Het kunstklasje

HET LIJSTJE GASTDOCENTEN is indrukwekkend. Het laat zich lezen als het ideale netwerk. Het zou een researchproject van een kunstenaar kunnen zijn die werkt met de complexe infrastructuren van de westerse kunstwereld. Bijna iedereen die je zou kunnen voordragen voor het geven van gastlessen blijkt al gerecruteerd. Van Marina Abramovic tot Remy Zaugg, van Wim Beeren tot Willem Velthoven, van Catherine David tot Rudi Fuchs.

Volgens Saskia Bos, directeur van De Appel, is een belangrijk onderdeel van het programma dan ook het delen van het netwerk: ‘In feite doen we de studenten ons netwerk cadeau. Dat doen we zonder enige terughoudendheid. Als een kunstenaar met wie wij een relatie onderhouden, onverwacht langskomt, dan worden de studenten gebeld om hem te ontmoeten. Wij geven jonge tentoonstellingsmakers een “encyclopedie” met kennis en contacten mee in hun rugzakje. Een unieke kans, vooral door de kwaliteit van de aangeboden contacten. We regelen niet zomaar de eerste de beste, maar de baas van belangrijke instellingen, die ook echt tijd voor ze vrijmaakt.’ Elk jaar zijn er zo'n zestig serieuze aanmeldingen. Voor de aanmelding zijn twee geschreven referenties, een uitgewerkt projectvoorstel en aantoonbare ervaring met het maken van tentoonstellingen vereist. Ook moeten de aspirant-curatoren het waarom van hun curator-ambities duidelijk kunnen maken. Meestal gaat het om afgestudeerde kunsthistorici met werkervaring als beginnend curator. Soms melden zich ook kunstacademiestudenten, die volgens Bos 'vaak veel radicaler zijn. Minder voorzichtig dan kunsthistorici, die door hun studie wat vaster zitten in hun opvattingen.’ Saskia Bos en Mathilde Heijns, coördinator van het cursusprogramma, maken een voorselectie van twaalf kandidaten. Op eigen risico komen de uitverkorenen naar Nederland voor een gesprek met de internationale jury. De helft valt onherroepelijk af. De teleurstelling is vaak erg groot, want motivatie en capaciteiten zijn niet altijd doorslaggevend. Bij de selectie wordt ook gekeken naar de samenstelling van de groep. Internationaal moet de samenstelling in balans zijn. De organisatie wil graag elk jaar andere landen vertegenwoordigd zien om het programma afwisselend en uitdagend te houden. Veel inspiratie voor de cursus en de uiteindelijke tentoonstelling wordt gehaald uit de culturele roots van de deelnemers zelf. DE VERHUIZING van De Appel naar de Nieuwe Spiegelstraat was een belangrijke aanzet om een masterclass voor curatoren op te zetten. Saskia Bos ervoer het steeds meer als een gemis dat een instelling met een lange staat van dienst als De Appel geen mogelijkheid had om - anders dan bij een museum met een collectie - de geschiedenis van het instituut, en de kennis en de ervaring door te geven. 'De ruimte is voor De Appel altijd een belangrijke aanleiding voor kunst geweest. We hebben veel aandacht besteed aan de ontwikkelingen op het gebied van kunst en ruimtelijke omgeving. Maar de ervaringen en opvattingen van al die tentoonstellingen zijn niet te collectioneren. Met boekjes kun je alleen tot op zekere hoogte iets vasthouden van wat er te zien is geweest.’ Jonge mensen leren wat een tentoonstelling inhoudt en hoe je een tentoonstelling maakt vanaf het allereerste begin was voor Bos een mogelijkheid de opgedane kennis en ervaringen, het 'archief’ van De Appel, te ontsluiten. Bovendien signaleerde Bos dat de theoretische, kunsthistorische achtergrond van curatoren niet aansloot op de praktijk van tentoonstellingen van hedendaagse kunst. Ook ex-cursisten in gesprek met he blad HTV/ De IJsberg (december 1998) wijzen op de onverschilligheid voor hedendaagse kunst aan de universiteiten en de soms onverholen afkeer als ze zich ermee inlaten. Claudine Hellweg (CTP 96/97) had een prof die onomwonden stelde: 'Wij zijn kunsthistorici. Die hedendaagse kunstenaars, daar hebben wij niets mee te maken.’ HET TOEGEPASTE model voor de cursus is ontwikkeld door Grenoble Magasins. Op die basis is De Appel-variant The Curatorial Training Programme ontstaan, met als doel: het dichten van de kloof tussen de praktijk van het tentoonstellingmaken en de theoretische achtergrond van een universitaire studie. De eerste drie maanden worden veel ontmoetingen en gesprekken met kunstenaars georganiseerd. Zo veel mogelijk verschillende opvattingen over kunst en de positie van het kunstenaarschap passeren de revue. Een lawine van informatie en opvattingen wordt in korte tijd over de cursisten uitgestort. Filosoof Henk Slager onderwijst de studenten in de filosofie van de kunst en engageert ieder jaar ook een gastfilosoof. Dit jaar was dat Gianni Vattimo. In een stoomcursus van een week leert curator Mark Kremer (die ooit zelf de Grenoble-variant doorliep) hoe je moet omgaan met teksten van en over kunstenaars. Saskia Bos geeft wekelijks presentaties over kunstenaars. Reizen, veel kunst en tentoonstellingen zien is een ander belangrijk onderdeel. Verder is het programma voor een groot deel op de actualiteit gericht. Dat voerde het klasje afgelopen jaar naar opvallend veel interessante tentoonstellingen in Zwitserland. Het jaar daarvoor was de opdracht het in kaart brengen van de gevarieerde kunst-infrastructuur in Rotterdam en de verschillen met Amsterdam. De studenten zelf mogen ook met voorstellen komen. De studenten krijgen het advies de eerste drie maanden niet te denken aan het eindproject, de tentoonstelling. Het hoeft ook niet per se een tentoonstelling te worden. De cursisten wordt gevraagd de actuele stand van zaken in de kunst te signaleren en te formuleren. Tot nu toe leidde dat elke keer tot een groepstentoonstelling, waarvan vooral Crapshoot (1996) nogal wat tumult veroorzaakte met een inbraak in de Bloom Gallery als omstreden kunststatement. Saskia Bos: 'Het uitgangspunt moet zijn jonge, interessante kunstenaars te tonen. Niet te veel vastzitten aan het concept. We willen een lijst van ze zien met niet één maar wel twintig thema’s.’ Tot nu toe heeft geen enkel jaar gekozen voor het maken van vijf eigen presentaties, een presentatie zonder onderling verband, of een solotentoonstelling. Bos: 'Een solo door vijf curatoren zou ook te dienstbaar aan de kunstenaar worden. Als ego kun je je dan niet meer profileren, ook niet ten opzichte van elkaar.’ Bos zou zelf een wat autonomere aanpak toejuichen, maar weet dat dit door pers en publiek vaak niet in dank wordt afgenomen. Los zand, is dan het verwijt. 'Het thema moet’, vindt ze, 'wel een handvat blijven en niet gaan overheersen.’ ANARCHITECTURE, de groepstentoonstelling van het klasje '98-'99 heeft de tentoonstellingsruimte zelf als thema gekozen. Bos: 'Voor de tentoonstelling is bijna uitsluitend nieuw werk gemaakt, dat betekent ook onvoorspelbaarheid en onvoorziene omstandigheden voor de curatoren. Denk maar aan de persberichtenkoorts. Je moet als het ware de huid verkopen voor de beer geschoten is.’ Het begrip Anarchitecture is afkomstig van Gordon Matta-Clark. Het was de naam van een door hem in 1973 opgerichte discussiegroep. Anja Dorn (CTP 98/99) vertelt dat de radicaal politieke en subversieve betekenis die Matta-Clark zelf aan de term gaf voor de studenten nu is vertaald naar een meer existentiële, cultuurfilosofische inhoud. 'De vrijheid om je te bewegen binnen structuren zonder je erdoor te laten beheersen. Het benadrukken van de individuele beleving.’ De kunstenaars werd gevraagd werk te maken dat een direct commentaar geeft op het gebouw zelf. Het resultaat oogt streng en organisch, maar biedt de bezoeker veel openingen om na te denken over het verschijnsel gebouw. Elk gebouw produceert zijn eigen specifieke trillingen door de unieke combinatie van materialen en maatverhoudingen. Mark Bain maakt die geluiden, normaal niet voor mensenoren waarneembaar, hoorbaar én voelbaar. Op last van de milieudienst (Mathilde Heijns: 'Je zag de muren bewegen’) mag een deel van zijn installatie op de eerste verdieping niet aangezet worden. Hendrik-Jan Hunneman, een jonge Rotterdamse kunstenaar, heeft door het hele gebouw heen imposante, rood-menie funderingsplaten gemonteerd. Op video vertelt Thoroddur Bjarnason, gezeten aan zijn keukentafeltje thuis of elegant neergevleid op bed, over zijn architecturale belevenissen in Amsterdam. Matti Braun speelt in zijn spiegelwerken met seventies-esthetiek, en Thomas Demands onwaarschijnlijk echt lijkende, gefilmde kartonnen maquette van een parkeergarage dringt met de typische bijbehorende tunnelgeluiden door tot de duistere essentie van een gebouw. De tractorband die dreigend op de tweede verdieping staat te wachten is van John Frankland en is - onder protest van de kunstenaar - voor de zekerheid vastgespijkerd. Italo Zuffi heeft een robuuste compressor met een zeer hoge luchtdruk neergezet, die op den duur misschien een gaatje in de muur boort. Het lattenwerk met roze panelen van het verlaagde plafond van Gert Robijns vormt samen met het geluid van een mug en de geur van citronella een subtieler commentaar op de omgeving. De Italiaanse Stefania Galegati laat je door een steeds kleiner gangetje lopen en confronteert je met de werking van ruimtelijkheid op je omgeving. Martin Boyce baseert zijn driewandige tegeltableau met diagonale perspectiefwerking op een leader van een oude Hitchcock-film. Midden in de ruimte kun je de tekst letterlijk ervaren door over je schouder te kijken: 'OVER YOUR SHOULDER’. In dezelfde ruimte hebben Jacobi/Petersen, gespecialiseerd in 'sociale constructies’ in en rond tentoonstellingen, een houten ombouw getimmerd die als tafel, bank, of catwalk kan fungeren. 'OVER YOUR SHOULDER’ voert je onwillekeurig terug naar de cursus zelf. Wat beweegt iemand curator te willen worden? Curator betekent in het Nederlands eigenlijk vooral beheerder of toezichthouder. Nog minder aantrekkelijk klinkt de voor de hand liggende associatie met iemand onder curatele stellen, oftewel iemand het vrije beheer van zijn zaken ontnemen. Als je 'iemand’ vervangt door 'een kunstenaar’,is het spanningsveld tussen curator en kunstenaar meteen duidelijk. MAAR IN DE getroubleerde verhoudingen tussen curatoren en kunstenaars gelooft Bos niet zo. 'Het is maar wat je als kunstenaar verwacht van een curator.’ Volgens Heijns is 'een open mentaliteit een belangrijke eigenschap voor een curator. Kunstenaar en curator moeten sparringpartners zijn. Elkaar stimuleren en proberen samen het beste resultaat te bereiken.’ Bos: 'Goed contact is onontbeerlijk, want alleen zo kun je de kunstenaar bijvoorbeeld overtuigen van de noodzaak van een goedkopere uitvoering of een aangepast idee. Toch weer communicatie! De meeste studenten zijn sterke persoonlijkheden, maar het is opvallend dat slechts weinigen goed weten om te gaan met de kunstenaar als individu. Dat kunnen we ze ook niet leren. Dat heb je of dat heb je niet.’ De benaming 'tentoonstellingsmaker’ heeft een sympathiekere klank en geeft misschien beter aan dat het om een vak gaat. Want volgens Bos is het een vak dat valt te leren, als je tenminste de juiste kwaliteiten in huis hebt én 'als je in staat bent een baan te vinden’. De Appel schrijft de nodige aanbevelingsbrieven om de studenten na de cursus aan een baan te helpen. Bos: 'Er bestaat geen definitie van een “goede” curator; het gaat om zeer verschillende talenten voor wisselende doeleinden. Sommige tentoonstellingsmakers zijn organisatorisch heel goed, maar blijken in sociaal opzicht geen succes. Anderen hebben weer een goede neus voor interessante, nieuwe kunstenaars. Tijdens het maken van een tentoonstelling komt het ook aan op praktische en sociale vaardigheden. Budgettering, sponsoring, het onderhouden van je netwerk. Creativiteit. Handigheid, teamgeest, flexibel zijn. Maar ook intellectueel en verbaal je mannetje staan. En bereid zijn om die vaardigheden en kennis op peil te houden en te ontwikkelen. Deze training geeft praktijkervaring die je niet zomaar ergens anders kunt opdoen: de nervositeit bijvoorbeeld van een echte, door jezelf gemaakte tentoonstelling. Daarna weet je of je wel of niet wilt doorgaan in dit vak. Natuurlijk heeft het vak ook cynische kanten en daar moet je ook mee leren omgaan: je hebt nu eenmaal de verplichting om telkens nieuwe, andere mensen te tonen, nieuwe dingen te doen. Een houding van: “Okay, who’s next.” Je kunt je dan soms heel erg trouweloos gaan voelen.’ De verwachting vooraf dat de cursus de lacunes in kennis en praktijkervaring opvult, zijn volgens ex-cursisten Martijn Verhoeven (CTP 97/98), Anja Dorn (CTP 98/99) en Suzanne van de Ven (CTP 98/99) waargemaakt. Voor Verhoeven was het gebrek aan relevante kennis over moderne kunst, ondanks een voltooide kunsthistorische studie, een belangrijke motivatie om zich aan te melden. Hij hoopte dat de cursus een brug kon slaan tussen theorie en praktijk. 'Je ontmoet in korte tijd veel mensen die er ook echt voor jou zijn. Praktijkmensen en theoretici. Een luxe die je je pas goed realiseert als het na de cursus meteen veel minder vanzelfsprekend is om diezelfde mensen te spreken te krijgen. Maar de gesprekken met de groep waren voor mij het zinvolst. Waar anders kun je, móet je elke dag zo intensief praten en denken over kunst? De verschillende achtergronden en standpunten van de anderen en de intensiteit van de cursus geven je zeven maanden lang de kans uitsluitend en diepgaand met kunst bezig te zijn. De tentoonstelling is het zichtbare resultaat, maar eigenlijk is wat je niet te zien krijgt, de “onzichtbare” cursus, veel belangrijker.’ VERHOEVENS ERVARING sluit goed aan bij die van de Belgische curator Barbara Vanderlinden, die vindt dat de discussie over hedendaage kunst te ad hoc, te populistisch en zonder veel historisch besef wordt gevoerd. En dan ook nog vooral in de media. 'De publieke discussie is beperkt en oppervlakkig. Ik constateer een groot gebrek aan reflectie. Als zo'n opleiding kan voorzien in een geconcentreerde, besloten discussie, dan vind ik dat heel zinvol. Er is te weinig geheugen en er wordt te eenzijdig bericht over tentoonstellingen. Er is nauwelijks aandacht voor waar het echt om gaat: wat is een beeldende-kunsttentoonstelling? Waar situeer je die? En hoe verhouden de complexe ontwikkelingen zich tot de geschiedenis van het tentoonstellen?’ De Appel-cursus beïnvloedt ook de programmering en het beleid van het instituut De Appel. De aanstekelijke dynamiek en het enthousiasme van onbevangen, gretige studenten worden in huis gehaald en met het excuus van een interessant cursusprogramma worden op een leuke manier de bestaande contacten, soms ook met ex-studenten, onderhouden en nieuwe gelegd. De ex-studenten kunnen ook fungeren als ambassadeurs voor Nederlandse kunst. Adam Szymcsyk (CTP 95/96) heeft bijvoorbeeld een tentoonstelling in Warschau gemaakt met Job Koelewijn, Twan Janssen en Marijke van Warmerdam. Het klasje aan huis dwingt De Appel om als instituut telkens opnieuw de eigen motivatie te formuleren en aan te passen aan de nieuwe ontwikkelingen die door de cursus worden aangevoerd. Bijna verbaasd over zichzelf vertelt Bos hoe de vanzelfsprekende overtuiging van vroeger om als directeur-curator als enige het beleid te bepalen en het programma samen te stellen, is verdwenen. 'Tegenwoordig durf ik er ook op te vertrouwen dat anderen een deel van het programma inhoudelijk bepalen. Dat hoeft in deze tijd niet meer te betekenen dat je grip verliest of dat de identiteit van De Appel in het geding is. Ik vind het nu zelfs interessant en relevant om bijvoorbeeld een buitenstaander als de Chinees Hou Hanru in de tentoonstelling Unlimited.nl 2 naar Nederland te laten kijken.’