Het kwaad van een eigen haard

Nathaniel Hawthorne, Het huis met de zeven gevels. Vertaling Anton Haakman, Uitgeverij Meulenhoff, 352 blz., f55,-
De jury - Graa Boomsma, Yves van Kempen, Marc Reugebrink en Xandra Schutte - koos deze keer Nathaniel Hawthornes Het huis met de zeven gevels tot boek van de maand. De andere mededingers waren:
Birger Sellin, Ik deserteur van een braaf autistenras (uitg. Toth, 207 blz., f32,50). Dat de binnenwereld en de buitenwereld verbonden zijn door het schrijven, bewijst Birger Sellin. Uit een diepe put haalt hij zijn bevrijdende woorden dag na dag omhoog.
Paul Claes, De zoon van de panter (uitg. De Bezige Bij, 118 blz., f24,90). Een apocriefe reconstructie van het Evangelie van de Twaalf, die het leven van hun Meester opnieuw in herinnering brengt. Een boek dat zijn charme vooral ontleent aan de vele verhalen die het oproept.
Maria Nurowska, Spaanse ogen (uitg. De Geus, 270 blz., f34,90). De geschiedenis van de verhouding tussen een moeder en haar tijdens een verkrachting verwekte dochter. De dochter probeert het leven van haar moeder te herhalen; de moeder probeert haar kleinzoon voor een lot als dat van haar dochter te behoeden.
JE ZOU KUNNEN zeggen dat de hoofdrol in Het leven een gebruiksaanwijzing, de vuistdikke roman van Georges Perec die vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen, wordt gespeeld door een huis. Natuurlijk, Georges Perec vertelt de levensgeschiedenis van tientallen personages, maar hij kan over al die schijnbaar willekeurige figuren verhalen omdat ze hetzelfde stukje grond delen.

Het basisidee van zijn roman is even eenvoudig als ingenieus: een Parijs appartementengebouw aan de denkbeeldige rue Simon Crubellier in het zeventiende arrondissement, waarvan de facade is weggehaald en waarvan alle vertrekken, van kelder tot zolder, tegelijk te zien zijn. Zoals in de precieuze achttiende-eeuwse poppenhuizen die alle overdadig ingerichte kamers en bedrijvige poppen gelijktijdig tonen. De doorsnede van het huis is tegelijk een doorsnede van het leven, ook al zien we de poppenhuisfiguren in een versteende pose.
Zo kan je in het appartement van Perec in een oogopslag zien hoe een vrouw van een jaar of veertig in een lange regenjas van skai de trap beklimt, hoe een well-to-do echtpaar zich verkleedt voor hun jaarlijkse receptie terwijl de butlers schalen met verfijnde lekkernijen uitstallen, hoe een oude man een spelletje patience speelt, een dokter een bejaarde patiente onderzoekt, de concierge de zekeringen van het licht in de vestibule vervangt, een schilder aan het portret van een Japanse zakenman werkt, een wat haveloze man in zijn keuken een blik gekruide sardientjes opentrekt, en Bartlebooth - vooruit, de roman kent wel degelijk ook menselijke hoofdpersonen - bezig is met het leggen van een puzzel.
BIJNA ANDERHALVE eeuw voor Perec, in 1851, had de Amerikaanse schrijver Nathaniel Hawthorne zijn roman Het huis met de zeven gevels gepubliceerd en zoals al uit de titel is op te maken, is het ook bij hem een huis dat de hoofdrolspeler is. Perec sneed een doorsneehuis doormidden om een wirwar van levens te presenteren; het centraal stellen van het appartement was een elegante literaire truc om een veelheid aan romans in een boek onder te brengen. Hoe naief is Hawthorne in vergelijking tot Perec! Zijn huis is werkelijk een personage, een grillig houten gevaarte dat van meet af aan menselijke proporties heeft aangenomen.
Kijk bijvoorbeeld maar hoe het huis aan de lezer wordt voorgesteld. Het uiterlijk van het eerbiedwaardige herenhuis, laat de alwetende verteller op de eerste pagina van het boek weten, maakt de indruk van een menselijk gelaat, ‘omdat het niet alleen de sporen droeg van storm en zon waaraan de buitenkant blootgesteld was geweest, maar ook uitdrukking gaf aan de lange duur van een sterfelijk leven en de daarmee gepaard gaande lotgevallen die er binnenin hebben plaatsgevonden’. De ver vooruitstekende eerste verdieping geeft het bouwsel een peinzend voorkomen dat aangeeft dat het geheimen verbergt en een veelbewogen geschiedenis. Het huis is als een mensenhart, het kan behalve peinzen ook huiveren, troosteloos zijn en eenzaam.
Het huis met de zeven gevels is een typisch gotisch gedrocht. De buitenkant is versierd met fantastische figuren en ornamenten. Het kent nissen en uitsteeksels, boogramen en balkons. De zeven gevels reiken spits naar de hemel, een bundel schoorstenen piekt in het midden. Het gebouw heeft niet alleen een hart, het heeft ook een eigen wil. Want vanzelfsprekend spookt het er, worden de bewoners er in de wurggreep van vreemde gebeurtenissen - hol klinkende voetstappen, flarden muziek uit een ver verleden, raadselachtige doodsoorzaken - gehouden.
Aan het eind van de zeventiende eeuw liet kolonel Pyncheon het gebouw uit hout bouwen. Het huis verrijst aan de rand van het dorp, waar eerst de primitieve hut van Matthew Maule stond. De bikkelharde kolonel, een man met een 'hart als een granietblok’, had het kleine stukje grond slinks ontvreemd door de oude Maule van toverij te beschuldigen. Maar de heksenmeester sprak vanaf het schavot, vlak voordat hij ter dood werd gebracht, een vloek uit over de kolonel: 'God zal hem bloed te drinken geven.’ Het huis werd zogezegd op een rusteloos graf gebouwd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de vloek uitkwam: tijdens de feestelijke opening van het huis werd de ijzervreter dood in zijn stoel gevonden. Het bloed druipend over zijn baard en wit gesteven hemd.
DE ROMAN van Hawthorne speelt in de negentiende eeuw. Het dorp van weleer is inmiddels een stad. Het groteske huis is in de familie gebleven, maar ook de schuld van de voorvader is van generatie op generatie doorgegeven. Het houten huis is vermolmd en staat er haveloos bij, als een treurige grijsaard die een zwaar lot heeft moeten torsen. Het is daarmee het symbool van zijn aristocratische bewoners. Allereerst richtte de patriarch een groot en statig gebouw op dat in de ogen van andere mensen niets minder dan zijn karakter moest uitdragen, later weerspiegelde het huis het materiele en morele verval van de hoogstaande familie.
Het zijn voorspelbare karakters die in de negentiende eeuw aanspraak maken op het huis. Bewoonster is Miss Hepzibah, een lelijke, magere oude vrijster op leeftijd, 'een beschimmeld stuk aristocratie’. Ze is zo verarmd dat ze in een van de hoeken van het huis een centenwinkel is begonnen waar ze knikkers, koeken, speelgoed, garen, gist en gemberbier verkoopt. Ze verhuurt een kamer aan de fotograaf Holgrave, die, dat blijkt al uit de zeer moderne kunst die hij beoefent, een representant van het moderne denken is. De andere personages: de respectabele rechter Jaffrey Pyncheon, de erfgenaam van het huis, die sprekend op de hebzuchtige kolonel lijkt; het aimabele nichtje Phoebe die de onbedorvenheid en frisheid van het platteland in het huis brengt; en de gedegenereerde schongeistige Clifford, de broer van Hepzibah die dertig jaar in de gevangenis heeft gezeten. Het is ook voorspelbaar dat de zeventiende-eeuwse geschiedenis van hebzucht en straf zich herhaalt. In plaats van een groot fortuin heeft de familie een groot ongeluk geerfd.
Niet alleen het huis, Hepzibah, Clifford en rechter Pycheon symboliseren de neergang, zelfs de kippen in de tuin verpersoonlijken het verval. Eerst waren de kippen groot als kalkoenen en deden hun eieren aan die van struisvogels denken, in de negentiende eeuw zijn ze nauwelijks groter dan duiven, leggen ze geen eieren meer en klinkt in hun geklok en gekakel iets looms en melancholieks door: 'Het was duidelijk dat het ras was gedegeneerd, zoals overigens veel edele rassen, als gevolg van een overmatig streng waken om het zuiver te houden. Dit gevederde volkje was te lang als afzonderlijke soort blijven voortbestaan.’
HET MOGE duidelijk zijn, Het huis met de zeven gevels is een typische negentiende-eeuwse roman. De sfeer is geheimzinnig en spannend, de alwetende verteller spreekt wellevend in de pluralis majestatis en de moraal is eenvoudig uit te tekenen. De democratische boodschap blijkt al onmiskenbaar uit de beschijving van de kippen: het koesteren van de o zo aristocratische stamboom leidt onvermijdelijk tot zwakte en verval. De fotograaf verwoordt het ook nog expliciet: 'Een familie stichten! Dat idee is de wortel van het meeste kwaad en onrecht dat mensen begaan. De waarheid is dat een familie na hoogstens een halve eeuw zou moeten opgaan in de grote, obscure massa van de mensheid en alles over haar voorouders zou moeten vergeten.’
Het grootste kwaad is het verlangen om familiebezit te verwerven en door te geven. Ook die moraal is niet te missen: de rampspoed is vaak groter dan het fortuin dat wordt overgeerfd. En ook dat wordt weer omstandig gezegd, ditmaal door Clifford, die het meest heeft geleden onder de vloek die op zijn geslacht rust: 'Ik hoop, en ik geloof er vast in dat de termen “onder de pannen” en “eigen haard” spoedig in onbruik zullen raken en vergeten zullen worden. Stel u even voor hoeveel kwaad er door deze ene verandering in het niet verdwijnen zal! Wat wij onroerend goed noemen - het terrein om een huis op te bouwen - is het omvangrijke fundament waarop bijna alle schuld in deze wereld rust. Een mens is in staat bijna elk soort onrecht te begaan (…) enkel en alleen om een groot, somber huis te bouwen met duistere kamers om er zelf te sterven en zijn nageslacht een ellendig leven te laten leiden.’
Het gruwelsprookje heeft een gelukkig eind. Na anderhalve eeuw en een ingenieuze ontknoping lijkt de vloek eindelijk te zijn verdwenen. Het ongelukkige huis kan weer glimlachen. De kippen scharrelen weer vrolijk rond en beginnen onvermoeibaar eieren te leggen.