijke veruitwendigingen hem ook dommer maakten, reageerde de tot dan toe gemoedelijke en ontspannen Hammersley als door een wesp gestoken. Met een geïrriteerde, bijna verbeten grimas riposteerde hij: ‘Nee, ik word helemaal niet dommer! Laat daar geen onduidelijkheid over bestaan.’ Waarna hij, nog steeds geagiteerd, benadrukte dat hij slechts het saaie werk van zijn herinnerings- en kenvermogen uitbesteedde aan een apparaat. De interviewster vroeg nog of hij zich er geen zorgen over maakte dat het memoreren van tien telefoonnummers voor velen buiten hun bereik is komen te liggen. Hammersley reageerde ongelovig. Het idee dat we daarmee iets zouden verliezen vond hij niet alleen bespottelijk, maar bovendien futiel in het licht van wat we allemaal te winnen hebben met de digitalisering van de werkelijkheid. Altijd en overal toegang tot alle informatie van de wereld, zonder geografische beperkingen aankopen kunnen doen, sms’en met vrienden, stratenplannen bekijken en spelletjes spelen, somde Hammersley op, onderwijl zijn smartphone triomfantelijk in de lucht houdend.

Er schuilt veel zeggingskracht in deze scène. Los van de verbale en nonverbale signalen die deden vermoeden dat er bij Hammersley een open zenuw was geraakt, gaf het gesprek ook een interessante inkijk in de logos van de digitale ziel. Zo stelde Hammersley dat hij slechts de boring bits van zijn denkkracht overdraagt aan een apparaat. Daarmee verwoordt hij kernachtig een centraal kenmerk van de digitale ‘vind ik leuk’-leefervaring: saaiheid is overbodig of, zo men wil, nutteloos. Maar wanneer saaiheid overbodig is, geldt hetzelfde voor de gesublimeerde vorm ervan: de verveling. Als we surfen op het wereldwijde web of scrollen langs de laatste tekstberichtjes op onze smartphones lost de verveling op in het tijdverdrijf en zal zij als een overbodig levensgevoel uit een analoog verleden worden ervaren. Het is van alle tijden dat mensen verstrooiing zoeken, maar de omnipresente architectuur van ons digitale onderkomen – interactief, dynamisch en alle zinnen mobiliserend – vergt het soort totale betrokkenheid dat geen ruimte lijkt te bieden aan een stemming als stierlijke verveeldheid.

Toch zou de schijn hier zomaar kunnen bedriegen. De filosoof Awee Prins verdedigt in zijn boek Uit verveling de tegendraadse stelling dat diepe verveling de onderdrukte grondstemming is van onze tijd: ‘Een onvermoed lot heeft de westerse wereld getroffen. In het huidige, technisch-wetenschappelijke tijdperk, waarin ons nagenoeg alles ter beschikking staat, maar eigenlijk niets ons nog werkelijk raakt, wordt een diepe verveling manifest.’

Met andere woorden: de verveling is ondergronds gegaan. Ze is zo diep en tegelijk zo alledaags geworden dat we haar nauwelijks nog herkennen. In plaats van een doorleefde ervaring, die ons confronteert met de onmogelijkheid de tijd weg te denken, zou het nu eerder ‘een onophoudelijk geeuwen zijn dat ons bevangt’. De schermwereld dompelt de schermmens onder in een onontkoombare, tijdloze en continue stroom opinies, beelden en aanmoedigingen tot consumptie en communicatie. Verstrooiing is als het ware een sedentaire levenservaring geworden; ze jaagt de verstrooide voort van gruwelbeeld naar fotofuck, van brekend nieuws naar nieuwsanalyse, van internetfittie naar vriendschapsverzoek en van longread naar Twitter-feed.

Maar in een wereld waar de grenzen tussen het zinvolle en zinledige vervagen, waar hoofd- en bijzaken voortdurend stuivertje wisselen, krijgt de onverschilligheid vrij spel. Werkelijk beklijven doen al die schermindrukken nauwelijks, ze laten de surfer in toenemende mate koud. Toch blijft hij zich, even gebiologeerd en rusteloos als onverschillig, vastklampen aan zijn schermwereld. Daarmee beantwoordt hij aan een archetype dat tot ver in de jaren tachtig het straatbeeld van de Amsterdamse Zeedijk bepaalde: de afgestompte gebruiker. Voor een uitdijende kaste van schermjunkies vermomt de verveling zich steeds vaker als verslaving.


Hans Schnitzler is filosoof en publicist. Dit essay is een voorpublicatie uit zijn boek Het digitale proletariaat dat op 5 maart verschijnt bij uitgeverij De Bezige Bij (€ 15,90). Op 11 maart vindt een boekpresentatie plaats in Pakhuis De Zwijger. Met commentaar van onder anderen filosoof Ad Verbrugge