Het kwaad de schaduw van auschwitz en nanking

Ian Buruma, Het loon van de schuld. Vertaald door Tinke Davids, uitgeverij Atlas, 320 blz., f45,-
De sinoloog en schrijver Ian Buruma is erudiet, kosmopoliet in hart en nieren en hij kan boeiend schrijven. Zijn boek De spiegel van de zonnegodin uit 1984 geldt als de beste studie van de Japanse cultuur van de afgelopen decennia en zijn artikelen sieren de Far Eastern Economic Review en de New York Review of Books.

In zijn Van der Leeuw-lezing analyseerde hij vorig jaar haarscherp de waan van de dag, die hem volledig vreemd is: het krampachtig zoeken naar een nationale identiteit. Zodra dit overgaat in een politiek streven, eindigt het in tirannie en bloedvergieten, aldus Buruma. Hij heeft de littekens van honderd jaar nationale verdwazing dan ook van dichtbij kunnen bestuderen.
Buruma bracht een groot deel van de jaren zeventig en tachtig door in Japan en raakte gefascineerd door de manier waarop Japanners de Tweede Wereldoorlog zagen. Als Nederlander was hij in de jaren vijftig opgevoed in het mythische standpunt dat alle Duitsers fout waren geweest en alle Nederlanders in het verzet hadden gezeten. Het viel hem moeilijk om zich te verplaatsen in het standpunt van de Japanse generatie van (voormalige) keizervereerders en oorlogsmisdadigers die na de oorlog aan de macht waren gebleven. Het contrast met de naoorlogse democratisering en vernieuwing in Duitsland kon nauwelijks groter zijn. De vergelijking drong zich om nog een andere reden op: ‘Sinds het einde van de negentiende eeuw had Japan vaak Duitsland als voorbeeld gekozen. Het merkwaardige was dat veel van de dingen waardoor Japanners voor de oorlog tot Duitsland werden aangetrokken - Pruisische discipline, nationale mystiek, de pseudo-wetenschappelijke rassenleer - in Japan waren blijven voortleven.’
In Het loon van de schuld werkt Buruma deze vergelijking verder uit. Het boek is een rondgang langs Japanse en Duitse musea, steden en monumenten, en tegelijk langs de geestelijke gedenktekens in literatuur, beeldende kunst en film. Aan de hand daarvan belicht hij de uiteenlopende manier van herdenken en verwerken van het oorlogsverleden in beide landen. Hij staat uitvoerig stil bij de Japanse tegenhanger van Auschwitz, het bloedbad van Nanking. In de laatste weken van 1937 richtte het Japanse Kwantoeng-leger in deze stad een orgie van geweld aan, waarbij tienduizenden, wellicht honderdduizenden Chinese burgers (de kwestie van de aantallen is nooit opgehelderd) werden verkracht en vermoord. Volgens Buruma gaat de vergelijking met Auschwitz echter mank: 'Hoewel het optreden van de Japanse troepen vaak barbaars was, en hoewel de psychologische gevolgen van Sjinto als staatsreligie en de keizercultus vaak even hysterisch waren als die van het nazisme, maakten de Japanse wreedheden deel uit van een militaire veldtocht - het was geen vooropgezette genocide op een volk waartoe ook eigen staatsburgers behoorden.’
De naoorlogse perceptie dat Duitsers en Japanners gevaarlijke volken zijn omdat hun nationale karakter tekortschiet, vindt in Japan (anders dan in Duitsland) om die reden weinig weerklank. 'Japanners associeren misdrijven tegen de mensheid niet met een equivalent van de holocaust, maar met militaire excessen die in elke oorlog voorkomen. En gezien de schok van Hiroshima en Nagasaki vonden de Japanners het gemakkelijker zich in het geval van oorlogsmisdrijven om te draaien en “kijk naar jezelf” te zeggen.’ Zo kan het gebeuren dat in Hiroshima een Hiroshima/Auschwitz Comite is gevestigd en dat een Japanse roman de Japanners en de joden als gezamenlijke slachtoffers van het 'blanke racisme’ aanwijst. Buruma bijt zich niet vast in het aperte schandaal van zulke vergelijkingen. Hij graaft dieper en ontdekt het eigenlijke element dat Auschwitz en Hiroshima verbindt: ze zijn allebei symbolen van een absoluut kwaad, dat boven de geschiedenis wordt uitgetild en - tot geruststelling van menigeen - aan iedere verklaring wordt onttrokken. In Duitsland was Auschwitz lange tijd zo taboe dat elke verstandige bespreking ervan onmogelijk was - getuige bijvoorbeeld de commotie rond de herdenkingstoespraak van Bondsdagvoorzitter Philipp Jenninger in 1988. Zelfs Heinrich Boll voerde in Biljarten om halftien de nazi’s op als 'buffeleters’ en hun slachtoffers als 'lammeren’.
Buruma noemt dit een 'quasi-religieus’ standpunt: 'De aarzeling in de Duitse literatuur om Auschwitz recht in het gezicht te zien, de vrijwel algemene weigering om zich - buiten heiligdom, museum of school - met de Endlosung bezig te houden, doet denken dat men bang is heiligschennis te begaan. Het is alsof de anus mundi het aangezicht Gods is, alsof elke poging om een beeld te geven van het onvoorstelbare of onuitsprekelijke, het heilige karakter daarvan zou trivialiseren.’ Het is jammer dat Buruma hier geen verband legt met het naoorlogse antisemitisme in Duitsland zoals Henryk Broder dat doet in Der ewige Antisemit, waar hij tot de paradoxale conclusie komt dat de Duitsers de joden Auschwitz nooit zullen vergeven; de schuld is eenvoudig te groot.
Tegenover de moeizame verwerking van de schuld in West-Duitsland stond de erbarmelijke geschiedvervalsing in de DDR. 'Volgens het dogma van de communisten is er eigenlijk geen oorlog tegen de joden geweest. De Tweede Wereldoorlog was een klassenstrijd geweest, gevoerd door fascisten en plutocraten, tegen het Volk.’ Buruma analyseert zorgvuldig de Oostduitse mythevorming rond Buchenwald, dat door de Amerikanen is bevrijd en niet (zoals de mythe wil) door een opstand van communistische gevangenen. Het kamp is nota bene na de oorlog door de Russen gebruikt om er niet alleen ex-nazi’s maar ook oud-verzetsstrijders en andere democraten op te sluiten en te vermoorden. Ook in Hiroshima wordt fanatiek het standpunt van de 'verkeerde’ slachtoffers bewaakt. 'Daardoor kunnen Japanners twee wegen tegelijk bewandelen: een nationale weg, als unieke slachtoffers van de A-bom, en een universele weg, als apostelen van de geest van Hiroshima.’ Opnieuw een quasi-religieus standpunt dat de schuldvraag ontwijkt.
Dwars door Buruma’s beschrijving van deze uitvluchten loopt de rode draad van de echte verklaring van de gruwelen die zich in de laatste oorlog hebben voltrokken. Hij maakt korte metten met elke verklaring die culturele verschillen of nationale karaktertrekken vooropstelt: 'Mensen zijn overal gevaarlijk wanneer leiders onbeperkte macht verwerven en hun volgelingen de vrijheid krijgen om anderen, zwakker dan zij, te intimideren. (…) Auschwitz en Nanking zullen, ondanks de verschillen in vorm en stijl, daarvan altijd het bewijs zijn.’ De verschillende verwerking van de oorlogsschuld in Japan en Duitsland verklaart hij dan ook uit een politiek feit: in tegenstelling tot Adolf Hitler werd keizer Hirohito na de oorlog gehandhaafd met het oog op de stabiliteit van Japan als Koude-Oorlogsbondgenoot. De 'hoogste officier’ werd uitgezonderd van het Tokyo-tribunaal en de kwestie van schuld en verantwoordelijkheid werd nooit aan de orde gesteld. Veel Japanners wisten niet hoezeer het keizerlijke leger zich had misdragen, maar ze wisten wel dat de Amerikanen het Japanse volk monddood wilden houden. 'Amerika had de nieuwe koers aangemoedigd. Dus Amerika kreeg overal de schuld van. Dat is een van de redenen waarom, van alle historische symbolen die latere generaties zouden achtervolgen, Hiroshima het krachtigste zou blijken.’
Buruma haalt veel overhoop, maar hij laat ook zien dat de waarheidsdrang van de mens op den duur alle propaganda overwint. Hij woont met een groep Berlijnse filmstudenten een vertoning bij van Veit Harlans weerzinwekkende film Jud Suss uit 1940. Tijdens de gedachtenwisseling na afloop rijten de studenten de film kalm, scherpzinnig en geroutineerd aan flarden. 'Terwijl ik daar in die kleine bioscoopzaal in Berlijn zat, vijf minuten verwijderd van het gebouw waar Goebbels zijn radiotoespraken had gehouden, besefte ik met een intens gevoel van opluchting dat we die afschuwelijke film allemaal vanuit precies hetzelfde standpunt hadden bekeken.’ En hij citeert uit de opstellen van Japanse schoolkinderen die zojuist filmopnamen van het bloedbad in Nanking hadden gezien. Yasuko, 14 jaar: 'Wij horen vaak over de gruwelijke manieren waarop nazi’s hun slachtoffers vermoordden, maar de Japanners waren zelf ook behoorlijk erg. Wat moeten we denken van die enge lachjes op de gezichten van Japanners wanneer ze de hoofden van Chinese mensen afhakten? Hoe konden ze lachen terwijl ze mensen doodden?’
Het is maar een woordje, dat 'enge’, maar het is een standpunt. Het standpunt van de echte slachtoffers.