Hoofdcommentaar

Het kunstland

KOEN KLEIJN BEELD MILO
Het culturele seizoen begint traditioneel met een rondje drama. Met groot gevoel voor timing maakte het Fonds voor de Podiumkunsten een week geleden zijn beschikkingen bekend inzake de verlening van subsidies voor de komende vier jaar. Dat Fonds is sinds kort zelfstandig; tegen de beschikkingen, die moeten leiden tot een ‘herstructurering van het podiumkunstenlandschap’, is geen inhoudelijk beroep mogelijk. De minister zal ze overnemen.
Die herstructurering komt neer op een ongewoon harde ingreep, her en der al vergeleken met het rücksichtslos omhakken van grote oude eiken – Willem Breuker, Reinbert de Leeuw, Theu Boermans, Ton Koopman, Ton Simons, De Volharding – ten gunste van nauwelijks bekende frisse nieuwkomers, waaronder zelfs een gezelschap dat van de Antillen komt, wie had dat gedacht. Het helpt daarbij niet dat de voorzitter van het Fonds zo dom was om in de pers meewarig commentaar te geven op de ‘verbleekte ster’ van deze of gene teleurgestelde, en het was ook niet fijn dat minister Plasterk in Zomergasten terloops opmerkte dat er in de kunsten ‘altijd wel wat te zeuren valt’. Het gaat hier immers om de artistieke ambities van vele duizenden mensen en om hun broodwinning.
De getroffenen zijn dus woedend: de herstructurering zou leiden tot ‘contra-innovatief en sedentair cultuurprovincialisme’, er zou sprake zijn van ‘een oorlogsverklaring aan de nieuwe muziek’, de beschikkers vertonen ‘regentesk gedrag’ en vormen ‘een maoïstisch executiepeloton’. Natuurlijk vinden alle getroffenen dat het Fonds zijn kwaliteitscriteria niet duidelijk kan maken en dat het zich niet aan zijn eigen beleidsuitgangspunten heeft gehouden. Die uitgangspunten (‘diversiteit/ verscheidenheid, geografische spreiding, de keten scheppen-produceren-programmeren en publieksontwikkeling, diversiteit van publieksbereik en publieksontwikkeling en cultureel ondernemerschap en bedrijfsvoering’) fourneren vooral stokken om honden mee te slaan. En natuurlijk ontwaren de protesterenden achter het front van de beschikkers een bastion van ambtenarij, de natuurlijke vijand van de kunstenaar.
Wat te doen, behalve schuimbekken en naar de rechter stappen? Reinbert de Leeuw, wiens Asko/Schönberg-ensemble met een kwart wordt gekort, stelt voor: ‘De politiek moet ingrijpen en de democratische controle over het zelfstandige Fonds terugkrijgen.’
Dat is een ondoordacht voorstel. Vóór de introductie van de huidige structuur leidden de subsidieaanbevelingen tot gênante taferelen in de Tweede Kamer, waarbij partijen en partijtjes hun lokale
museum, lokale fanfare of balletgezelschap alsnog van fondsen wilden voorzien. Daarbij werd koehandel gepleegd die niets met kwaliteit te maken had. Dat soort ‘democratische controle’ is nóg grilliger dan de structuur zoals die nu is.
De vierjarige subsidiecyclus heeft zijn nadelen, maar het is het minst slechte systeem. In de geest van Thorbecke’s adagium over de rol van de overheid in de financiering van de kunsten wordt het beschikbare geld verdeeld aan de hand van peer review: mensen uit het veld oordelen over andere mensen uit het veld, en de regering neemt hun advies over. Dat heeft in potentie allerlei kwalijke kanten – vriendjespolitiek, om te beginnen – maar het is au fond de zuiverste manier om een professioneel oordeel over de kwaliteit van de aanvrager te kunnen vellen. Een alternatief is dat zulke beschikkingscommissies door niet-kunstenaars worden bezet, door de Winnie Sorgdragers en Roger van Boxtels van deze wereld. Een ander: dat de minister ’t zelf allemaal bepaalt. Dát zijn pas echt regenteske toestanden.
Nu staat dat fair-maar-harde systeem op twee manieren onder druk. Ten eerste bemoeit de overheid zich in toenemende mate met de criteria. De instellingen (theatergezelschappen, orkesten, musea) moeten bijvoorbeeld de boer op om ‘nieuw publiek’ binnen te halen, waarmee doorgaans de lamlendige jeugd en de onzichtbare allochtoon wordt bedoeld. Inhoudelijke expertise en artistieke diepgang worden vervolgens geofferd voor krampachtige marketingexercities en vruchteloze concurrentie met andere gesubsidieerde instellingen. Die ideologische bedilzucht, aangewakkerd door de politieke conjunctuur, is vragen om moeilijkheden. De politisering van de kunsten dwingt instellingen dingen te doen waarvoor ze niet zijn opgericht. Ze leiden tot verambtelijking van de aanvraag (alle ideologische vakjes moeten afgevinkt) en ze geven daarmee de beschikkers niet-kwaliteitsgebonden criteria voor afwijzing.
De tweede olifant in de kamer is de oververhitting van de cultuurmarkt. Er zijn te veel musea, te veel conservatoria, te veel toneelscholen, en dan is er nog een baaierd van half-watt-opleidingen in media, video, cultuurwetenschap, scenarioschrijven, enzovoort. Dit zorgt voor een onevenredig hoge druk rond de trog, en voor de beheerder van de pot wordt een afweging over rechtvaardige ‘doorstroming’ in het subsidiegebouw lastiger en lastiger.
Verhoging van het budget zou dan ook vooral olie op het vuur gooien als dat werd bestemd voor verdere verbreding van het aanbod. Meer toneelgezelschappen, meer podia, meer regionale musea voor moderne kunst, meer symfonieorkesten zijn in Nederland niet werkelijk nodig. Als de overheid de kunstbegroting zou verhogen, dan zou dat ten goede moeten komen aan kwaliteit: dan zouden de salarissen van de leden van het Concertgebouworkest kunnen worden opgetrokken naar internationaal niveau. Dan zouden het Stedelijk Museum Amsterdam en het Rijksmuseum de gelegenheid kunnen krijgen uit te groeien tot musea van werkelijk internationale klasse. Dan zou het Muziekgebouw aan het IJ een behoorlijke programmeringskas kunnen krijgen, enzovoort. Die keuzes voor kwaliteit moeten worden gemaakt door professionals, niet door opportunistische politici.