Het kolenbrandersgeloof en de lafheid

Rachid Mimouni, De vloek. Uit het Frans vertaald door Peggy van der Leeuw en Jelle Noorman, uitg. Thoth, 223 blz., f32,50
Op 26 mei 1991 organiseert het Fis, het Islamitisch Heilsfront, in Algerije een algemene staking. Na geheime onderhandelingen met de regering komen de fundamentalisten terug op hun stakingsoproep in ruil voor politiebescherming voor hun aanhang, die op instigatie van de leiding de straat is opgegaan en de pleinen bezet houdt.

Niettemin komt het tot botsingen met de politie en de fundamentalisten bezetten een ziekenhuis om hun gewonden te kunnen verzorgen.
Rachid Mimouni (1945), hoogleraar ontwikkelingseconomie in Algiers en Franstalig romanschrijver, beschreef de gebeurtenissen van 1991 in zijn pamflet tegen de geloofsdictatuur, De bastaarden van de profeet. Een van Mimouni’s vrienden, gynaecoloog, trof in zijn werkkamer de portier aan, die zijn plaats bleek te hebben ingenomen. Gelukkig werd de volgende dag de staat van beleg afgekondigd. De gynaecoloog werd de hoofdpersoon in de zojuist vertaalde roman De vloek, waarin het oproer het middelpunt vormt van een verhaal dat vooral een aantal voor de recente geschiedenis van Algerije typerende personages lijkt te willen portretteren.
Hoofdpersoon Kader is het voorbeeld van een intellectueel die de verhoudingen doorziet maar wordt geleid door angst, al is hij minder laf dan de gemiddelde Algerijnse intellectueel zoals Mimouni die in zijn pamflet afschildert. Hoe verbitterd ook, Kader loopt niet weg: ‘We moeten op deze plaats, waar we zijn opgegroeid, de moeilijkheden het hoofd bieden, daar ontkomen we niet aan.’ Het standpunt dat Mimouni, ondanks dreigementen aan zijn adres, zelf ook inneemt.
De roman kent intellectuelen in soorten en maten. De een wenst om idealistische redenen na zijn rechtenstudie geen advocaat of rechter te worden; de ander wordt van de ene dag op de andere van een trotskist een geloofsijveraar. Datzelfde geloof biedt een analfabete chauffeur de mogelijkheid om de baas in het ziekenhuis te worden. 'Zij hebben een kolenbrandersgeloof terwijl wij een aristocratisch scepticisme cultiveren’ - zo verklaart een medicijnenstudent het overwicht van de fundamentalisten. Hij verklaart er ook zijn eigen lafheid mee.
Lafheid was ook in het genoemde essay een sleutelwoord. Aan de ene kant brengt Mimouni het fundamentalisme terug tot een verbastering van het oorspronkelijke geloof; aan de andere kant acht hij de laffe intellectuelen en schrijvers alsook dogmatische socialisten en degenen die zweren bij de democratie verantwoordelijk voor de kansen die het fundamentalisme heeft gekregen. Want dat profiteert vooral van frustratie en ressentiment. Socialistische Partij en fundamentalistische beweging spelen in de roman onder een hoedje.
De wortels van het kwaad (de Vloek) liggen al bij de bevrijdingsbeweging. Wie weet dat beter dan Si Morice, een van de hoofdpersonen, nu een excentrieke grijsaard, indertijd een held in het verzet - maar ook een van degenen die een medestrijder, de vader van Kader, ombrachten in opdracht van het bevrijdingsfront.
Mimouni haalt veel overhoop in zijn roman, met als gevolg dat veel alleen maar wordt genoemd, zoals ook de levenslopen van allerlei figuren worden afgeraffeld. Al moet gezegd dat de kronkels daarin niet aan rechtlijnigheid worden opgeofferd. Maar het is geen roman geworden; het verhaal hangt in flarden aan de genoemde politieke gebeurtenissen van 1991. De taal is die van een traktaat; wat dat betreft kunnen dialogen in een politieke roman als graadmeter dienen.
Een politieke roman kan blijkbaar niet zonder love story. Eerder schreef Mimouni Straf voor het leven, over een dictator. Helaas verdronk de satire daar in sentimentaliteit toen de man in de armen van een vrouw viel. In deze roman geeft een vrouw Kader de moed om de barbaren het hoofd te bieden. Een liefdesgeschiedenis die de roman bederft. De roman is interessant voor zover hij een aanvulling geeft op Mimouni’s sombere essay over Algerije, maar dat is geen compliment voor de literaire schrijver.