Nederland heeft straf

Het kwartet bazen dat Nederland beheert

In het tweede kabinet-Balkenende blijken vier soorten bazen te zijn. Onder hun leiding is de verweekte verzorgingsstaat, die zich met alles bemoeide en nergens voor verantwoordelijk was, een krachtige strafstaat aan het worden.

Het ware en vooral eensgezinde gezicht van het tweede kabinet-Balkenende zou zich deze week hebben moeten openbaren. De begroting van vorig jaar was niet meer dan een eerste aanzet, volgend op het regeerakkoord waarmee Balken ende II in 2003 aantrad. De tweede miljoenennota, die afgelopen dinsdag officieel aan de Staten-Generaal werd aangeboden, zou de interessantste hebben moeten zijn. In het tweede jaar van een normale vierjarige periode is het immers tijd om het zaaigoed water te geven. Zodat we volgend jaar weten hoe de beleidsgewassen erbij staan. Waarna het kabinet in zijn vierde jaar kan oogsten, wat wel zo handig is met verkiezingen in aantocht.

Helaas. De begroting voor 2005 is misschien wel belangrijk – vooral voor de (lagere) middenklassen in Nederland, die er, zoals gebruikelijk omdat ze statistisch zo’n massale groep zijn, weer eens stevig van langs krijgen – maar niet eenduidig. De verwachtingen die vorig jaar werden gewekt, worden niet ingelost. Ondanks alle grote woorden, is het het kabinet verdwaald in zijn eigen dubbele agenda.

De miljoenennota is zodoende een muf document dat ongetwijfeld uitlokt tot een klassiek sociaal protest met spandoeken, stakingen en ander spektakel maar niet inspireert tot meningsvorming achter de barricaden. De tweede miljoenennota van Balkenende II is zelfs een halfhartig document. In 2003 was de burger aan zet. De problemen van de burgers zouden worden opgelost als de burgers hun problemen zouden oplossen: dat was de vicieuze redenering met de charme van een hermetische logica. Nu is de burger nog maar zeer ten dele aan zet. Het kabinet-Balken ende II is er achter gekomen dat de burger ook aan banden moet.

Dat nagenoeg alle hoofdlijnen bijna een week voor de protocollaire overhandiging afgelopen dinsdag al openbaar waren, is dan ook geen toeval geweest. De lekkages in de hoogste politieke en ambtelijke echelons waren een ouderwets opzetje van hogerhand. Wie elke dag één maatregel aankondigt die diep ingrijpt in het dagelijkse leven van de burgers verschaft een soort onderhoudsdosis methadon. Dat went. Wie in één klap alles over het volk uitstort, loopt het risico van een overdosis. Dat zou kunnen leiden tot een vol Malieveld en moet worden voor komen, omdat zeker de vakbeweging een toontje lager dient te zingen. De protesten deze week wijzen er nog niet op dat de bonden zich daarbij hebben neer gelegd. Maar het is nog te vroeg om de massa een beslissende stem toe te dichten. Kwantiteit alleen is onvoldoende. Er is meer nodig om in de coalitie in te breken.

De vraag luidt nu dan ook: wie is er eigenlijk de baas in het tweede kabinet-Balkenende? Er blijken vier soorten bazen te zijn.

Allereerst de procuratiehouder in het kabinet van CDA, VVD en D66.

Die functie wordt vervuld door Gerrit Zalm, die de kas beheert. Hij bepaalt de marges van alles en iedereen. De vice-premier en minister van Financiën onderwerpt alle plannen van zijn collega’s aan slechts één criterium: blijft de collectieve staatsschuld ten opzichte van het bruto binnenlands product (bbp) onder de zestig-procentgrens die de Europese Centrale Bank ons oplegt en loopt het financieringstekort niet op tot boven de even magische drie procentgrens? Een politiek debat daar over is hier, anders dan in Duitsland en Frankrijk, uit den boze. Zalm is daarom in het kabinet-Balkenende machtiger dan zijn voorganger Onno Ruding tussen 1982 en 1989 ooit is geweest in de eerste twee kabinetten-Lubbers.

Wellicht is dat verstandig, ware het niet dat er in Nederland op de keper beschouwd helemaal geen openbare discussie is over de vraag of het saneringsbeleid de economische potenties versterkt of juist verder in het moeras trekt. De remedie van Zalm is oud en vertrouwd maar daarmee nog niet overtuigend. Voor de derde maal sinds de Tweede Wereldoorlog worden alle kaarten gezet op een soort van bestedingsbeperking. Als de lonen en uitgaven zo laag mogelijk worden gehouden, wordt de concurrentiepositie van Nederland in de wereld vanzelf sterker. In de wederopbouwjaren na de oorlog werkte dat schema – uit het niets moest een industriestaat worden gestampt die opgewassen was tegen andere landen die, met uitzondering van de Verenigde Staten, stuk voor stuk ook met hetzelfde bezig waren. In de jaren tachtig hielp het model eveneens. Als industri ele natie was Nederland, oog in oog met de eerste Aziatische tijgers, ten dode opgeschreven en moest zich ombouwen tot geavanceerde dienstenstaat waarin goedkope arbeid haar plaats kon hervinden.

Maar nu is het veel gecompliceerder. Tussen laaggeschoolde arbeid en hooggeschoolde kennis gaapt een gat dat zich niet laat opvullen door generieke maatregelen die voor iedereen gelden. Een kabinet waarvan de premier de innovatie als een van zijn hoofdtaken ziet en tamboereert op het normatieve verantwoordelijkheidsbesef van de individuele burger, zou zich rekenschap moeten geven van de noodzaak tot veel fijnmaziger beleid. Zo niet, dan dreigt een Dreidrittelgesellschaft: een samen leving waarin een derde wordt gedegradeerd tot de klasse der «werkende armen», een derde angstig probeert af te wenden dat het tot die status afdaalt en een derde lekker voorwaarts gaat in toenemende ergernis over de onzelfstandige sukkels beneden in de piramide.

Ten tweede de ideologen van het kabinet. Die rol wordt gespeeld door drie mannen die elkaar op wezenlijke momenten tegenspreken: de ministers Hans Hoogervorst van Volksgezondheid en Laurens Jan Brinkhorst van Economische Zaken, alsmede hun collega minister Piet Hein Donner van Justitie. Alle bewinds lieden hebben hun begroting ingeleid met een hoofdstuk waarin ze hun «beleidsagenda» voor het grote hervormingsproject uit de doeken doen. Maar Hoogervorst, Brinkhorst en Donner hebben daarvan echt werk gemaakt.

Minister Hoogervorst is de stille ideoloog. Hij wil de verzorgingsstaat, zoals opgebouwd sinds 1945, trimmen omdat de ooit zo gezonde geboortegolf nu ouder wordt en dankzij de medische technologie zelfs ouder dan enige eerdere generatie zal worden. Toen de «babyboomers» nog gezond waren, viel het niet op dat de babyboomers ons geld zouden gaan kosten. «Naoorlogse Europeanen zijn vrijwel zonder uitzondering opgevoed met de gedachte dat de staat garant staat voor ‹gratis› gezondheidszorg», aldus Hoogervorst. Wie zijn loonstrookje bekijkt of de automatische incasso weet dat dit onjuist is. Het is waar dat «het naoorlogse primaat van de overheid er dus toe heeft bijgedragen dat er onvoldoende prikkels zijn voor doelmatigheid», zoals de minister schrijft. «De overheid behoudt in onze visie een belangrijke rol in het waarborgen van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg. Maar de fundamenten van ons stelsel moeten worden vernieuwd door de verantwoordelijkheden zo dicht mogelijk te leggen bij de mensen en instituties waar het om gaat.» Dat klopt eveneens. Sterker, dat wist voormalig staatssecretaris Hans Simons ruim tien jaar geleden ook al, zij het dat die nog dacht aan een inkomensafhankelijke premie voor de algemene volksverzekering en Hoogervorst iedereen hetzelfde nominale bedrag wil laten betalen.

De ideologische adder zit nu dan ook ergens anders onder het gras: bijvoorbeeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), die bedoeld is om onverzekerbare kosten (chronische ziekten, handicaps en dementie) te dekken. De uitvoering van de AWBZ wordt per 1 januari «strakker centraal geregeld», ten koste van de rol die de lokale overheden nu nog vervullen. De subtekst van Hoogervorst is helder: we gaan de bureaucratie te lijf door te centraliseren omdat op het hoogste niveau de beste ambtenaren werken. Om dezelfde reden neemt ook de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) alle overheidscommunicatie in eigen hand ten koste van de afzonderlijke departementen.

Hierbij blijft het niet. Op alle terreinen gaat dit kabinet de bureaucratie te lijf. Er komt een heus programma: het Programma Andere Overheid. Daarmee moet de ambtenarij worden omgevormd tot een snelle en centraal aan gestuurde club die precies weet wat burgers en bedrijven nodig hebben. Maar zal het werken? De Raad van State veegt met dit Programma Andere Overheid in ieder geval ongenadig de vloer aan. Door de eenzijdige aandacht voor de kwalitatieve versterking van management en ambtelijk apparaat krijgt «de verambtelijking van de publieke ruimte een extra impuls», voorspelt onderkoning Herman Tjeenk Willink die, uit zijn vorige leven als regeringscommissaris voor de rijksdienst, weet waarover hij spreekt. Anders gezegd, de duffe bureacratie mag dan wel dynamisch worden maar wordt zodoende ook sterker. Toch laat het kabinet zich er niet door weerhouden. Bureaucratie doet het immers lekker in de propaganda.

Minister Brinkhorst is de luidruchtige ideoloog. Hij pepert ons zonder voorbehoud de noodzaak in van «structurele hervormingen». Nederland moet worden losgerukt uit het lapzwanserige Rijnlandse consensusmodel. Want alleen dan kan de bevrijding volgen in de vorm van het veel dynamischer Angelsaksische model, dat successen sneller beloont en fias co’s even rap bestraft. De markt moet de macht grijpen waar het kan, de staat moet de macht houden waar het kan. «De politiek heeft te lang te veel aandacht gehad voor het herverdelen van de welvaart, waardoor mensen onvoldoende gestimuleerd werden om hun talenten te ontwikkelen en ontplooien», weet Brinkhorst, die als staatssecretaris, parlementariër en minister nu bijna twintig jaar in de actieve politiek zit: «Dat is slecht voor het groeivermogen van de economie en voor de vitaliteit van de maatschappij.»

Maar dat gaat natuurlijk niet zomaar. Het is niet de bedoeling dat heel Nederland in beweging komt. Alleen in een autoritair land lopen alle burgers dezelfde kant op. In een democratische samenleving daartentegen roept de door Brinkhorst bepleitte dynamiem allerhande oncontroleerbare centrifugale ontwikkelingen op die haaks op elkaar kunnen staan en dus moeten worden gestuit. Door wie? Door de departementen die het machtsmonopolie bezitten op wapens en wetten.

Minister Donner heeft zich opgeworpen als de remmende ideoloog. Volgens hem is een vrije maatschappij vergeven van de paradoxen. «Vrijheid, diversiteit, zelfontplooiing zijn slechts een paar van de middelpuntvliedende krachten in de samenleving; recht, wet en overheid slechts een paar van de middelpuntzoekende», aldus Donner. Anders gezegd: de burgers mogen niet los van de leiband, de staat bepaalt de lengte en het vieren van de riem. «Want vrijheid vergt primair verantwoordelijkheid en zelfbeheersing; diversiteit primair respect en verdraagzaamheid; zelfontplooiing primair eerbiediging van regels en solidariteit met anderen om een gemeenschap mogelijk te maken.» Veel vertrouwen in zijn eigen controlerende macht heeft de minister van Justitie desondanks niet: «Wezenlijker dan rechten en wetten zijn de normen die mensen in hun onderlinge betrekkingen in acht nemen. Wezenlijker dan markten en overheidsplichten is vrijwillig geboden samenwerking.»

Ten derde de uitvoerders in de machinekamer.

De ministers Aart Jan de Geus van Sociale Zaken en Rita Verdonk van Vreemdelingen zaken & Integratie en staatssecretaris Mark Rutte van Onderwijs zitten in het vooronder aan de knoppen van de operationele macht.

De Geus heeft het sloopwerk gedaan en het trage poldermodel begraven. Nieuwe regelingen voor de WW en de WAO doen straks de rest om de arbeidsmarkt in galop te krijgen.

Verdonk houdt de deur op slot voor al die migranten die het predikaat «kennismigrant» niet verdienen. Zo wordt de onderste laag van de Nederlandse werkende stand gedwongen weer aan de slag te gaan en de bovenste laag, die niet gekwalificeerd genoeg is voor de broodnodige innovatie, door de import van hoogwaardige arbeid uit den vreemde geprikkeld. Vandaar dat het inburgeringsexamen voortaan in het land van herkomst wordt afgenomen. En wel via een telefonische verbinding tussen het consulaat in bijvoorbeeld Ankara en een computer in Den Haag die is uitgerust met spraakherkenningstechniek. Dat roept de hilarische vraag op of een autochtoon Tweede-Kamerlid met een stevig dialect voor dit examen zou slagen – en ook de veel gewichtiger vraag of de man of vrouw aan de andere kant van de lijn wel dezelfde is als degene die een machtiging tot voorlopig verblijf aanvraagt – maar het antwoord daarop is onbelangrijk omdat de overheid alleen het curriculum vaststelt en de cursus zelf uitbesteedt aan de markt.

Staatssecretaris Rutte ten slotte helpt een handje aan deze nieuwe vorm van kennismigratie, die op het eerste gezicht toch niet spoort met de hartenkreet om de arbeids kwali fi caties juist in eigen land op te krikken, door financieel een einde te maken aan de «education permanente». Studenten van dertig jaar en ouder worden geacht zelf voor de kosten op te draaien, al wordt pas over drie jaar duidelijk in welke mate. Voor de goede orde. Er is iets voor te zeggen om studenten eindelijk eens achter hun broek aan te zitten. Maar een kabinet dat de woorden «meer kennis» en «langer werken» voor in de mond heeft, zou juist oog moeten hebben voor burgers die pas op latere leeftijd weten wat ze willen en kunnen.

Hetzelfde geldt voor het voornemen de extra subsidies voor scholen in achterstandswijken niet meer langs lijnen van kleur te verdelen. Op zichzelf is dat een goed idee – achterstand is achterstand, ongeacht geloof of ras – maar de uitvoering ervan zou wel eens tot een slecht resultaat kunnen leiden in vooral de grote steden, waar de normen en waarden ook onder druk staan.

Waarom al deze paradoxen of contradicties? Omdat er een kink in de kabel van de logica zit. Het kabinet voelt zich gemangeld: tussen de samenleving en zichzelf. In de miljoenennota wordt dat zo beschreven: «Inzet is om ruimte te scheppen voor eigen keuzen en initiatief, om het appèl op eigen verantwoordelijkheid en onderlinge betrokkenheid te versterken, en om het vertrouwen in eigen vermogen te stimuleren. Dat vergt houvast; vandaar de inzet op veiligheid, een moderne sociale zekerheid, en een duurzaam gebruik van de natuur. Dat vergt samenhang; vandaar ook de inzet op een slagvaardige overheid, op integratie en op de beleving van normen en waarden. Het vergt dynamiek; vandaar de inzet op ondernemen, innovatie, onderwijs en de verandering van de zorg. En het vergt keuzevrijheid; vandaar de inzet op een bruikbare rechtsorde, op minder regels en administratieve lasten, en op regels die een kader bieden voor eigen keuzen, zoals een levensloopregeling.»

Het klinkt kinderachtig. Maar in deze passage staan vooral intenties die haaks op elkaar staan en zich niet in een handomdraai laten verzoenen. In een dynamische samenleving is juist weinig houvast. Wie snel beweegt, verlaat immers zijn positie. In een maatschappij waarin de burgers van alles en nog wat te kiezen hebben, kan de samenhang juist sneller teloorgaan.

Het kabinet weet dat, maar ziet kennelijk geen andere uitweg dan deze tegenstellingen tot een eclectische soep te roeren. Die taak wordt uitgevoerd door de vierde baas in het kabinet: premier Jan Peter Balkenende. Hoe ver zijn macht als keukenmeester strekt, is op grond van de miljoenennota voor 2005 onduidelijk en zal wegens zijn ziekte deze week ook vaag blijven. Het uitstellen van de Algemene Beschouwingen suggereert dat het kabinet zich zonder de minister-president niet kan verdedigen. Als dat na zijn ontslag uit het ziekenhuis waar blijkt te zijn, kan alsnog het ware gezicht van Balkenende II ontsluierd worden.

Want in de soep is één doel helder. Het kabinet heeft weliswaar nog enige hoop op het inherente fatsoen van de burger, maar bezit geen middelen om diezelfde burger te helpen.

Tot begin jaren negentig waren die er: ze waren in handen van de vakbonden, woningcorporaties, scholen, kerken, sportverenigingen en andere sociale instellingen waarin de burgers zich ook na de ontzuiling tot genoegen van het CDA en, in mindere mate, de PvdA, bleven organiseren. Die institutionele tussenlagen zijn verdwenen. Dankzij tien jaar liberale dominantie in vier opeenvolgende kabinetten (Kok I en II, Balkenende I en II) is er geen maatschappelijk middenveld meer dat kan fungeren als buffer tussen staat en volk. De enige resterende hefbomen zijn financiële prikkels of sancties. De verweekte verzorgingsstaat, die zich met alles bemoeide en nergens voor verantwoordelijk was, wordt onvermijdelijk een krachtige strafstaat.

Tussen de wortel en de stok is volgens dit kabinet niets voorhanden.