Het Koningslied: zoeken naar een toon die niet meer bestaat

We gaan het dus toch zingen, dat Koningslied. Het is interessant te zien wat er gebeurt als er ineens een nationale hymne moet komen. Je voelt de onwennigheid, de verlegenheid met dit genre in die hele lange lap van een tekst. Mij gaat het niet zozeer om de vraag of die nu geslaagd is of niet, maar wat er allemaal in bovenkomt en wat erin wordt weggedrukt.

Wat er het meest aan opvalt – Huub Oosterhuis zag het ook meteen – is de informele toon, de verregaande identificatie met de positie van de koning vlak voor het moment van kroning. De spreker kruipt helemaal in hem, verwoordt diens gedachten op dat moment:

Daar sta je dan

Je zag dit moment al zo vaak in je dromen

En daar is ‘t dan

De dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier

Ben je er klaar voor?

Kun je dat ooit echt zijn? (Retorische vraag: nee dus)

[…]

Iedere stap die je zette die leidde naar hier

En kijk om je heen

Wij lopen met je mee.

In die laatste regel komt 'het volk’ – de wij – te voorschijn. Het volk wordt weer meteen ‘ik’, de koning ‘je’:

Door de regen en de wind

Zal ik naast je blijven staan

Ik bescherm je tegen alles wat komt

Wij/ik beloven direct trouw. De relatie tussen vorst en volk blijft verbeeld als persoonlijk, iets tussen ‘ík’ en ‘jij’. De inhoud van deze strofe is een variatie op het aloude ‘voor God, Koningin en Vaderland’. Een plechtige gelofte die door veel Nederlanders zeker in het verleden is eerbiedig is uitgesproken, maar door de informaliteit van het ‘je’ is de eerbied er nu ineens af. De gelofte van onderdaan aan koning is gebleven:

Ik zal waken als jij slaapt

ik behoed je voor de storm

hou je veilig zo lang als ik leef.

Maar nu is het de toon van een liefdeslied. Tegelijk wordt de koning ook bijna een kind, dat eerst examen moet doen en daarna levenslang beschermd moet worden.

Tot nu toe is er gezongen door Marco Borsato, met Amsterdams accent (maar in het Piet Hein-lied luidde ook al ‘zijn daden benne groot’ dus volkse taal in een nationale hymne is niets nieuws). Daarop doen andere stemmen – onder anderen Ali B. – met Marokkaans accent een onvervalste rap. De nieuwe Nederlanders betuigen hun aanhankelijkheid en tonen tegelijk hun zelfrespect en gelijkwaardigheid – ‘Zij aan zij, borst vooruit’ – en laten ook zien dat ze alle inburgeringslessen over Nederland geleerd hebben met bijpassende heroïek –dijken bouwen met blote handen bijvoorbeeld; later leggen ze al rappend ook het land nog droog. Voor hen is de volgorde van prioriteit van waarvoor gevochten moet worden deze: jou (de koning) mijn kind, m'n pa, m'n ma. Dit is koningsgezind nederlanderschap in een nieuw allochtoon mannenjasje. Ik vind het wel een vondst om die raps in te vlechten. Ze demonstreren saamhorigheid en diversiteit – maar hier wordt deze wel weer verbonden met een ouderwets aandoend nationalisme.

En opnieuw (Borsato weer) volgen er beloften aan de koning:

Laat me weten wat je droomt

Waar je hart zo naar verlangt

Ik zal niet rusten tot het waar geworden is

Een variant op ‘uw wens is mijn bevel’: een verregaande bereidheid om ‘jou’ – de koning – in alles te dienen maar dan wel in de toon van het liefdeslied. Dan volgt de Willem-rap, en de herhaling van ‘Door de regen en de wind’ die muzikaal zo goed in het gehoor ligt, dat hij zeker roerende kwaliteiten heeft.

Ja, het is een potpourri en het zal moeilijk worden het lied aan te leren, zoals sommige burgers op YouTube al op hilarische wijze hebben gedemonstreerd. Maar boeiender vind ik het voelbare zoeken naar de juiste toon in dit lied en hoe moeilijk het is die te treffen. De ik-jij-modus is heel vreemd. In het Wilhelmus zijn we ook verplaatst in de gedachtenwereld van de vorst, maar dan zo dat hij steeds aan het woord is. Hij stelt zich voor. Wilhelmus van Nassouwe ben ik. Hij wordt zeker niet patroniserend over de bol geaaid, hij is degene die de beloften doet. Het Wilhelmus maakt een vorst van hem. Dit lied maakt echter van de nieuwe koning een kleine jongen. Dat komt doordat de verhouding tussen vorst en volk in de persoonlijke sfeer wordt getrokken, waar hij niet hoort.

De verhouding tussen koning en volk is bij uitstek een formele. De koning is een symbool en deze verhouding zo verregaand persoonlijk maken ontdoet hem van zijn rituele karakter. Dat past bij de huidige neiging om alle verhoudingen terug te brengen tot informele dimensies. We kennen geen andere verhoudingen meer dan persoonlijke, zo lijkt het. Is er een probleem met tekortschietende zorg in bejaardentehuizen? Doe maar een interview met de oude mevrouw Van der Steen. Groeit de obesitas? Laat die dikke ongelukkige jongen er maar over vertellen. Zo ontpolitiseert alles, wordt alles onzakelijk en daarmee onhelder. In sommige relaties – juridische, politieke – biedt afstand echter duidelijkheid. De koning is niet onze beste vriend, juist niet, hij is niets persoonlijks van ons. En daar bestaan geen woorden meer voor. Beatrix zal van de ‘jij en ik’-toon van dit lied gruwen. Zij begreep heel goed dat een Majesteit alleen maar kan bestaan dankzij de formele afstand. De aanspreektitel ‘Majesteit’ creëert de majesteit. En het is deze toon die in het lied ontbreekt omdat hij verloren is gegaan. Dat hangt misschien samen met het feit dat ook God vrijwel niet meer in in dit lied voorkomt – eigenlijk wordt die effectief buiten de deur gezet in de regel ‘Tot welke God je ook moge bidden’. God is ook persoonlijk geworden. De god-factor helpt enorm om de toon te treffen waarmee je een vorst inhuldigt. Denk aan het Engelse volkslied, ‘God Save our Gracious Queen’. Daarin spreekt het volk God aan en smeekt heil af voor de mooie koningin. Intussen wordt het wij-gevoel, via de koningin die van ons is, tot stand gebracht.

De koning zou misschien wel een symbool van saamhorigheid kunnen zijn – en de Willem-rap komt het dichtst bij dat idee. De W van Willem is de W van Wij, maar ook van Water, van Winnen, van Wakker, zijn identiteit wordt aan van alles uitgeleend omdat hij geen eigen identiteit heeft. Om te kunnen staan voor saamhorigheid moet de koning zo onpersoonlijk mogelijk zijn. Maar de rest van het lied conflicteert daarmee. De rest van het lied is een vreemde mix van negentiende-eeuws nationalisme, met een koning die anachronistisch wordt voorgesteld als een geliefde die in gevaar verkeert en ten koste van alles moet worden verdedigd. Dat blokkeert het bezingen van een saamhorigheid die op iets anders is gestoeld, op het gezamenlijke vaste voornemen om geen onrecht en geweld toe te staan, om elkaar te verdedigen, om iedereen een kans te geven bijvoorbeeld. Daar zou de koning best voor kunnen staan, de Willem-rap treft wel de toon die daarvoor nodig is. Maar de rest van het lied is ontstellend naïef. Het verglijden naar de toon van het liefdeslied markeert een talige een-dimensionaliteit. Er is nog maar een repertoire: jij en ik, ik hou van jou ik blijf je trouw. Dat past hier niet. Misschien demonstreert dit wel het einde van de monarchie: er is geen taal meer voor. De koning zoals hij hier gerepresenteerd wordt maakt de dingen waar we werkelijk voor moeten strijden bovendien onzichtbaar. Ik vond hem zelf heel wat volwassener: hij presenteerde zich in het recente televisie-interview als overtuigd dienaar van de democratie, als degene die de rol wil vervullen die het parlement van hem vraagt, wat die ook moge zijn. Hij lijkt bereid een formeel symbool te zijn en zich te laten vullen met de dingen die wij belangrijk vinden.