Het kwade denken van hm de koningin

De afgelopen maanden schaarde elke stad en elk dorp zich plechtig rond een eigen monument ter nagedachtenis van ‘hen die vielen’, als betrof het een altaar voor de laatste afgod die ons op het eind van de twintigste eeuw nog rest: het gezamenlijk slachtofferschap. Terwijl in ex-Joegoslavie en Ruanda de genocide voortraasde, legde Nederland kransen onder het motto ‘Dat nooit weer’. Het zou onbillijk zijn om een kongsi van ontspoorde gemeenteraden, uitgevers en banketbakkers voor de smakeloosheden verantwoordelijk te stellen, want zonder vraag geen aanbod. Het vijftigste herdenkingsjaar heeft kennelijk een massale behoefte aan bewijzen en getuigen van een collectief verleden ontketend. Vanwaar die nadrukkelijke, bijna nostalgische ernst waarmee Nederland de oorlog heeft herdacht?

Is het om de demon van ‘40-'45 te bezweren, of juist om hem op te roepen? Om de herinnering aan dat tijdperk van ongekende wreedheid, eenzaamheid en menselijke ontluistering af te sluiten, of juist om die herinnering dienstbaar te maken aan het heden? Koningin Beatrix gaf in haar Bevrijdingstoespraak van afgelopen vrijdag het antwoord: 'Vele Nederlanders voelden zich deel van een geheel, schouder aan schouder met de Rotterdammer in zijn verwoeste stad, verenigd in de vuist van de Amsterdamse dokwerker. Een tevoren ongekend gemeenschapsgevoel en een sterk vertrouwen in samenwerking en eensgezindheid zijn voor de oudere generatie de dierbare herinnering aan de oorlog.’ Nu ben ik niet van de oudere generatie, dus de waarheid is mij misschien iets dierbaarder dan de gekleurde herinnering, maar ik weet niet wat verontrustender is: de mythomane toespraak van Beatrix of de hondetrouw waarmee de Nederlandse hoofdredacteuren de tekst lieten afdrukken.
Versta mij goed: met een vorstelijke oproep tot verdraagzaamheid en respect voor de medemens is niets mis. Maar de context waarin de oproep ditmaal werd gedaan, grenst aan geschiedvervalsing. Dat Beatrix 'sterke dijken’ en 'nabuurhulp’ als de historische grondslagen van onze democratie beschouwt, is gezien haar familiegeschiedenis een begrijpelijke faux pas. Zij kan bezwaarlijk de verdiensten roemen van een Van Oldenbarnevelt of de gebroeders De Witt, want die zijn door toedoen van de Oranjes vermoord. Maar zij deed ook de waarheid omtrent de oorlogsjaren schaamteloos geweld aan. Wie haalt het nu in zijn hoofd om, een dag voordat de Nederlandse joden hun honderdtwintigduizend oorlogsdoden herdenken, het 'ongekende gemeenschapsgevoel’ en de 'eensgezindheid’ van het Nederlandse volk onder de bezetting te prijzen? Beatrix’ schuldbewuste toespraak tot de Knesset van enige weken geleden was kennelijk alleen voor buitenlands gebruik bestemd.
En daar bleef het niet bij. Zij plaatste in een moeite door ook de wederopbouw in het teken van de saamhorigheid, waardoor 'de scheidsmuren van geloof, politieke overtuiging en maatschappelijke positie doorbroken’ werden. Vergeten zijn de naoorlogse havenstakingen, de politionele acties en het herstel van de zuilenpolitiek waardoor collaborateurs als De Quay konden blijven regeren terwijl Nederlandse communisten met pantserwagens werden weerhouden van het herdenken van hun verzetshelden.
Schouder aan schouder, gemeenschapsgevoel, eensgezindheid - heel die aan de Morele Herbewapening van haar grootmoeder ontleende terminologie bevestigt dat de herdenking vooral de herinnering aan een gemeenschappelijke vijand levend en een kunstmatig besef van nationale eenheid in stand moet houden. Als zulke toespraken in Nederland onweersproken blijven, is de oorlog definitief vergeten en een mythe geboren.
Leefde Henk van Randwijk nog maar. In zijn befaamde hoofdartikel over de politionele acties schreef hij al dat wij sinds de Spaanse overheersing krampachtig volhouden dat wij een 'goed, braaf en principieel volkje’ zijn, maar dat daarvan tijdens de bezetting en wederom tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd weinig te merken was. In 1946 verbaasde hij zich erover dat er meer verzetskruisen werden uitgereikt dan er ooit illegale werkers waren geweest, tot hij begreep dat hier nog tijdens zijn leven de geschiedenis werd herschreven. Zelfs na zijn dood werd zijn weduwe telkens lastiggevallen door lijkenpikkers die beweerden in de oorlog met Van Randwijk te hebben samengewerkt. 'Henk is dood,’ zei ze dan. 'Die kan niets meer zeggen.’
Beatrix was wel zo zorgvuldig om te vermelden waarom de geschiedenis in idyllische termen moet worden herschreven, waarom de saamhorigheid als een deus ex machina uit de oorlogscoulissen verrijst en waarom de 'dierbare herinnering’ daaraan moet worden bestendigd: 'Tegenover de verbondenheid van de periode van wederopbouw staat nu de dreiging van een maatschappij die in ontbinding raakt.’ Inderdaad, in een tijd waarin staten uiteenvallen, een gemeenschappelijke vijand ontbreekt en het individu wordt gereduceerd tot zijn handelswaarde op de wereldmarkt, vragen mensen zich af waarom ze eigenlijk samenwonen. Overal ter wereld is de sociale band problematisch geworden. De angst voor totale desintegratie wordt gevoed door het aanschouwelijk onderricht van voormalig Joegoslavie en Ruanda. Zo ontstaat een voedingsbodem voor wat Beatrix terecht 'het kwade denken’ noemt: misdadige ideologieen en totalitaire systemen, die een schijnbaar houvast bieden en redding uit de morele en politieke draaikolk beloven. Maar is de versterking van een bedrieglijk gemeenschapsgevoel, zoals zij ons in haar redevoering voorspiegelt, werkelijk de remedie tegen desintegratie?
'Een bewuste keuze wordt gevraagd tegen alles wat onze democratie verzwakt en het gemeenschapsgevoel verschraalt’, zei Beatrix. In die zin ligt een kolossaal misverstand besloten. Samenleven is voor de mens een noodzakelijk kwaad, dat zal niemand ontkennen. Maar daarna scheiden zich de wegen. Wie het samenleven met anderen rechtvaardigt vanuit gemeenschappelijke wortels in ras, taal of mythologie, bewijst de democratie geen goede dienst. Het is een illusie om te denken dat democratie en ware gemeenschap samengaan, dat de omgang tussen mensen ooit onbaatzuchtig, zuiver en harmonieus is geweest of zou kunnen zijn. Democratie is op zijn best een wankel evenwicht tussen de onoverbrugbare tegenstellingen die elke samenleving verscheuren. De mythologie van een onbaatzuchtig, saamhorig volk is daarentegen een aanzet tot het kwade denken.