Het Migrantenmuseum

Het kussen

In de lange, eenzame nachten wachtte het kussen als een jonge geliefde op de komst van de gastarbeider. Het was alsof het kussen kon horen dat de sleutel in het sleutelgat ging en aan het slot draaide. Want precies op dat moment – vaak tegen vijf uur in de ochtend – liet het kussen een veertje opveren uit het midden van zijn hart. Als de gastarbeider zonder zijn kleren uit te trekken zijn hoofd op het kussen legde om de vermoeidheid van de zaterdagseks uit te slapen, kwam ook het kussen tot rust.
Een raar kussen. Eentje dat men in het werelddeel waar de gastarbeider de laatste tien jaar van zijn leven vertoefde niet had gezien. De hoes van het kussen was aan beide uiteinden geborduurd met afbeeldingen van twee vogels met roosjes eromheen. Ook de vorm was eigenaardig. Het ding leek meer op een dikke slang dan op een kussen. Het was zo lang dat er wel drie hoofden op konden rusten. Een kussen dus dat gemaakt was voor collectief gebruik.
De gastarbeider was nog jonger toen hij in het huwelijk was getreden. Alle gasten op zijn bruiloft in het dorp spraken dezelfde wens uit die dag. Ze zeiden: ‘Moge God jullie op hetzelfde kussen oud laten worden.’
Niet lang na het huwelijk pakte de gastarbeider zijn spullen om westwaarts te trekken. Het enige dat hij van zijn verse bruid meekreeg voor de reis was het kussen dat ze zelf had geborduurd. Ze rekende op eeuwige trouw. Hoe kon hij het met anderen doen als hij hun eigen kussen in de ogen keek? En stel dat hij het kussen niet in de ogen keek, dan nog zou het gezang van de nachtegalen op het kussen – die de hele tijd niets anders doen dan zingen vanwege hun liefde voor de rozen – als een mes in het hart snijden van degene die aan ontrouw dacht.
Ik vraag de bezoekers van het Migrantenmuseum om vergeving als ik het verkeerd heb, maar het moet in de tweede maand van 1970 zijn geweest dat de gastarbeider een vrouw uitkleedde, haar lippen en haar borsten kuste, ze samen onder de wol kropen en het haar van de vrouw het gezichtsveld van de nachtegalen versperde. Het kussen kende de geur van het zwarte haar van de man, maar de donkerblonde haren… Omdat het kussen dier noch mens is en dus niet kan huilen, liet het wel vier veren tegelijkertijd opvliegen. ‘Wat een raar kussen’, zei de vrouw nog toen ze in slaap wilde dommelen. Ieder hoorde toch een eigen kussen te hebben. Zij wilde geen lang kussen dat ze de hele nacht moest delen met de gastarbeider en had geen goede nachtrust.
Soms overnachtte de gastarbeider op zaterdagnachten elders en liet het kussen met een lijdend hart achter. En af en toe bracht hij vrouwen mee naar zijn kamer die hun hoofd op het kussen legden. Het kussen kon veel aan, maar het waren de nachtegalen die zo stil mogelijk zongen: ‘Mocht ik ooit aan een andere roos ruiken, mocht ik ooit een ander liefhebben, dood mij in dat geval, maak een einde aan mijn leven…’
Toen de bruid uiteindelijk herenigd werd met haar man, zich verheugde op de voortzetting van het uitgestelde geluk en de eerste stappen zette in hun nieuwe huis, zag ze hun kussen. En natuurlijk wist ze het meteen. Het kussen liet op dat moment vijftien veren uit zijn hart opvliegen en hoefde hierna niets meer te zeggen. De vrouw zag ook dat de nachtegalen die ze zelf had geborduurd niet meer zongen en dat de rozen verbleekt waren.
Het kussen heeft ze in een kast weggestopt om het jaren later aan het Migrantenmuseum te schenken. Maar voordat ze dat deed, zeurde ze haar man het graf in. Toen de man dood was en de vrouw tot rust was gekomen, liet ze haar tranen rollen. Niet om hem, maar om het feit dat ze het mooiste kussen had gemaakt voor de wens ‘moge God jullie op hetzelfde kussen oud laten worden’ en haar moeite voor niets was geweest.
Tot slot, mannelijke bezoekers van het Migrantenmuseum, moge God jullie behoeden voor het gezeur van vrouwen die lijden onder jullie bedrog.