Hoofdcommentaar

Het knallende succes van de VVD

Voor het eerst in de Nederlandse staatskundige geschiedenis is een vice-premier afgetreden zonder het coalitiekabinet in zijn val mee te slepen. Staatsrecht is, zoals wordt gezegd, inderdaad een verdraaid levend recht. Formaliteiten zijn vaak ondergeschikt aan opportuniteit.

De reden voor deze noviteit is eenvoudig. De nederlaag die de coalitie vorige week leed, was een extern ongeluk. Het lag aan de verraderlijke mastodonten van de PvdA die op de valreep afstand namen van hun eigen partijleider, aan de sociaal-democraten die zich (on)bewust opwierpen als spreekbuis van de regentenlobby in het land. De drie regeringspartijen lieten zich door deze oppositie niet in de luren leggen. Want zij zijn progressief en die anderen zijn conservatief. Weliswaar was vice-premier De Graaf door CDA en VVD met nagenoeg lege handen naar de Eerste Kamer gestuurd om daar artikel 131 definitief uit de grondwet te laten schrappen zonder dat hij precies kon zeggen wat er daarna zou gaan gebeuren. Maar een dag na de Matthäus Passion («Nu is de Heer tot rust gebracht/ Mijn Jezus rust zacht») sprak niemand daarover. Tussen kruisiging en opstanding werden de drie coalitiepartijen het eens over een vernieuwd regeerakkoord.

Het moet gek lopen willen de leden van D66 daar op hun extra congres op 2 april in Den Haag níet mee instemmen. Partijleider Boris Dittrich is in ieder geval trots op het aangepaste regeerakkoord. Hij is erin geslaagd extra geld door te sluizen naar onderwijs en wetenschap. «Hiermee rukt Nederland op naar de Europese voorhoede op het gebied van innovatie», aldus de slotclaus. Hij kan met staatssecretaris Van der Laan via de KRO, NCRV en Vara in Hilversum het CDA en de PvdA gaan treiteren met plannen voor een nieuw omroepbestel. En hij mag zich verheugen in een «brede agenda bestuurlijke vernieuwing». In de herkansing gaat hij een einde maken aan de «krabbenmand» en «leemlaag» rond het Binnenhof.

Vorige week woensdag leek Dittrich nog te worden geconfronteerd met een politieke variant van euthanasie, dat andere kroon juweel van D66. Wat moest hij doen: nu breken en gokken op het levenselixer van de kiezers die medelijden hebben, of lijmen en hopen dat de burgers dat straks in positieve zin onthouden? Hij koos de laatste variant. Een nieuwe partijgenoot op Binnenlandse Zaken gaat werkelijk alles onderzoeken wat een D66’er belangrijk hoort te vinden. Premier, kiesstelsel, referendum, zelfstandige bestuursorganen, grondwet, Eerste Kamer, ja zelfs de Raad van State en/of het Constitutioneel Hof: niets hoeft, alles mag. «Burgers krijgen toch een stukje macht», aldus Dittrich, al is onduidelijk of er de komende jaren een tweederde meerderheid opdoemt voor een grondwetswijziging die niets minder dan de rechtstreekse verkiezing van de burgemeesters mogelijk moet maken.

Fijn dat Dittrich tevreden is. Maar de VVD heeft pas echt reden tot vreugde. De oplossing heeft de VVD weinig gekost, omdat D66 het echte mes niet op tafel heeft gelegd. Voor een kleine miljard euro hebben de liberalen de partners een sigaar uit eigen doos geserveerd. De helft daarvan had vice-premier Zalm hoe dan ook gefourneerd, omdat partijgenoot Rutte al geld had geëist om de wassende studenten populatie in Nederland te kunnen onderhouden. De andere helft betaalt hij uit de aardgasbaten die door de stijgende olieprijs (nu ruim vijftig dollar per vat) minimaal anderhalf miljard hoger zijn uitgevallen. Bijna zevenhonderd miljoen was reeds gereserveerd voor het Fonds Economische Structuurversterking.

Natuurlijk, D66 is erin geslaagd daarvan tweederde binnen te praten voor kennis en innovatie. Maar over de besteding heeft ze weinig te zeggen omdat Dittrich de machtsverhoudingen in het kabinet niet heeft gekanteld. Hij heeft het echte ministerie van Binnenlandse Zaken, een heuse minister voor Media en het staatssecretariaat op Onderwijs niet opgeëist. Hij heeft niet getest of hij Remkes, toch al een zwart schaap in de VVD, beentje kon lichten. Van der Hoeven (CDA) en Rutte (VVD) kunnen de door D66 bevochten poen besteden en eventueel succes claimen. Dat is, sinds Paars, het noodlot van D66.

De VVD kan nu nog twee jaar vooruit. Die tijd heeft ze hard nodig. De VVD is momenteel de radicaalste hervormingspartij van Nederland. Ze is echter nog niet klaar met haar «grote projecten» en heeft nog minder belang bij tussentijdse verkiezingen dan het CDA. Terwijl minister De Geus nagenoeg klaar is met zijn kleine revolutie in de verzorgingsstaat – WAO en WW zijn rond, de versoepeling van het ontslagrecht is op een paar haren na gevild en aan de AOW durft hij zijn vingers niet te branden – zijn twee andere spending departments, nota bene in handen van de VVD, nog bezig met de hunne. Minister Hoogervorst (Volksgezondheid) moet voor 1 januari zijn nieuwe zorgstelsel in de markt hebben gezet, een gigantische operatie die zoals altijd in Nederland zal worden betaald door de lagere middengroepen die geen kant uit kunnen en dus lijdzaam moeten toezien dat hun zorgverzekeraar bepaalt welke medicijnen ze krijgen of wat voor verpleeghuis er beschikbaar is. En partijgenoot Dekker (Volkshuisvesting) mag dan wel een nederlaagje hebben geleden met haar plan de huursector te liberaliseren, ze heeft nu tenminste de kans om de adders onder het gras in leven te houden.

Ook de PvdA kan op tijd blijven spelen, zoals partijleider Bos al twee jaar doet. De omwenteling die Hoogervorst en Dekker in petto hebben, zouden hem wel eens gratis kiezers kunnen opleveren. Maar voor de VVD staat dat nou net niet op het spel. Het gaat haar om onomkeerbare hervormingen én de dertig vacante zetels van de Fortuyn-revolte. Succes is niet verzekerd. De VVD heeft niettemin meer tijd om de volksliberale stroming rond Wilders, die zich bij tussentijdse verkiezingen zou hebben genesteld, te ontmantelen door in die richting op te schuiven. De echte buit van een weekje crisis in Nederland is daarom voor de VVD.