Het kruis van de leider

HOE KOMT HET dat mannen aan de top zich veelvuldig moeten vergrijpen aan lagergeplaatste vrouwen? Pasja’s hadden hun harem, vorsten hadden hun actrices en presidenten hebben hun stagiaires. Zegt dat alleen iets over machtsmisbruik in een mannenmaatschappij? Of zegt het ook iets over het politieke systeem in het algemeen, en zelfs iets over de gewone burgers, en hun onbewuste gevoelens, daarbinnen? Een oud Hindoestaans spreekwoord zegt immers: Zoals de koning is, is het volk.

Over Clinton, Kennedy en Trudeau ging al lang voor hun uitverkiezing het hardnekkige gerucht dat ze dwangmatige vreemdgangers waren. Merkwaardigerwijs deed dat hun populariteit niet dalen maar eerder toenemen, zowel bij mannelijke als bij vrouwelijke kiezers. Op een of andere manier versterkte het hun aura. Tenminste, zo lang het gerucht niet geheel eenduidig bevestigd was. De fantasie heeft immers ambiguïteit nodig.
Een psychoanalytische studie van Irvine Schiffer over de rol van charisma in onze massa- (en media-)maatschappij (goeddeels geschreven naar aanleiding van de escapades van Trudeau) identificeerde acht merktekens van charisma, maar noemde seksuele mystiek het belangrijkste. ‘De leider die een keurig beeld oproept van verantwoordelijkheid en volwassen aangepastheid op het gebied van seks, moet daarmee zijn aanspraak opgeven op charismatische sexyness’, zei Schiffer.
Omgekeerd: de leider die 'een kinderlijke verwarring uitstraalt over zijn eigen seksuele aandriften, wiens particuliere pekelzonden en sensuele misstappen laten zien dat hij als het ware met beide voeten stevig in de lucht staat, die leider heeft inderdaad een grote stap in de richting van charisma gemaakt’. Maar: hij moet niet alles prijsgeven, 'zoals een amateur stripteaseuse zonder haar G-string’. Want dan gaat het fout. Waarom?
HET WOORD CHARISMA betekent 'genade-gave’ en stamt uit de kerkgeschiedenis. Grondlegger Max Weber introduceerde het in de sociologie, als aanduiding voor een uitzonderlijke vorm van leiderschap: een die noch op traditionele overlevering noch op bureaucratische uitverkiezing was gebaseerd. Sindsdien gebruikt men de term vaak als aanduiding voor een bijzondere combinatie van persoonlijke eigenschappen die iemand 'uitstraling’ zou geven. In nieuwere studies is deze gedachte echter weer losgelaten.
Grondlegger Sigmund Freud verdiepte zich rond diezelfde tijd in de psychologie van charisma. Voor zover daarin sprake is van een bijzondere combinatie van persoonlijke eigenschappen, verwijst hij eerder naar iets als 'hubris’, het overmatige zelfvertrouwen dat de Griekse helden en goden kenmerkte (die er overigens vaak óók door ten val kwamen). Hij suggereerde als het ware dat bij identificatie een 'ego-overschot’ van de leider inhaakte op een 'ego-tekort’ van de volgelingen.
Dat is echter nog geen sluitende verklaring voor het opbloeien van een charismatische relatie tussen leiders en volgelingen, en voor de idealisering van de eerste door de laatsten. Een samenloop van allerlei andere omstandigheden moet immers ook ruimte voor dat opbloeien bieden. Maar het helpt wel begrijpen waarom charismatische leiders uiteindelijk zo vaak ontsporen. Hun benen kunnen de weelde niet dragen.
In de beginfase van hun loopbaan wordt hun hubris in toom gehouden door een zekere realiteitszin, één van de andere voorwaarden voor hun succes. Maar in een gevorderde fase van hun loopbaan wordt hun hubris verder gevoed door een omgeving die tegen ze opkijkt en ze naar de mond praat. Dit leidt als het ware tot een verdere zwelling van hun ego, en daarmee tot een ondermijning van hun vermogen tot kritische zelfevaluatie. Dit mondt niet alleen uit in ontsporingen, maar nog erger: in ontsporingen die niet verborgen kunnen worden gehouden.
DE DUITSE PSYCHIATER Ernst Kretschmer (die bekend werd door een verband tussen lichaamsbouw en persoonlijkheid te suggereren) stelde al dat persoonlijkheidsproblemen een vruchtbare voedingsbodem bieden voor politieke activiteit, vooral in crisissituaties. Hij zei: 'Het is vreemd gesteld met psychopaten. In normale tijden laten we ze door specialisten nakijken, (maar) in tijden van politieke onrust heersen ze over ons.’
Er is daarna een lange traditie ontstaan van psychologische analyse van de diepere onbewuste drijfveren van politieke leiders, vooral ook in de Verenigde Staten. Een van de eersten die uitvoerig onder het mes werd gelegd, was Woodrow Wilson, de president die de Verenigde Staten de Eerste Wereldoorlog binnenvoerde, en die de vredesbesprekingen en de oprichting van de Volkenbond vervolgens ernstig bemoeilijkte door stijfkoppigheid (die naar verluidt voortkwam uit zijn starre relatie met zijn vader).
Tijdens zijn langdurige ziekte werd het land in feite bestuurd door zijn vrouw en zijn arts, zonder dat zijn omgeving dat in de gaten had. Sigmund Freud schreef daarover samen met ex-ambassadeur William Bullitt een boek, dat pas lang na Wilsons dood gepubliceerd werd. Het was echter erg wrokkig en partijdig, is sindsdien terzijde geschoven en door een reeks betere studies achterhaald.
Onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog maakte de Amerikaanse propaganda-officier Harold Lasswell een rondreis door Europa, waarbij hij kennis maakte met de nieuwe opvattingen over de rol van 'onbewuste motieven’. Hij bestudeerde een reeks dossiers van psychiatrische patiënten die politiek actief geweest waren, en schreef daarover de klassieke studie Psychopathology and politics.
Daarin stelde hij de volgende formule voor: P = p> d> r>. De vishaak staat daarbij voor 'vertaalt zich in’. In woorden betekent het: het handelen van iemand die politiek actief is (P) komt voort uit privé-motieven (p), die naar het publieke domein verschoven worden, oftewel 'displaced’ (d), en die uiteindelijk in termen van het algemeen belang gerationaliseerd worden ®. Dat is natuurlijk een beetje simpel gesteld, maar wel het overwegen waard.
Lasswell werd de grondlegger van de Amerikaanse politieke wetenschap en met name de politieke psychologie. Sindsdien heeft de interdiscipline zich overigens veel verder ontwikkeld. Onder andere met intelligente en genuanceerde studies van Fred Greenstein over Personality and politics (1916, 1975), van James Barber over Presidential character en van William McKinley Runyan over Life histories and psychobiography (1984). De laatste jaren zijn er politieke psychobiografieën gemaakt van vrijwel alle naoorlogse presidenten.
Eén vraag is natuurlijk hoe het komt dat hoge leiders in grote landen vaak bij nader inzien nogal vreemd in elkaar blijken te zitten. Het meest voor de hand liggende antwoord is natuurlijk dat de weg naar de top zó lang en zó moeilijk is dat de winnaars per definitie enigszins machiavellistisch en monomaan moeten zijn. Die overmatige drive moet als het ware gevoed worden door een hang naar macht, een hang naar bewondering. Het is op zichzelf niet verbazingwekkend dat die overspannen veroveringsdrang vaak diep in de persoonlijkheid geworteld is, en ook seksuele aspecten heeft.
Een tweede vraag is natuurlijk hoe het komt dat de burgers zo iemand uitverkiezen. Mensen kunnen zich makkelijker identificeren met mensen dan met partijen en beginselen. Ze zullen zich bij voorkeur identificeren met mensen die een idealere versie van henzelf zouden kunnen zijn: iets zelfverzekerder, iets slimmer en iets knapper - maar verder toch niet ál te uitzonderlijk. Van de trits Clinton, Kennedy, Trudeau valt op dat ze ook iets betrekkelijk gewoons en gemiddelds over zich hebben.
Een derde vraag is welke rol organisatie en communicatie daarin spelen. Vroeger werd de kandidaat voor het hoogste ambt geselecteerd door de partijen en de apparaten: men moest bondgenootschappen weten te smeden en luidkeels grote vergaderingen kunnen toespreken. Tegenwoordig wordt men geselecteerd door de televisie en de opiniepeilingen: men moet aangenaam overkomen en juist rustig praten.
Het televisienieuws en de actualiteitenrubrieken gaan daarbij overigens steeds meer op andere formats lijken: op reclamespotjes, op videoclips, op sportwedstrijden, op roddelrubrieken, op soaps en speelfilm. De sociohistoricus Daniel Boorstin schreef het meer dan dertig jaar geleden al in een studie over het steeds belangrijker worden van the image in onze maatschappij: als het zo doorgaat, wordt er nog eens een filmster president. Met Reagan was het al zover.
De communicatiewetenschapper Joshua Meyrowitz schreef recentelijker, in zijn boek No sense of place, dat het oprukken van televisie alle schotten in de maatschappij weghaalt: tussen jong en oud, tussen laag en hoog, tussen privé en publiek. Dat leidt schijnbaar ook tot een onomkeerbare trivialisering van de politiek. Waarbij zelfs het wereldnieuws niet langer draait om de grote problemen van oorlog en vrede, van financiële crisis en economische onderontwikkeling, maar om de kamertjeszonden van de machtigste man ter wereld.