Het laagste is het hoogste

In zijn boeken ligt Genet achterover op het koude zeil van de samenleving en kijkt omhoog. Hij ziet de moraal en de dingen en de mensen van onderen. Hij kijkt de samenleving in haar kruis.

TWEE VOOROORDELEN beinvloeden het lezen van Jean Genet (1910-1986). Zijn werk heeft het aura van ziekelijk verderf en ongemotiveerde vunzigheid; er rust bovendien, niet in ’t minst door Sartre, een grote zwaarte op, die de literaire kwaliteit al evenzeer overschaduwt. Voorts zou het oeuvre van de diefstal, het verraad en de homoseks bedoeld zijn voor een al te selecte groep lezers, die het voornamelijk bewieroken om de levenswandel en de persoon van de schrijver. Zo nu en dan neemt een van hen het op zich de Fransman naar voren te schuiven. In het begin van de jaren vijftig, toen Genet in zijn eigen land furore maakte, was dat bijvoorbeeld Simon Vinkenoog, zijn Nederlandse ontdekker. Niet zo lang geleden verscheen in het Duitse taalgebied van de hand van Josef Winkler, een adept van ‘het schrijven als flirt met de dood’, een boek waarin de auteur het graf van Genet in het Marokkaanse Larache opzoekt en zijn drang tot bedevaart bevredigt. Dat dwepen met een ongebruikelijk auteur doet het werk geen goed.
Gelukkig staat daar een gestaag groeiende aandacht voor de literaire kwaliteit van Genet tegenover: zijn boeken zijn van zo'n sterke vanzelfsprekendheid en diepgang dat elk woord dat ze toegevoegd krijgen, oppervlakkige en naieve echo wordt. Genets werk voldoet aan een van de belangrijkste criteria voor produkten van de geest: er zijn, voor niets en niemand anders dan zichzelf. Je zou kunnen zeggen dat het op dezelfde manier tot leven komt als de persoon Genet dat doet voor Winkler: wanneer deze in een Parijs hotel op Genets vermeende sterfbed ligt, is dat zo zacht en aangrijpend dat hij het gevoel krijgt boven op de ingewanden van de schrijver te liggen. Het is een vals gevoel, ontdaan van realiteit en tegelijk gevuld met reele ervaring, dat past bij Genet. Van hem en zijn werk gaat een ondermijnende kracht uit, er blijkt een verziekende manier van kijken en denken uit, een ongekende zucht naar vernedering en verlaging. In de beelden en beschrijvingen baant die kracht zich een weg naar buiten. Je ligt als lezer van Genet voortdurend op zijn ingewanden. De schrijver biedt zich aan, wil dat je in hem binnendringt, zijn lichaam verkent.
IK HEB HET Dagboek van de dief (1949) herlezen en het is de branie die overtuigt, het broeierige dat voortkomt uit de meedogenloze keuzen die de schrijver maakt: voor de omfloerste blik waaruit elk moment het mes van het verraad te voorschijn kan flitsen, voor de fraai bezongen 'aarsliefde’, voor mannenlichamen waartegen je alleen aan kunt schurken met de kris van de dood binnen handbereik. Steeds zijn er die passages waarin de taal aan de haal gaat met de beelden, die op een soevereine manier gestileerd zijn. Ze lijken telkens te ontsporen, te vervluchtigen in de geilheid van de formulering, maar uiteindelijk worden ze letterlijk stopgezet, bevroren, afgedankt (zoals een jongen zijn geliefde na de liefdesdaad koeltjes laat liggen voor wat hij is).
Voor mij is het spannend dat vormgevende talent van Genet te ervaren en te bevestigen, te lezen en te wachten op een prachtige passage. Hoe kan ik anders, als iemand die behept is met een doorsnee moraal, accepteren dat de schoonheid van het lichaam het hevigst is als ze wordt gedragen door de per soon die de twee belangrijkste rollen in het leven, de politieman en de misdadiger, in zichzelf verenigt: de Gestapo-agent, de collaborerende milicien, de 'tulejongen’ die in blinkend uniform een vuige moord pleegt? Die wordt bejubeld als 'de meest mannelijke emanatie van de wereld’? Ik word geraakt door het intrigerende beeld van een 'gehemeltesluier’ die over een pik ligt, maar zie de afgrond in het standpunt dat de schoonheid van de verschrikkelijkste misdaad afhangt van de schoonheid van haar expressie. Je verlekkeren aan moord als de motor voor het schrijven die optimaal werkt als de daad bij het woord wordt gevoegd: daar moet ik voor passen.
Het is een dilemma dat door het Dagboek van de dief wordt opgeroepen. Genet suggereert realiteit, suggereert autobiografie en projecteert daarna theorie en fantasie over alle belevenissen en beelden heen. Alles wordt fictie, alles stroomt af op dat ene object van begeerte, 'het liefste in Guyana: sterke, “harde” kerels, die hun erectie krijgen omsluierd door de tule van het muskietennet’. Als Guyana een metafoor is, is de rest dat ook. En moord is dan blijkbaar een woord. Genet vermengt alles, rollen en houdingen, gebaren en bewoordingen. Hij is uit op erkenning van het kwaad. Zijn boeken initieren: voortaan diegene zijn die 'de misdaad van je gemaakt heeft’, die het ellendigste mensenleven op de fraaiste manier beschrijft, die het 'epos van de masturbatie’ (Sartre) niet anders kan volbrengen dan in diepe ernst.
MET HET DAGBOEK van de dief, door mij gelezen in de mooie vertaling van C. N. Lijsen uit 1965, wordt duidelijk dat Genets werk de consistentie van poezie heeft. Alles werkt samen om van een handjevol thema’s telkens een ander facet te laten zien. Er zitten fragmenten in die klassiek zijn geworden, bijvoorbeeld het stuk tekst dat voortvloeit uit de zin: 'In deze tijd valt er iets voor dat van betekenis was voor mijn morele leven.’ Jeannot trekt in Brno op met een groepje criminelen; die 'werpen licht op hem’, hij vormt de 'interferentiezone’. Vooral de hoerenjongen Michaelis wordt aanbeden. Als het tweetal later in Katowice gevangen zit, moet het iedere morgen een ontzaglijke metalen po, die ’s nachts door de bewakers is gevuld, vijf verdiepingen omlaag brengen en legen: 'De trap was steil. Bij elke tree kletste er een golfje urine over mijn hand en over die van Michaelis.’ Op een jutezak wordt de stront weggeschuurd en de vloer geboend. Genet neemt de functie op zich die hij de literatuur verleent. Om de vernedering van Michaelis te verminderen 'schroefde ik mezelf op tot een soort hieratisch teken dat hem als muziek in de oren klonk en in staat was de vernedering op te heffen’.
Daar zit alles in: Genets boeken zijn een beschrijving van houdingen, en 'op je knieen zitten’ is een sleutelhouding. De houding valt samen met de beschrijving, die zich steeds 'met het tegendeel van glorieuze middelen’ voltrekt. Maar de stijl sprankelt. Dus moet stront wegschuren tegelijk een priesterlijke eredienst zijn. Schrijven valt samen met het laagste en is tegelijk het hoogste. Taal kauwt en herkauwt en 'sabbelt’ het verafgode lichaam, het verafgode thema 'af’, en wel vanuit een opperste gespletenheid: de vernedering ondergaan in het bijzijn van de begeerde medegevangene, die omhoog wordt geschreven, verlucht wordt met de eretitel van moordenaar. Dat zijn plaats bij afwezigheid onmiddellijk wordt ingenomen door de verfoeide bewaker is consequent en verhoogt de status van de vernederde. Het spuug van de kus op de cipierslaarzen wordt het merkteken van verraad en het insigne van de hoogste liefde. Genet beschrijft de situatie, fantaseert erbij, wisselt bij het afglijden in liederlijkheid van rol, plaats en tijd. De gevangenis wordt het paradijs, de bewaker het idool, de taal zowel toevlucht als het medium dat niets anders doet dan bedriegen en onderuithalen.
GENET TREKT ZICH AF en schrijft: een soort literatuur die de suggestie wekt van harde mannelijkheid met daarachter, 'zoals een savanne in de tropen’, de drassige modderpoel bij de gratie waarvan die hardheid leeft. Hij ligt achterover op het koude zeil van de samenleving en kijkt omhoog. Hij ziet de moraal en de dingen en de mens van onderen, hij kijkt de samenleving in haar kruis. De gezochte verlossing heet Guyana, of Spanje. 'Dat “Spanje” is de staat van vernedering die de “ik” nastreeft wanneer hij in zijn levensonderhoud voorziet door te bedelen en zich te prostitueren en die door Genet verheerlijkt wordt als een stap op de weg naar heiligheid’, aldus Matthijs Bakker, de vertaler van Genets belangrijkste roman Querelle de Brest (1953).
In Dagboek van de dief verklaart de ik-figuur, die Jean Genet heet, alleen situaties gezocht te hebben - in het schrijven en in het leven - die waren geladen met erotische bedoelingen. De jeugdbagno’s zijn de plaats van die situaties, en steeds heten ze anders: Guyana, Spanje, afzondering, cel, latrine, strafkolonie, Antwerps rapalje. Veiligheid ontstaat in isolatie, het precieze tijdstip of jaar is van geen belang. Alle variatie en vermenging is mogelijk, elke houding is meegenomen. Wat plaatsvindt in de Barrio Chino, de louche wijk waarvoor ook nu nog elke bezoeker van Barcelona wordt gewaarschuwd, kan evengoed in Cadiz vijf jaren daarvoor of in Katowice vijf jaar later gebeuren. Het lichaam dat wordt geneukt, behoort toe aan een ander die de fantasie opwekt, niet aan de fysieke eigenaar: net zoals de taal niet het eigendom is van degene die het definitieve etiket aanbrengt maar van wie het stukscheurt om te kunnen wroeten naar de wortel van de begeerte. In het Dagboek van de dief is het golvende achterwerk van de onbereikbare Stilitano met zijn vernuftige bilspierenspel aanweziger dan de doods bewerkte kont van een schandknaap. Genet mag dan zwijmelen van de onterende misdaad, hij doet niet anders dan het waardeloze rehabiliteren en bevlogen eerbetoon bewijzen aan laagheid en vernedering. Dat levert - juist door de bravoureuze bezwering van het tegendeel - ontegenzeglijk die zo verafschuwde noblesse op, de literaire adeldom die Genet zo dwangmatig onder wilde spuiten.