Het kwaadaardig verlangen gelukkig te zijn

De verhalen van de Braziliaanse schrijver Clarice Lispector (1920-1977) gaan vaak over meisjes, huisvrouwen, burgerdames. Maar de échte onderwerpen zijn het kijken, het denken, het zijn.

Clarice Lispector biedt troost en schoonheid © Pulo Gurgel Valente

Vrouwen zijn vaak roodharig en niet zelden dik, of toch op z’n minst dikkig, in de verhalen van Clarice Lispector. En even vaak smachten, verlangen en lijden ze. ‘Als ik doodga zal ik zo naar je verlangen, Eduardo! De zin miste elke logica maar bevatte toch een onuitsprekelijke betekenis.’ Wat ook geldt voor dit boek, Alle verhalen.

‘Toen Clarice Lispector in 1977 stierf was ze in haar land al een mythische figuur, de sfinx van Rio de Janeiro, een vrouw die sinds haar jonge jaren iedereen betoverde’, schrijft Benjamin Moser in zijn biografie van de Braziliaanse schrijfster. Toen dat boek in 2009 verscheen, leerde de wereld de figuur Clarice Lispector kennen, en pas later ook haar werk, dat dankzij Moser vertaald werd naar het Engels. Ook bij het lezen van het net verschenen Alle verhalen – samengesteld en ingeleid door diezelfde Moser, die onlangs ook de biografie van Susan Sontag schreef – lijkt het alsof je een stukje van de vrouw achter de schrijfster leert kennen.

Lispector was extreem knap – haar gezicht siert de cover van Alle verhalen – en daar wordt vaak gretig op gefocust. Giorgio de Chirico schilderde haar portret. En Gregroy Rabassa, die haar roman The Apple in the Dark vertaalde, verklaarde dat ze eruitzag als Marlene Dietrich en schreef als Virginia Woolf. Dat moet een van de meest herhaalde citaten over Lispector zijn. Alhoewel, merkt Rachel Kushner terecht op in Bookforum: ‘No one would say that Albert Camus looked like Humphrey Bogart and wrote like André Gide’. Wat Rabassa bedoelde is dat Lispector erin slaagde om geloofwaardig te zijn als vrouw én als schrijver – iets wat in de jaren veertig en vijftig niet zo evident was.

Een groot deel van Lispectors oeuvre gaat over vrouwen – meisjes, huisvrouwen, burgerdames met dienstmeiden. In haar vroege verhalen voert ze enkele jonge vrouwen op die niet tevreden zijn met hun leven als huisvrouw en de lange, lege, eenzame uren thuis waarin niets te doen valt. Zij koesteren, in Lispectors woorden, ‘het kwaadaardig verlangen van ons om gelukkig te zijn’. In ‘De triomf’, Lispectors allereerste verhaal, dat ze schreef toen ze negentien was, verzeilt Luísa eerst in wanhoop wanneer haar man na een ruzie de deur achter zich dicht trekt: ‘En dan dat gevoel, dat ze kende van eerdere keren wanneer ze ruzie hadden: als hij vertrekt, ga ik dood, ga ik dood.’ Om later tot het heerlijke besef te komen: ‘Hij was ervandoor gegaan. En toch waren de dingen niet al hun charme kwijt. Ze hadden een eigen leven.’ En uiteindelijk: ‘Ze moest lachen. Hij zou terugkomen omdat zij de sterkste was.’

Dat machtsevenwicht tussen man en vrouw komt ook in andere verhalen terug. In ‘Obsessie’ valt een vrouw voor Daniel, een typische bad boy, die met zijn droefenis en gravitas zoveel meer diepgang lijkt te bezitten dan haar echtgenoot. Hoe meer Daniel haar afwijst, hoe meer zij hem bewondert, en hoe verder ze verstrikt raakt in de destructieve relatie. ‘En hij probeerde me, weet ik nu, te vertrappen en te vernederen omdat hij me benijdde. Hij wilde me wakker schudden, omdat hij wilde dat ik ook zou lijden, zoals een lepralijder die heimelijk hoopt gezonde mensen te besmetten met zijn lepra.’ Maar: ‘Opeens vielen mij de schellen van de ogen. Voor het eerst besefte ik geschrokken dat Daniel mij nodig had! De tiran kon niet meer zonder mij…’ ‘Dus… hij had me nodig? Ik voelde geen blijdschap, eerder een soort teleurstelling (…) En Daniel was slap geworden, de betovering was verbroken.’ En zo spreidt ze een Groucho Marx-achtig gebrek aan zelfrespect tentoon – ‘Ik zou nooit bij een club willen horen die iemand als ik als lid zou accepteren.’

In haar associatieve stijl krabt Lispector aan het oppervlak van het onbenoembare

De ene vrouw zoekt betekenis bij arrogante mannen, de ander zoekt net een plaats voor zichzélf in deze door mannen gedomineerde wereld. Een van Lispectors sterkste jeugdverhalen is ‘Gertrude vraagt raad’ waarin een jong meisje méér wil van het leven: ‘Maar iets betekenen in een omgeving als de hare was onmogelijk. Ze stoorden haar met de meest onbenullige opmerkingen: “Heb je al gedoucht, Tuda?” Of anders de blik van haar huisgenoten. Een simpele, verstrooide blik die niets gemeen had met het nobele vuur dat in haar brandde. Wie zou dat kunnen volhouden, dacht ze somber, omringd door zoveel banaliteit?’

Ze maakt een afspraak met de dokter, maar vindt het lichtpuntje gewoon bij zichzelf: ‘Want uiteindelijk, dacht ze… bestond ze! Die gedachte ging gepaard met het besef dat ze een eigen lichaam had, het lichaam waar die man naar had gekeken, een eigen ziel, de ziel die door de arts was aangeraakt. Ze perste haar lippen op elkaar, vervuld van een plotselinge agressie: “Ik heb helemaal geen arts nodig! Ik heb helemaal niemand nodig!” Sidderend van woeste vreugde liep ze gehaast door.’ Iets gelijkaardigs gebeurt in ‘De vlucht’, waarin een vrouw na twaalf jaar huwelijk haar man verlaat: ‘Nu ze eenmaal besloten had te vertrekken kwam alles weer tot leven. Als ze niet zo in de war was had ze eindeloos kunnen genieten van wat ze twee uur later dacht: goed, alles bestaat gewoon nog. Ja, even simpel als bijzonder, die constatering.’

De dingen bestaan, en ik ben iemand. Dat lijkt voor Lispector voldoende als medicijn tegen de leegte en de absurditeit van het bestaan. Of zoals het klinkt in het verhaal ‘Zoveel zachtheid’: ‘Alleen dit: het regent en ik zie de regen. Wat een eenvoud.’ Zo eenvoudig inderdaad, en tegelijk omvat het de complexiteit van het leven: kijken en de dingen echt zíen, voelen, denken.

Door enkele verhalen na te vertellen lijk ik te suggereren dat ze een plot hebben. Dat is meestal niet zo. Het zijn, het kijken, het denken, dat zijn de échte onderwerpen van haar verhalen. En het is net via haar associatieve stijl, de herhaling en de vele monologues intérieurs dat Lispector soms iets wezenlijks aanraakt en krabt aan het oppervlak van het onbenoembare. Soms gaat ze zó associatief te werk dat er onder het oppervlak dat ze zachtjes wegschuurt vooral nonsensicale waanzin lijkt te zitten. Maar hoe verder je in het boek bent, hoe dieper je in haar gedachtegang doordringt, hoe makkelijker het wordt om erin mee te gaan, mee te bewegen in haar cadans.

Geregeld doorbreekt ze de verhaalruimte met meta-commentaar, waardoor je het gevoel hebt dat je minstens evenveel leest over Lispector zelf als over haar personages. Hoewel de schrijfster het mysterie rond haar persoon in de hand werkte – in interviews praatte ze niet over waar ze vandaan kwam, waar ze geboren was, hoe oud ze was, hoe ze leefde, ‘aangezien dat iets strikt persoonlijks is’ – lijkt het alsof alle verhalen samen haar visie op het leven vatten. Ze biedt een blik op de psyche van de mens, maar dan zonder te psychologiseren. En vooral: ze creëert een verbondenheid. Aan het einde van ‘Op zoek naar waardigheid’ laat ze haar hoofdpersonage radeloos achter: ‘Toen sloeg mevrouw Jorge B. Xavier plotseling dubbel over de wasbak alsof ze haar ingewanden wilde uitbraken en onderbrak ze haar leven met een klievende stilte: er! moet! een! uiuiuiuitweg! zijn!’ Voor Lispector is die uitweg de literatuur. Met haar verhalen biedt ze herkenning, troost en schoonheid.

Even terug naar de rits superlatieven die al gebruikt zijn om Lispector en haar werk te beschrijven. Volgens Benjamin Moser is ze ‘de belangrijkste joodse schrijver sinds Kafka’. En de Franse auteur Hélène Cixous stelde dat Clarice Lispector was hoe Kafka zou zijn geweest als het om een vrouw was gegaan, of ‘als Rilke een in de Oekraïne geboren Braziliaanse jodin was geweest. Als Rimbaud een moeder was geweest en de leeftijd van vijftig jaar had bereikt. Als Heidegger had kunnen ophouden Duits te zijn.’ Maar eerlijk? Clarice Lispector is vooral zichzelf.