Het Migrantenmuseum

Het kunstgebit (Takma dis)

Velen hebben geprofiteerd van de migratie naar het polderland. Dat moge duidelijk zijn. Dankzij deze migratie zijn huizen met vele verdiepingen verrezen in armoedige stadjes van herkomst. De nieuwe generaties zijn dankzij deze migratie langer en gezonder geworden. In dertig, veertig jaar zagen we migrantenkinderen die drie, vier talen spraken. De ouders, de ooms, de tantes, de kreupele winkelier in het dorp, de neef met de lange vingers, de gek van het dorp. Ze hebben allemaal geld, kleren en nieuw onderdak gekregen. Voor de vader van de kapitaalkrachtige museumbezoeker een ijverige werker, voor mij de functie van directeurschap van het Migrantenmuseum en voor de staat extra belastinginkomsten. Ga zo maar door.
Maar als u mij vraagt wie nou het meest gelukkig is geworden van deze migratie van de jonge mannen, dan zeg ik dat het de oudere mevrouwen waren die in het laatste deel van hun levens een ‘extra tijd van lust en liefde’ cadeau hebben gekregen. De wakkeren onder deze mevrouwen grepen hun kans, de anderen lieten hun ziel rusten zonder een doelpuntje te scoren in deze extra tijd.
Bij het Migrantenmuseum zijn we wel degelijk op de hoogte van het bestaan van deze oma’s die hebben gegraaid naar de verboden vruchten en met een stiekeme glimlach op hun gezicht hun laatste adem hebben uitgeblazen. Daarom hebben we een plekje gereserveerd voor het kunstgebit. En wel het kunstgebit van oma Mien die voor de lekkere gastarbeider die ze kreeg dubbel en dwars heeft terugbetaald met haar kunstgebit.
De mens mag wel plannen maken, maar het leven zal op den duur de plannenmaker in het gezicht uitlachen. De ijverige gastarbeiders hunkerden naar vrouwenlichamen, droomden en fantaseerden over mooie, jonge vrouwen. Een enkeling kreeg de vrouw over wie hij droomde. Voor de meesten echter was het lot onvermurwbaar. Het duurde dan ook niet lang eer de jonge mannen de realiteit onder ogen zagen en tekenden voor een mevrouw die vele jaren ouder was, maar de jongens wel met veel liefde en genegenheid bejegende.
Het leven stroomde als een rustige rivier, de jongens kwamen aan hun trekken door toedoen van zeer ervaren handen, de mevrouwen dankten de samenloop van de omstandigheden voor de jongens die elk weekeinde op de bel drukten. Deze mooie, paradijselijke rust werd verstoord na de komst van die ene neef die boven genoemd werd. Deze neef met de lange vingers kwam namelijk ook naar Nederland. Zoals de rest van de jongens sliep hij bij een oma, genoot zoals hij nooit had genoten bij zijn overdreven preutse vrouw, controleerde toen of Mien wel sliep en toen hij er zeker van was dat oma zo moe was van de heerlijke vrijpartij ging hij naar de badkamer. Daar pakte hij het kunstgebit uit het glas met water en liet het in de binnenzak van zijn jas glijden.
Mien werd zo getroffen door deze gebeurtenis dat ze nooit meer een kunstgebit wilde hebben. Als ze naar buiten ging, liep ze met een dolk in haar rug. Niet lang na deze diefstal stierf Mien. De diefstal bracht een wending teweeg in de relatie tussen de oma’s en de jongens. Het werd nooit meer zo lekker als ervoor. De oma’s hadden niet echt zin meer. Ze gingen in ziekenhuizen liggen en lieten de gastarbeiders aan hun lot over.
Wat het kunstgebit van Mien betreft: het sierde het gezicht van de burgemeester van het dorp van de dief. Toen hij doodging gebruikte de vrouw van de burgemeester het. Bij haar paste het niet echt. Haar oudere broer nam het over. Die gooide het een keer met de etensresten naar de hond. Die beet er op, maar slikte het gelukkig niet door. Met de achttiende gebruiker reisde het kunstgebit mee naar de hoofdstad van het moederland. Daar kwam ik het kunstgebit op het spoor en eiste het op voor het Migrantenmuseum.
Mocht de neef met de lange vingers ooit naar het museum komen om het kunstgebit te bekijken, ik beloof u dat ik in het gezicht van deze dief zal spugen. ‘Hoe kon je het maken’, ga ik schreeuwen tegen hem. ‘Je hebt zoveel moois kapotgemaakt.’
Lieve Mien, rust in vrede, ooit krijg ik die hond wel te pakken.